Francis M. Walker

Francis Marion Walker
Francis M. Walker in kolonelsuniform
Francis M. Walker in kolonelsuniform
Geboren 12 november 1827
Paris, Kentucky
Overleden 22 juli 1864
Atlanta, Georgia
Rustplaats Forest Hills Cemetery
Chattanooga, Tennessee
Land/zijde Verenigde Staten
Geconfedereerde Staten van Amerika
Onderdeel United States Army
Confederate States Army
Dienstjaren 1847-1848 (USA)
1861-1864 (CSA)
Rang tweede luitenant (USA)

kolonel (CSA)
brigadegeneraal (CSA) (niet bevestigd)

Eenheid 5th Tennessee Infantry (USA)
Bevel 19th Tennessee Infantry Regiment
F.M. Walker's Brigade
Slagen/oorlogen Mexicaans-Amerikaanse Oorlog

Amerikaanse Burgeroorlog

Francis Marion Walker (Paris, 12 november 1827Atlanta, 22 juli 1864) was een Amerikaans advocaat, openbaar aanklager en militair. Tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog diende hij in het Confederate States Army. Hij rees tot de rang van brigadegeneraal maar sneuvelde tijdens de Slag bij Atlanta op 22 juli 1864. Dit was een dag voor hij de officiële documenten van zijn bevordering tot brigadegeneraal zou krijgen.

Vroege jaren

Francis M. Walker werd geboren in Paris, Kentucky op 12 november 1827. Hij werd vernoemd naar Francis Marion, een generaal uit de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog.[1][2][3] Hij was de zoon van John Walker en Tabhitha Taylor.[1] Zijn moeder overleed toen Walker nog een kind was.[1] In 1843 verhuisde het gezin naar Hawkins County in oostelijk Tennessee. Zijn vader hield er een taverne open.[1] Francis Walker had geen formele opleiding gevolgd. Toen hij oud genoeg was, gaf hij les om geld te sparen voor een hogere opleiding.[1]

Tijdens de Mexicaans-Amerikaanse Oorlog werd Walker aangesteld tot twee luitenant in het 5th Tennessee Infantry Regiment die geleid werd door zijn vader.[1][4] Na training en opleiding werd de eenheid naar Mexico gestuurd. Maar het conflict was al ten einde toen ze ter plaatse aankwamen.[1]

In 1850 studeerde Walker met onderscheiding af aan de Transylvania University.[1] Hij opende een advocatenkantoor in Rogersville.[1] Hij verhuisde in 1854 naar Chattanooga waar hij eveneens als advocaat werkzaam was.[1] Tussen 1860 en het begin van de Amerikaanse Burgeroorlog was hij openbaar aanklager voor het Tennessee Fourth District.[1] Walker huwde met Mary Kelso. Het koppel kreeg samen vijf kinderen.[5]

Amerikaanse Burgeroorlog

Voor de oorlog was Walker een sterk voorstander van het behoud van de unie. In oostelijk Tennessee hield hij regelmatig toespraken om zijn overtuiging te onderstrepen. Toen Tennessee echter voor secessie koos, koos Walker voor zijn staat en de nieuwe Geconfedereerde Staten van Amerika.[1] Hij werd verkozen tot kapitein van de "Marsh Blues" uit Hamilton County die later opgenomen werd als Company I in de 19th Tennessee Infantry Regiment.[1][2] Het peloton werd vernoemd naar Ed Marsh die had gezorgd voor de uniformen en rustingsstukken.[6] Op 11 juni 1861 werd Walker bevorderd tot luitenant-kolonel.[1][2]

Walkers regiment nam deel aan de Slag bij Mill Springs in januari 1862 en de Slag bij Shiloh in april. Zowel Walker als zijn regiment werden geprezen voor hun moed.[1] Toen de Noordelijke brigadegeneraal Benjamin Prentiss zich overgaf tijdens de slag bij Shiloh was het Walker die het zwaard in ontvangst nam. De volgende maand, op 8 mei 1862, werd Walker bevorderd tot kolonel van het 19th Tennessee Infantry.[1][2] Daarna voerde hij zijn regiment aan bij Stones River, Chickamauga en tijdens de Chattanoogaveldtocht en de Atlantaveldtocht.[1] Op 27 juni 1864 decimeerden ze een Noordelijke aanval bij Kennesaw Mountain.[1]

