Marius van Rappard
| Marius van Rappard | ||
|---|---|---|
![]() | ||
Insinger, 1932 | ||
| Geboren | 17 november 1876 Den Haag | |
| Overleden | 22 november 1948 Den Haag | |
| Land/zijde | ||
| Onderdeel | Artillerie | |
| Dienstjaren | 1892-1934 | |
| Rang | ||
| Onderscheidingen | zie onderscheidingen | |
Marius ridder van Rappard (Den Haag, 17 november 1876 – aldaar, 22 november 1948) was een Nederlands luitenant-generaal der artillerie. Hij vervulde diverse functies binnen de vesting- en veldartillerie en diende uiteindelijk als inspecteur der Artillerie.
Biografie
Van Rappard werd geboren als zoon van Willem Frederik van Rappard en Petronella Jacoba du Marchie Servaas. Hij was lid van de familie Van Rappard. Op 2 september 1892 werd Van Rappard toegelaten tot de Koninklijke Militaire Academie. Na afronding van zijn opleiding werd hij als tweede luitenant geplaatst bij het 1e Regiment Vestingartillerie.
In 1901 werd hij overgeplaatst naar het 2e Regiment Veldartillerie. Van 1 november 1910 tot 1 november 1913 was hij gedetacheerd bij de Hogere Krijgsschool. Na voltooiing van zijn opleiding werd hij kort geplaatst bij het 3e Regiment Vestingartillerie, maar nog hetzelfde jaar opnieuw gedetacheerd bij het 2e Regiment Veldartillerie, waar hij vervolgens definitief werd toegevoegd. In 1929 kreeg hij het commando over de IVe Artilleriebrigade. Op 1 november 1931 volgde zijn benoeming tot inspecteur der Artillerie.
Tijdens zijn jaren bij het 2e Regiment Veldartillerie specialiseerde Van Rappard zich in schiettechnische vraagstukken, een kernonderdeel van het artilleriewapen. Hij stelde diverse voorschriften en bepalingen op die voortkwamen uit zijn studies op schiettechnisch en tactisch gebied. Veel artillerieofficieren ontvingen van hem hun opleiding.
Op 1 mei 1934 werd Van Rappard eervol gepensioneerd. Hij werd als inspecteur der Artillerie opgevolgd door kolonel J.H. Carstens. Van Rappard overleed in 1948 in zijn geboorteplaats Den Haag.[1]
Staat van dienst
- Tweede luitenant: 1896
- Eerste luitenant: 1901
- Kapitein: 1913
- Majoor: 1924
- Luitenant-kolonel: 1926
- Kolonel: 1929
- Generaal-majoor: 1931
- Luitenant-generaal: 1934
Onderscheidingen
- Ridder in de Orde van Oranje-Nassau (1921)
- Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw (1932)
Bron
- Ministerie van Oorlog, Inventaris van de dienststaten en stamboeken der Officieren van de Koninklijke Landmacht en van de koloniale troepen in Nederland, Archief 2.13.04, Nationaal Archief, Den Haag
- ↑ Roo van Alderwerelt, J.K.H. (1939). De grootmeester en de inspecteurs der Artillerie van de Koninklijke Landmacht van 1814 tot 1939. Koninklijke Nederlandsche Vereeniging "Ons Leger", p. 129.
| Voorganger: W.J.C. Schuurman |
Inspecteur der Artillerie 1931-1934 |
Opvolger: J.H. Carstens |
