Monogram Pictures

Monogram Pictures
Logo
Locatie
Land van hoofdzetel Vlag van Verenigde Staten Verenigde Staten
Hoofdkantoor
Industrie en producten
Industrie(ën) Film
Producten/diensten filmBewerken op Wikidata
Status en tijdlijn
Oprichting 1931
Opheffing 1953
Oorzaak einde Omgevormd tot Allied Artists
Vervangt
Bedrijfsstructuur
Oprichter(s)
  • W. Ray Johnston
  • Trem Carr
Moeder­onderneming
Allied Artists International
Bewerken op Wikidata
Links
Website Officiële website
Portaal  Portaalicoon   Economie

Monogram Pictures Corporation was een Amerikaanse filmstudio die van 1931 tot 1953 actief was en bekend stond voor zijn lowbudgetfilms. Monogram behoorde tot een groep van kleinere studio's uit De Gouden Periode van Hollywood, waaraan collectief gerefereerd werd als Poverty Row. Omdat Monogram niet over de financiële middelen beschikte om de weelderige decors, productienormen en filmsterren van de grotere studio's te betalen, probeerde Monogram publiek te trekken met actie- en avonturenfilms. In 1953 werd het bedrijf omgevormd tot Allied Artists Pictures Corporation.

Geschiedenis

Monogram werd begin jaren dertig opgericht uit twee eerdere bedrijven: Rayart Productions van W. Ray Johnston (hernoemd tot Raytone toen de geluidsfilms hun intrede maakten) en Sono Art-World Wide Pictures van Trem Carr. Beide specialiseerden zich in lowbudgetfilms, een beleid dat Monogram Pictures voortzette met Carr als hoofdproducent.[1] Een andere onafhankelijke producent, Paul Malvern, bracht via Monogram zestien Lone Star-westerns uit met John Wayne in de hoofdrol.[1]

Aanvankelijk bestond de ruggengraat van de studio uit een vader-zoon-tandem: schrijver/regisseur Robert N. Bradbury en cowboyacteur Bob Steele (geboren als Robert A. Bradbury). Bradbury schreef bijna alle vroege Monogram- en Lone Star-westerns en regisseerde er zelf veel van. Monogram bood een selectie aan filmgenres, waaronder actiefilms, klassiekers en mysteryfilms. In de beginjaren kon Monogram zich zelden grote filmsterren veroorloven en had het ofwel voormalige stommefilmacteurs in dienst die werkeloos waren ofwel jonge beloftevolle acteurs.

In 1935 gingen Johnston en Carr in zee met Herbert Yates van Consolidated Film Industries. Yates was van plan Monogram te fuseren met verschillende andere kleinere onafhankelijke bedrijven om Republic Pictures te vormen. Na een korte periode onder deze nieuwe onderneming botsten Johnston en Carr met Yates en vertrokken. Carr stapte over naar Universal Pictures, terwijl Johnston Monogram in 1937 reactiveerde.[2]

In 1938 begon Monogram aan een langdurig en winstgevend beleid van het maken van filmseries met bekende acteurs in de hoofdrollen. Zo speelde Boris Karloff in een serie Mr. Wong-mysteries, wat voor producer Sam Katzman de aanleiding was om Bela Lugosi in te schakelen voor een vervolgreeks van Monogram-thrillers. Monogram bleef filmseries uitbrengen, met wisselend succes.

Veel van deze filmseries waren westerns met sterren als Bill Cody, Bob Steele, John Wayne, Tom Keene, Tim McCoy, Tex Ritter en Jack Randall. Later volgde het "trio"-format: Buck Jones, Tim McCoy en Raymond Hatton werden "The Rough Riders", Ray Corrigan, John "Dusty" King en Max Terhune werden "The Range Busters", en Ken Maynard, Hoot Gibson en Bob Steele vormden samen "The Trail Blazers".[1] Monogram was ook een thuishaven voor ambitieuze filmsterren die hun eigen films wilden produceren.[3]

Medio jaren veertig kende Monogram bijna een grote doorbraak met het misdaaddrama Dillinger, dat in 1945 een daverend succes was. De film werd genomineerd voor een Oscar voor beste originele scenario.[4] Monogram bracht na Dillinger verschillende "exploitatie"-melodrama's uit die inspeelden op actuele thema's, zoals Black Market Babies (1946) over illegale handel in adopties en Allotment Wives (1946) over vrouwen die met militairen trouwen voor hun federale uitkering. De studio boekte wel enig succes maar Monogram werd nooit een respectabele "grote" studio, iets waarin de voormalige Poverty Row-studio Columbia Pictures wel slaagde.

Het succes van Monogram bleef toenemen na de Tweede Wereldoorlog. Doordat de grotere Hollywoodstudio's minder B-films uitbrachten ten gunste van prestigieuzere en duurdere producties, ontstond er een grotere behoefte aan goedkope films die bioscoopeigenaren zich konden veroorloven. Grote bioscoopketens die nog nooit Monograms budgetfilms hadden gedraaid – evenals kleine, onafhankelijke bioscopen die afhankelijk waren van goedkope films om winst te maken – begonnen regelmatig Monogram-films te vertonen. De casting voor Monogram-films verbeterde enorm na de oorlog, omdat tientallen acteurs werkloos raakten of onderbetaald werden toen hun thuisstudio's minder films produceerden. Talent van grote studio's begon werk te accepteren bij Monogram, wat de films van de studio meer prestige gaf en meer opbrengst aan de kassa opleverde.

Hoewel de producties van Monogram over het algemeen goedkoop, onbeholpen en uiteindelijk weining memorabel waren, zijn er toch een aantal uitschieters geweest. De enige Monogram-film die een Oscar won, was Climbing the Matterhorn, een documentaire die in 1947 de Oscar voor beste korte film won.[5] Andere Monogram-films die genomineerd werden voor een Oscar, waren King of the Zombies (1941) voor beste originele muziek[6] en Flat Top (1952) voor beste montage.[7]

Allied Artists Productions

Producent Walter Mirisch begon na de Tweede Wereldoorlog bij Monogram als assistent van studiohoofd Steve Broidy. Hij overtuigde Broidy ervan dat de dagen van lowbudgetfilms voorbij waren. In 1946 richtte Monogram een nieuwe afdeling op, Allied Artists Productions, om duurdere films te maken.[8]

De eerste productie van Allied Artists, It Happened on 5th Avenue (1947), kostte meer dan 1.200.000 dollar in een tijd waarin de gemiddelde Hollywood-film zo'n 800.000 dollar kostte en de doorsnee Monogram-film ongeveer 90.000 dollar.[9] Latere producties van Allied Artists waren goedkoper. Sommige werden in zwart-wit gefilmd, maar andere in Cinecolor en Technicolor. Monogram bleef het moederbedrijf en de films van Allied Artists werden allemaal uitgebracht door Monogram, samen met Monograms gevestigde B-films.

De komst van de televisie betekende het definitieve einde van de lowbudgetfilm en in september 1952 kondigde Monogram aan dat het voortaan alleen nog films zou produceren onder de naam Allied Artists. De merknaam Monogram werd in 1953 opgeheven en het bedrijf heette voortaan Allied Artists Pictures Corporation.[1]

Films (selectie)