Francesca Cuzzoni
| Francesca Cuzzoni | ||||
|---|---|---|---|---|
![]() | ||||
| Ook bekend als | La Parmigiana | |||
| Geboortedatum | 2 april 1696 | |||
| Geboorteplaats | Parma | |||
| Overlijdensdatum | 19 juni 1778 | |||
| Overlijdensplaats | Bologna | |||
| Beroep(en) | zangeres | |||
| Leermeester(s) | Francesco Lanzi | |||
| Zangstem | Sopraan | |||
| Instrument(en) | stem | |||
| ||||
Francesca Cuzzoni (Parma, 2 april 1696 - Bologna, 19 juni 1778)[1] was een Italiaanse operazangeres en een van de beroemdste sopranen van haar tijd. Zij beleefde haar muzikale hoogtepunt in de jaren 20 in Londen, waar ze in een hevige concurrentiestrijd verwikkeld raakte met de zangeres Faustina Bordoni. Op latere leeftijd nam haar populariteit af en geraakte ze in financiële problemen. Uiteindelijk overleed zij in armoede.
Levensloop
Francesca Cuzzoni werd in Parma geboren als de dochter van violist Angelo Cuzzoni en Marina Castelli. De jonge Francesca volgde een muziekopleiding bij Francesco Lanzi.
Haar eerste optreden vond plaats in 1714 in Parma, in de compositie La virtù coronata, o Il Fernando. Cuzzoni trad vervolgens op in Bologna (1716-1717) in opera's van onder andere Gasparini en Orlandini. In de jaren 1717-1718 reisde ze langs theaters in Florence, Siena, Mantua, Genua en Reggio Emilia.
In 1718 volgde haar debuut in Venetië, waar ze de rol van Dalinda zong in de opera Ariodante van Carlo Francesco Pollarolo. Een van haar tegenspeelsters was de sopraan Faustina Bordoni.
Na Venetië volgden optredens in nog diverse andere steden, zoals Milaan en Florence in 1719, Turijn en Bologna in 1720 en Padua in 1721. In 1721-1722 was ze opnieuw in Venetië waar ze optrad in vijf opera's.
Succes in Londen
In 1722 kreeg Cuzzoni een uitnodiging van componist Georg Friedrich Händel om in Londen te komen werken bij zijn Royal Academy. Hij was namelijk op zoek naar een stersoliste die in zijn opera's kon schitteren. Cuzzoni accepteerde de uitnodiging maar kwam vervolgens niet opdagen. Daarom stuurde Händel eind dat jaar zijn klavecinist Pietro Giuseppe Sandoni naar Venetië om haar op te halen en naar Londen te begeleiden. Eenmaal op de terugweg naar Londen werden Cuzzoni en Sandoni verliefd op elkaar en onderweg werd hun huwelijk voltrokken.
Cuzzoni's debuut in Londen vond plaats in het King's Theatre op 12 januari 1723: zij zong als Teofane in Händels opera Ottone. Dit zou het begin worden van haar uitermate succesvolle carrière in Londen. Overigens waren de repetities niet vlekkeloos verlopen: Cuzzoni weigerde aanvankelijk de aria Falsa immagine te zingen, want de compositie was niet speciaal voor haar geschreven. Händel dreigde vervolgens om haar uit het raam te gooien als ze bleef volharden in haar weigering. Hij kreeg zijn zin en Cuzzoni zong alsnog de aria.

Cuzzoni bleef de komende jaren een vast lid van Händels Royal Academy en ontving hiervoor het zeer riante salaris van 2000 pond per seizoen. Händel schreef speciaal voor Cuzzoni meerdere rollen in zijn opera's, zoals Emilia in Flavio (1723), Cleopatra in Giulio Cesare (1724) en Seleuce in Tolomeo (1728). Verder zong ze rollen in opera's van Bononcini en Ariosti.
De krant Daily Journal meldde op 11 januari 1725 dat Cuzzoni ging trouwen met de rijke Italiaan San-Antonio Ferre. Ze bleef in haar dagelijks leven echter de naam Sandoni gebruiken. Het is niet duidelijk of dit huwelijk ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en wat de verdere rol van Sandoni was.[2]
Rivaliteit en een vechtpartij
Cuzzoni had een grote schare bewonderaars. Deze zorgden echter voor problemen met de fans van de castraatzanger Francesco Senesino.
