Hermannus van Tongeren sr.
| Hermannus van Tongeren sr. | ||||
|---|---|---|---|---|
![]() | ||||
Hermannus van Tongeren sr. (1903) | ||||
| Geboren | 16 april 1876 Bergen op Zoom | |||
| Overleden | 29 maart 1941 concentratiekamp Sachsenhausen | |||
| Rustplaats | Begraafplaats Westerveld te Driehuis, vak W, rij 20[1] | |||
| Onderdeel | Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger | |||
| Rang | ||||
| Eenheid | Genie | |||
| Slagen/oorlogen | Atjehoorlog | |||
| Onderscheidingen | Militaire Willems-Orde (ridder 4e klasse) Orde van Oranje-Nassau (officier) | |||
| ||||
Hermannus van Tongeren (Bergen op Zoom, 16 april 1876 – Sachsenhausen, 29 maart 1941) was een Nederlands militair en vrijmetselaar. Hij diende als generaal-majoor titulair der genie bij het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger en was van 1928 tot 1941 Grootmeester van de Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden. In die laatste hoedanigheid gaf hij leiding aan de Nederlandse vrijmetselarij in een periode van toenemende politieke spanningen en werd hij tijdens de Duitse bezetting een van de eerste prominente maçonnieke bestuurders die door de bezetter werd gearresteerd en om het leven gebracht.
Levensloop
Militaire opleiding en dienst
Van Tongeren volgde een opleiding tot genieofficier aan de Koninklijke Militaire Academie te Breda. Vervolgens diende hij bij het KNIL in Nederlands-Indië. Tijdens de Atjehoorlog onderscheidde hij zich in juni 1898 als tweede luitenant der genie. Voor zijn optreden werd hem in 1899 de Militaire Willems-Orde toegekend.[2][3]
In de daaropvolgende jaren bekleedde hij verschillende functies binnen de genie. In 1914 werd hij bevorderd tot luitenant-kolonel. Na meer dan twintig dienstjaren in de tropen verliet hij in 1916 de actieve militaire dienst. Later werd hem de titulatuur van generaal-majoor verleend.
Vrijmetselarij
Van Tongeren werd als vrijmetselaar ingewijd in Batavia bij de Loge De Ster in het Oosten. Zijn bevordering tot Gezel vond plaats in de Loge Prins Frederik te Kota Radja, waarna zijn verheffing tot Meester-vrijmetselaar volgde in de Loge Tidar te Magelang.
Na zijn terugkeer naar Nederland werd hij in 1917 lid van Loge Nos Vinxit Libertas te Amsterdam. Hij was daar van 1920 tot 1936 Voorzittend Meester. In 1928 werd hij gekozen tot Grootmeester van de Orde.
Zijn Grootmeesterschap viel samen met een periode waarin de vrijmetselarij in Europa steeds vaker onderwerp werd van politieke verdachtmakingen en ideologische aanvallen. Van Tongeren nam, samen met andere leden van het hoofdbestuur, publiekelijk stelling tegen nationaalsocialistische propaganda en rassenideologie. Dit gebeurde onder meer via verklaringen, correspondentie en voorlichtingspublicaties waarin de beginselen van de vrijmetselarij werden verdedigd tegen beschuldigingen van staatsvijandigheid.[4]
Daarnaast hield Van Tongeren zich bezig met bestuurlijke vraagstukken rond de verhouding tussen het hoofdbestuur in Nederland en de loges in Nederlands-Indië. In deze context trad hij op als vertegenwoordiger van het centrale gezag van de Orde, met nadruk op institutionele samenhang en continuïteit.[5]
Tweede Wereldoorlog
Bestuurlijke en morele keuzes
Na de Duitse inval in mei 1940 werd de vrijmetselarij door de bezetter verboden. In de weken voorafgaand aan en direct na dit verbod stond het hoofdbestuur van de Orde voor ingrijpende keuzes met betrekking tot archieven, financiële middelen en de positie van individuele leden. Van Tongeren koos er bewust voor om de vrijmetselarij niet te laten overgaan tot clandestiene organisatievormen en zag af van het onderbrengen van archieven of vermogen in het buitenland. Volgens historisch onderzoek was deze keuze mede ingegeven door de vrees dat dergelijke maatregelen leden bij huiszoekingen extra in gevaar zouden brengen.[4]
Steun aan verzetsinitiatieven
Tegelijkertijd verleende Van Tongeren in de eerste maanden van de bezetting, samen met enkele andere bestuurders, beperkte maar concrete steun aan vroege verzetsinitiatieven. Hij stelde materiële middelen en financiële ondersteuning beschikbaar en fungeerde als contactpersoon richting vrijmetselaren die bereid waren hulp te verlenen. Deze activiteiten vonden plaats op persoonlijke titel en zonder dat de vrijmetselarij als organisatie een verzetsstructuur aannam.[4]
Arrestatie en overlijden
Op 11 oktober 1940 werd Van Tongeren gearresteerd door de Duitse bezettingsautoriteiten, onder wie SS-officier Klaus Barbie. Na detentie in Nederland werd hij op 13 maart 1941 gedeporteerd naar het concentratiekamp Sachsenhausen, waar hij op 29 maart 1941 overleed. Zijn dood werd binnen de Nederlandse vrijmetselarij ervaren als een symbolisch en praktisch breekpunt, aangezien hiermee het hoogste bestuur van de Orde definitief werd uitgeschakeld.[4]
Familie
Van Tongeren was de vader van Jacoba van Tongeren, die tijdens de Tweede Wereldoorlog actief was in het Nederlandse verzet en leiding gaf aan de verzetsgroep Groep 2000. In biografische literatuur wordt gewezen op de invloed van haar vader op haar opvoeding en op haar vroege betrokkenheid bij verzetsactiviteiten.[6]
- ↑ Oorlogsgravenstichting, Hermannus van Tongeren (1876–1941). Geraadpleegd op 18 januari 2026.
- ↑ Ministerie van Defensie, Databank Dapperheidsonderscheidingen – H. van Tongeren (28 september 1899). Geraadpleegd op 18 januari 2026.
- ↑ Tongeren, Paul van (2022). Jacoba van Tongeren en de onbekende verzetshelden van Groep 2000 (1940–1945). Uitgeverij Aspekt, Soesterberg. ISBN 9789461534835.
- 1 2 3 4 Kroon, Andréa A. (2020). Vrijheid en Vooroordeel. Vrijmetselarij en de Tweede Wereldoorlog. Vrijmetselarij Museum, Den Haag. ISBN 9789082682632.
- ↑ Stevens, Th. (1994). Vrijmetselarij en samenleving in Nederlands-Indië en Indonesië 1764–1962, 311–326. ISBN 9789074861038.
- ↑ Huygens ING, Tongeren, Jacoba van (1903–1967). Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland. Geraadpleegd op 18 januari 2026.
| Voorganger: Johannes Hendrik Carpentier Alting |
Nederlandse Grootmeester (GON) 1929 – 1941 |
Opvolger: Leonardus Johannes Jacobus Caron |
