Ministeria quaedam

het bekende drietal subdiaken-diaken-priester, ook wel hogere wijdingen genoemd

Ministeria quaedam is een motu proprio van paus Paulus VI die deze op 15 augustus 1972 publiceerde. Hierin regelde hij een aantal zaken betreffende de lagere wijdingen in de Rooms-Katholieke Kerk.

Tot aan Vaticanum II kende de Rooms-Katholieke Kerk een orde van zeven wijdingsgraden:

  1. Koster
  2. Lector
  3. Exorcist
  4. Acoliet
  5. Subdiaken
  6. Diaken
  7. Priester

De bisschopswijding, vaak genoemd consecratie, werd gezien als een voltooiing ofwel de hoogste graad van het priesterschap. In de loop der eeuwen werd er wel onderscheid gemaakt tussen kerkelijke wijdingen, en wijdingen gestoeld op de Heilige Schrift. De koster, lector, acoliet en subdiaken werden in de woorden van Ministeria quaedam gezien als enkele van deze functies, die nauwer met een liturgische handeling waren verbonden, (en) langzamerhand beschouwd als voorbereidende instellingen tot het ontvangen van de heilige wijdingen.[1] Echter was de invulling van deze functies niet voorbehouden aan priesterstudenten alleen. Functies als de koster en acoliet werden allang waargenomen door leken in de parochies. Daarom besloot paus Paulus VI in 1972 tot het schrijven van het motu proprio Minsteria quaedam. Dit op verzoek van talrijke herders om de lagere wijdingen en het subdiaconaat te herzien.

Lectoraat en Acolitaat

Doel van dit motu propio was dat de ambten verbonden aan de dienst van het Woord en de dienst aan het Altaar zodanig hervormd werden dat beiden een eigen dienstwerk zouden krijgen. De eerste vier wijdingsgraden werden hervormd opdat er twee functies over zouden blijven. Die van lector en die van acoliet. Deze voormalige wijdingen moesten vanaf toen "aanstelling" heten. Nieuw was dat deze diensten niet langer voorbehouden waren aan priesterstudenten. Iedere mannelijke leek kan, in theorie althans, de aanstelling tot lector en acoliet ontvangen.

misdienaar

De lector kreeg als taak om, met uitzondering van het evangelie, de H. Schrift voor te lezen. Naast de Schriftlezingen draagt hij ook zorg voor het voordragen van de tussenpsalm (vroeger het Graduale geheten). Indien er geen diaken of cantor is draagt hij ook zorg voor de voorbeden. De acoliet wordt gezien als de eerste dienaar van de diaken en de priester. Als buitengewoon bedienaar is het hem toegestaan om de Heilige Communie uit te reiken, indien er niet voldoende gewone bedienaren (lees: diaken of priester) aanwezig zijn. Ook mag hij zelfstandig de aanbidding van het allerheiligst sacrament leiden, echter is het niet toegestaan om de gelovigen daarna te zegenen.

Subdiaken

Het subdiaconaat werd als formele wijding afgeschaft. Wel stelt het motu propio dat het geen bezwaar is als lokale bisschoppenconferenties de aangestelde lector en acoliet tezamen subdiaken noemen. Iemand die zowel de aanstelling tot lector als acoliet heeft ontvangen vervult namelijk de functies die oorspronkelijk behoorden bij het subdiaconaat. Helemaal verdwenen is het subdiaconaat echter niet. Binnen de oosterse ritussen bestaat deze wijding nog steeds, en ook in gemeenschappen die vasthouden aan de Tridentijnse mis. Formeel echter wordt iemand nu pas een clericus als hij de diakenwijding ontvangen heeft.

Spiritus Domini

Op maandag 10 januari 2021 verscheen een pauselijke brief Spiritus Domini van paus Franciscus. Hij paste hierbij de canon in het kerkelijke wetboek aan. Tot die dag waren de aanstellingen van lector en acoliet voorbehouden aan mannen. Vanaf dan mochten ook vrouwen deze aanstellingen ontvangen. Dit was mogelijk omdat volgens de paus bepaalde functies voortvloeien uit het algemeen priesterschap. Het gedoopt zijn. Hierbij maakt hij onderscheid tussen lekenfuncties, en functies voorbehouden aan het priesterschap.[2]

Hiernaast opende hij ook de mogelijkheid om nieuwe functies te begroeten. In het bijzonder die van de catechist. Op bepaalde plekken in de wereld vervulde mannen en vrouwen deze functies als lokale leiders van hun gemeenschap. Met de mogelijkheid tot een formele aanstelling tot catechist kregen ze daarmee een duidelijker profiel. Zowel Spiritus Domini als Ministeria quaedam geven aan dat het bisschoppenconferenties vrij staat nieuwe functies in te stellen die zij in hun eigen gebied nuttig of zeer noodzakelijk achten.[1]