Uitermate problematisch werd de hevige rivaliteit tussen Cuzzoni en Faustina Bordoni. De sopraan Bordoni was in 1726 op verzoek van Händel naar Londen gekomen en zong dat jaar samen met Cuzzoni een rol in zijn opera Alessandro. Het viel bij Cuzzoni bijzonder slecht dat ze voortaan niet meer de enige ster was op het podium. Händel deed zijn best om beide zangeressen tevreden te houden: ze kregen hetzelfde salaris[3] en in zijn opera's bood hij hen allebei evenveel ruimte, zodat geen van beiden het gevoel kon krijgen dat de ander werd voorgetrokken. Het mocht echter niet baten en de rivaliteit tussen beide zangeressen raakte uiteindelijk ook bekend bij het publiek en de pers. De twee zangeressen beschikten elk over een eigen groep fanatieke aanhangers die zich roerden tijdens concerten en zich kleedden als hun idolen.
Tijdens de uitvoering van de Bononcini’s opera Astianatte op 6 juni 1727 liep het compleet uit de hand. Het publiek bestond uit aanhangers van beide zangeressen en dat leidde tot grote problemen in de zaal. Cuzzoni en Bordoni raakten vervolgens op het podium slaags met elkaar. Na afloop van de voorstelling werd Cuzzoni ontslagen, maar dankzij het dreigement van de Engelse koning om de subsidies in te trekken, werd ze toch weer aangenomen.
In 1728 kwam er alsnog een eind aan haar carrière bij de Royal Academy. Ze kreeg namelijk een nieuw salaris aangeboden dat één guinea minder was dan het salaris van Bordoni. Aangezien ze had gezworen nooit minder te verdienen dan haar rivale, ging Cuzzoni niet in op het aanbod. Hiermee kwam er een eind aan haar dienstbetrekking in Londen. Overigens hield ook de Royal Academy op te bestaan.
.jpg)
Wenen en Italië
Cuzzoni vertrok nu op uitnodiging van graaf Kinsky naar Wenen, waar ze de winter van 1728/1729 doorbracht. Omdat ze een irreëel hoog salaris eiste, kreeg ze geen aanstelling bij de Weense opera. In 1729 trad ze op in Modena en Venetië. De kans op een terugkeer in Londen en een gezamenlijk optreden met Bordoni werd door Händel tegengehouden: hij had namelijk schoon genoeg van de twee prima donna's.
Van 1730 tot 1738 trad Cuzzoni op in diverse Italiaanse steden en zong ze onder andere in Ezio van Johann Adolf Hasse en Artemisia van Domenico Sarro. Ook was ze te horen in een opera van haar echtgenoot Sandoni en was ze in 1733 en 1734 samen met hem actief in Genua tijdens het carnavalsseizoen.
Opnieuw in Londen
In april 1734 was Cuzzoni weer terug in Londen, waar ze was gevraagd om te zingen voor de Opera of the Nobility. Hier verscheen ze in meerdere opera's van onder andere Nicola Antonia Porpora (Arianna in Nassoe), Sandoni (Issipile), Hasse (Artaserse) en Händel (Ottone). Haar populariteit was nu echter minder dan tijdens haar eerste verblijf in Londen.
In 1736 keerde ze terug naar het vasteland.
Verschillende werkplekken
In 1737 en 1738 was Cuzzoni actief in Florence met de opera Olimpiade van Leonardo Leo en Ormisda van Antonio Caldara. In Turijn verdiende ze een groot bedrag door op te treden tijdens het carnavalsseizoen. In 1739 werkte ze in Wenen en in september 1740 in Hamburg, waar ze deelnam aan het operagezelschap van Angelo Mingotti.
In september 1741 schreef de London Daily Post dat Cuzzoni ter dood was veroordeeld omdat zij haar echtgenoot zou hebben vergiftigd. Dit was echter niet waar: het echtpaar was gewoon uit elkaar gegaan.
Cuzzoni werkte in 1742 in Amsterdam samen met kapelmeester Giovanni Verocai. Ze zou in deze stad ook Il Palladio conservato van Pietro Metastasio hebben gepubliceerd.
Financiële problemen
Vanaf de jaren 40 ging het bergafwaarts met Cuzzoni's carrière. Haar stem werd kwalitatief minder en ze geraakte in de financiële problemen. Om haar schulden te kunnen aflossen moest ze benefietconcerten geven. In februari 1750 gaf ze nog wel een optreden voor de koningin van Frankrijk.
In 1750 keerde Cuzzoni weer terug naar Londen om daar op 18 mei een benefietconcert voor zichzelf te geven. Ze had echter weinig succes en door haar schulden dreigde ze in de gevangenis te belanden, maar de Prins van Wales wist dit te voorkomen.
Na haar laatste Londense optreden in 1751 vertrok ze naar Holland. Daar kwam ze echter alsnog wegens haar schulden in de gevangenis terecht. Ze kwam pas weer vrij door elke avond gratis op te treden.
