John Hewitt

John Hewitt (Dronfield (Engeland), 23 december 1880 - Grahamstown, 4 augustus 1961) was een Zuid-Afrikaanse zoöloog van Britse afkomst. Zijn voornaamse object van onderonderzoek was de herpetofauna (reptielen en amfibieen) van de Oost-Kaap.

Jeugd en opleiding

Als scholier ging zijn belangstelling al uit naar de wetenschap. Hij studeerde hij aan de Universiteit van Cambridge natuurwetenschappen. In 1903 studeerde hij af als Bachelor of Arts aan het Jesus College.

Carrière

Van 1905 tot 1908 was hij conservator aan het Sarawakmuseum in Kuching (Sarawak, Noord-Borneo). In 1909 verhuisde hij naar Pretoria in Zuid-Afrika, waar hij aan het Transvaal Museum een functie als assistent-conservator voor lagere gewervelde dieren accepteerde. In 1910 volgde hij Selmar Schönland op in de functie van directeur van het Albany Museum in Grahamstown in de huidige provincie Oost-Kaap. Ondanks beperkte geldmiddelen bouwde Hewitt eigenhandig een omvangrijke herpetologische verzameling op. In 1920 en 1938 werd het museum uitgebreid. In september 1941 vernietigde een brand in het hoofdgebouw een groot deel van Hewitts verzameling, waaronder veel preparaten en de catalogus van de nieuwe aanwinsten.

Hewitt was een in alle opzichten breed geïnteresseerde natuuronderzoeker. Zijn grote aandacht betrof spinnen, waarover hij diverse artikelen schreef. Zijn eerste herpetologisch werk was in 1905 over slangen in Sarawak. Tussen 1909 en 1938 schreef hij 45 wetenschappelijke artikelen over amfibieën en reptielen. Het merendeel daarvan ging over systematiek en de verspreiding. Na 1910 verlegde Hewitt zijn focus naar de reptielen- en amfibieënfauna van Zuid-Afrika. Zo werd hij de soortauteur van taxa als de Eastwoods' zweephagedis (Tetradactylus eastwoodae), twee soorten spookkikkers (Heleophryne regis en H. rosei), de Natalspookkikker (Hadromophryne natalensis), drie soorten uit het geslacht Acontias (reuzengraafskinken), blauwvlekgordelstaarthagedis (Ninurta coeruleopunctatus), twee soorten dwergkameleon (geslacht Bradypodion) en zes soorten van de dikvingergekko's (geslacht Pachydactylus). In 1911 ondernam Hewitt samen met baron Paul Ayshford Methuen een verzamelexpeditie naar Madagaskar, waarover hij in 1913 twee wetenschappelijke artikelen schreef.

Vanaf 1931 publiceerde hij meerdere artikelen over schildpadden. De door het Albany Museum verkregen omvangrijke schildpaddenverzameling van James Edwin Duerden (1869-1937) werd door Hewitt sterk uitgebreid. Zich baserend op deze collectie onderscheidde Hewitt plaatselijke populaties en beschreef een aantal daarvan als nieuwe ondersoorten. Zo beschreef hij alleen al van de knobbellandschildpad 16 nieuwe ondersoorten en onderscheidde in totaal 27 ondersoorten. Arthur Loveridge en Ernest Edward Williams brachten het aantal ondersoorten terug tot drie in hun monografie Revision of the African Tortoises and Turtles of the Suborder Cryptodira uit 1957 over de schildpadden en landschildpadden van Afrika.

Hewitt publiceerde een rijk geïllustreerde veldgids over de amfibieën en reptielen (maar ook over andere gewervelde dieren) van de Oost-Kaap. Dit werk verscheen in 1918 en 1937 in twee delen. Na de brand in 1941 beëindigde Hewitt de herpetologische werkzaamheden en verlegde zijn aandacht naar de archeologie.

Naamgevingen

Naar John Hewitt zijn onder andere de volgende taxa vernoemd: Anhydrophryne hewitti (Anhydrophryne is een door Hewitt ingesteld geslacht) een nieuwe soort kikker, in 1947 door Vivian Frederick Maynard FitzSimons geldig beschreven. Daarna Goggia hewitti, een nieuw soort gekko, in 1995 geldig beschreven en in 1988 een nieuw soort spookkikker Heleophryne hewitti.

Onderscheidingen en privéleven

Hewitt ontving talrijke onderscheidingen voor zijn onderzoekswerk, waaronder een eredoctoraat van de Rhodes University (1935).

Toen hij in 1958 met pensioen ging, werd de archeoloog Hilary Deacon zijn opvolger bij het Albany Museum. John Hewitt overleed in augustus 1961 op 80-jarige leeftijd.