Walker werd verschillende keren voorgedragen door zijn brigadecommandant, brigadegeneraal Otto F. Strahl en zijn korspcommandant luitenant-generaal William Hardee, om bevorderd tot worden tot brigadegeneraal.[1] In juni 1864 kreeg Walker de verantwoordelijkheid over een brigade in generaal-majoor Benjamin F. Cheathams divisie toen brigadegeneraal George Maney een divisie kreeg.[1][2]

Op 17 juli 1864 verving president Jefferson Davis generaal Joseph E. Johnston, bevelhebber van het Army of Tennessee, door luitenant-generaal John Bell Hood.[7][8][9] Na de Slag bij Peachtree Creek gaf Hood op 22 juli 1864 het bevel aan luitenant generaal Hardee om rond de Noordelijke linkerflank te manoeuvreren terwijl generaal-majoor Cheatham voor een afleiding zou zorgen voor de Noordelijke linies en generaal-majoor Joseph Wheeler met zijn cavalerie de aanvoerlijnen zou bestoken.[10][11][12] De daaropvolgende Slag bij Atlanta vond plaats ten zuiden en oosten van de stad en bij Decatur waar de Noordelijke aanvoerlijnen passeerden.[10][11] Na een nachtelijke mars om de aanval te openen en een zware dag van strijd slaagden Hardees soldaten erin om de Noordelijke linkerflank terug te dringen en een deel van hun oude borstweringen te heroveren.[13] De Noordelijke generaal-majoor James B. McPherson, die zou sneuvelen tijdens de veldslag, had zo’n manoeuvre voorzien en had Noordelijke versterkingen klaarstaan om een tegenaanval uit te voeren.[10][14]

Tegen 17.00 uur was de Zuidelijke aanval gestopt. Hoewel de Noordelijken over een groot deel van hun linkerflank of zuidelijk deel van hun slaglinie waren terug gedrongen.[15] Toch behield een deel van het XVII Corps onder leiding van generaal-majoor Francis Preston Blair Jr. hun stellingen op Bald Hill.[16] De Zuidelijke generaal-majoor Patrick Cleburne, bevelhebber onder Hardee, verzamelde zijn manschappen om de Noordelijke stellingen op Bald Hill aan te vallen.[17] Blair ondertussen, in de veronderstelling dat er geen Zuidelijke aanval meer zou plaatsvinden, stuurde een bericht naar zijn bevelhebber generaal-majoor William T. Sherman dat hij met een extra brigade een succesvolle tegenaanval kon uitvoeren.[17]

Walkers brigade had die dag opgerukt en gemanoeuvreerd en zich terug getrokken tot ze zich bijna op hun originele uitgangspositie bevonden.[18] Cleburne stelde Walkers brigade op de linkerflank van de beoogde aanval op.[18] De aanval werd ingezet rond 18.00 uur met 3.500 manschappen in de eerste linie en nog eens 2.000 soldaten die de aanval ondersteunden in de tweede linie.[19] Cleburne leidde de aanval met Walkers manschappen voorop.[19] De Noordelijken hadden maar half zoveel soldaten ter beschikking maar lagen wel achter defensieve stellingen.[19] Toen Walkers brigade uit de bossen tevoorschijn kwamen, werden ze beschoten met alles wat de Noordelijken hadden. Ze stonden op het punt van breken tot Cleburne ze aanspoorde om de aanval verder te zetten.[20] Walker liep voorop terwijl hij zijn zwaard boven zijn hield en de aanval werd opnieuw ingezet.[21] Toen ze de heuveltop bereikten werden ze opnieuw onder vuur genomen door de verdedigers.[21] Walker viel dood neer.[1][2][21]

De officiële papieren met de bevestiging van zijn bevordering tot brigadegeneraal kwamen de dag na zijn dood aan.[1][2][21] Na zijn overlijden probeerden zijn manschappen een batterij op een ander punt in de linie aan te vallen maar hierbij leden ze opnieuw zware verliezen.[22] De Zuidelijke aanval werd gestaakt toen de duisternis inviel.[23] Ze hadden 600 slachtoffers te betreuren tegenover 550 Noordelijken.[24] Walker werd begraven op het Citizens Cemetery in Griffin, Georgia.[25] In 1889 werden zijn stoffelijke resten herbegraven in het Forest Hills Cemetery in Chattanooga, Tennessee.[2][25]

Zie ook