Arthur Loveridge

Arthur Loveridge (Penarth, Zuid-Wales, Verenigd Koninkrijk, 28 mei 1891Sint-Helena, 16 februari 1980) was een Britse zoöloog (vooral herpetoloog). Hij onderzocht de dierenwereld in Oost-Afrika en publiceerde een groot aantal geldige nieuwe soortbeschrijvingen van vooral reptielen.

Biografie

Van kinds af aan was hij geïnteresseerd in de natuur. Na school deed hij aanvankelijk twee jaar een stage voor een commerciële functie, daarna volgde hij een eenjarige opleiding aan het University College of South Wales. Daarna werd hij een half jaar assistent aan het Manchester Museum. In 1911 volgde een assistentschap bij het National Museum of Wales. Hier organiseerde hij tijdelijke tentoonstellingen en zette een catalogus op bestaande uit 23.000 kaartjes met gegevens over de diverse specimens uit de collectie. In 1914 werd Loveridge conservator van het nieuw opgerichte British East Africa Museum in Nairobi in Kenia (tegenwoordig: onderdeel van de National Museums of Kenya). Bij zijn sollicitatie verklaarde hij dat zijn privécollectie toen al 250 specimens van reptielen op alcohol of formaline bevatte en dat hij ervaring had met het prepareren en catalogiseren van zoölogische specimens.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende Loveridge drie jaar bij de East Africa Rifles in Tanganyika (ongeveer het huidige Tanzania). Na het vervullen van zijn dienstplicht werd hij gestationeerd in Lumbo, een havenstad in de provincie Nampula in Mozambique. Na de oorlog werkte hij een paar jaar als assistent-jachtopziener in Tanganyika. In deze functie verzamelde hij veel zoölogische specimens. Tussen 1920 en 1925 publiceerde hij een groot aantal wetenschappelijke artikelen over reptielen en amfibieën in de Proceedings of the Zoological Society of London.

In 1924 ging hij naar de Verenigde Staten en raakte hij verbonden aan de afdeling herpetologie van het Museum of Comparative Zoology (MCZ) van de Harvard University. In 1927 werd hij daar conservator van de afdeling. Gedurende vijf expedities naar Oost-Afrika verzamelde hij voor het MCZ. Hij deed bij voorkeur onderzoek in tropische en subtropische loofbossen. In 1926-1927 was dat in het Uluguru- en Usambaragebergte, in 1929-1930 in de zuidwestelijke plateaus van Tanganyika, in 1933-1934 in Kenia en Oost-Oeganda, in 1938-1939 in Kenia, Tanzania en Oeganda en in 1948 en 1949 in de provincie Tete van Malawi. Verslagen over deze expedities verschenen in het Bulletin of the MCZ. Hij beschreef zodoende 70 nieuwe soorten reptielen.

Tussen 1936 en 1958 deed hij taxonomisch werk aan een aantal Afrikaanse geslachten en families reptielen. Aldus begon hij met het geslacht Cnemaspis (gekko's) en werkte door tot aan verschillende geslachten van de adders. Omdat tijdens dit werk de Tweede Wereldoorlog woedde, had hij geen toegang tot specimens van Europese en sommige Afrikaanse musea. In 1957, kort voor zijn pensionering, verscheen een van zijn belangrijkste publicaties de Checklist of the reptiles and amphibians of East Africa.[1] In totaal schreef Loveridge tussen 1913 en 1962 ongeveer 180 herpetologische publicaties.

In juni 1957 verliet hij het MCS en bracht zijn pensioen door op St. Helena, maar bleef desondanks communiceren met tal van wetenschappers. Hij inspireerde veel van zijn studenten met populaire wetenschappelijke publicaties zoals Many Happy Days I've Squandered en I Drank the Zambezi.

Privéleven

In 1929 trouwde hij met Mary Victoria Sloane in Mombasa, die in juni 1972 overleed. Uit het huwelijk werd zoon Brian geboren. Hij bracht zijn pensioen door op Sint Helena, waar hij op 16 februari 1980 op 88-jarige leeftijd overleed.

Naamgevingen

Er zijn zeven reptielensoorten als eerbetoon naar hem vernoemd:

  • Afroedura loveridgei (Broadley, 1963)
  • Anolis loveridgei Schmidt,1936
  • Atractus loveridgei Amaral, 1930
  • Elapsoidea loveridgei Parker, 1949
  • Emoia loveridgei Brown, 1953
  • Melanoseps loveridgei Brygoo & Roux-Estève, 1982
  • Typhlops loveridgei Constable, 1949

Er is in 1922 ook een vogelsoort naar hem vernoemd: de Loveridges honingzuiger (Cinnyris loveridgei). Een eerbetoon van Ernst Hartert aan Loveridge omdat deze het type-exemplaar had verzameld.