Cuzzoni ging nu naar Bologna. Ze zou zich hier in leven houden als knopenmaakster of groenteverkoopster.[4] Uiteindelijk raakte ze in de vergetelheid en overleed ze in 1778 in armoede.
Betekenis
Prima donna
Cuzzoni was een van de eerste grote prima donna's. Het hoogtepunt van haar carrière vond plaats in Londen in de jaren 1723-1728, waarbij Händel een belangrijke rol vervulde: zijn composities voor Cuzzoni sloten namelijk perfect aan bij haar enorme zangkwaliteiten. Zo beschikte ze over een bijzonder grote techniek maar kon ze een compositie ook in alle eenvoud uitvoeren. Haar stem zou engelachtig zijn geweest, met veel expressiviteit en zachtheid en een prachtige cantabile. Ze werd geroemd door critici en kende een grote schare van trouwe volgelingen. Als actrice werd ze overigens minder hoog ingeschat.

Kritiek
Er was ook kritiek, vooral op haar uiterlijk: ze was klein, gedrongen en werd beschouwd als weinig aantrekkelijk. Ze had volgens de critici kraaloogjes, een grote neus en een gezwollen en chagrijnig gezicht. Haar gedrag kwam over als dwaas, koppig en verwaand en ze zou zich slecht hebben gekleed. Toch was ze voor velen een voorbeeld: in de opera Rodelinda verscheen ze in een bruine, zijden jurk, afgezet met zilver, en ondanks de afkeur die deze jurk bij menigeen opriep, werd het kledingstuk vervolgens een rage onder het jonge publiek.
Cuzzoni was ook regelmatig het onderwerp van karikaturale tekeningen. De vechtpartij op het podium in 1727 was tevens de inspiratie voor het satirische toneelstuk The Contretemps; or Rival Queans (1727), waarin beide zangeressen op de hak werden genomen.[5] Ook in de The Beggar’s Opera kwam het incident aan bod, met de personages Polly Peachum en Lucy Lockit die waren gebaseerd op de twee zangeressen.
Maatschappelijke onvrede
In de Engelse samenleving was er destijds sprake van frustraties over de vele buitenlandse musici die naar Londen werden gehaald. Zangeressen als Cuzzoni en Bordoni kregen een salaris dat vele malen hoger was dan de salarissen van Engelse musici. De Londen Journal beklaagde zich er dan ook over dat er zo veel Italiaanse musici in Engeland werkten:[6]
Why Musick should be confined only to that Country is what we cannot percieve; since no person that ever came out of it equal'd the Harmony of our famous Purcell.
In het satirische verhandeling The Devil to pay at St James's werd de vechtpartij tussen Cuzzoni en Bordoni uit 1727 gebruikt als onderdeel van een complottheorie. Volgens de anonieme auteur zouden de katholieke Italiaanse musici door de paus zijn gestuurd om de protestantse Engelse samenleving te ondermijnen.[6]
- voetnoten
- ↑ Ook 1770 wordt als overlijdensjaar vermeld.
- ↑ Zie: Ph.H. Highfill, p. 114
- ↑ Zie: Ph.H. Highfill, p. 115
- ↑ Zie: Ph.H. Highfill, p. 118
- ↑ Zie: Ph.H. Highfill, pp. 115-116
- 1 2 (en) Leon, Mechele (8 augustus 2019). A Cultural History of Theatre in the Age of Enlightenment. Bloomsbury Publishing, pp. 107-108. ISBN 978-1-350-13544-4.
- bronnen
- (en) "Francesca Cuzzoni | Baroque singer, Castrato, Handel’s operas | Britannica", Encyclopedia Britannica. Gearchiveerd op 8 oktober 2025. Geraadpleegd op 11 januari 2026.
- (en) Winton Dean; Carlo Vitali, Cuzzoni, Francesca. Grove Music Online (2001/2009).
- Händel en sterke vrouwen | Nationale Opera & Ballet. www.operaballet.nl. Geraadpleegd op 12 januari 2026.
- (en) Predota, Georg, “The Queen amongst the Queens”Faustina Bordoni, Francesca Cuzzoni and George Friedrich Handel (13 november 2011). Geraadpleegd op 12 januari 2026.
- (en) Handel And The Battle Of The Divas. Classic FM. Geraadpleegd op 12 januari 2026.
- (en) Boyden, Matthew (2002). The Rough Guide to Opera. Rough Guides, p. 61. ISBN 978-1-85828-749-2.
- (en) Highfill, Philip H. (1975). A Biographical Dictionary of Actors, Volume 4, Corye to Dynion: Actresses, Musicians, Dancers, Managers, and Other Stage Personnel in London, 1660-1800. SIU Press, pp. 112-118. ISBN 978-0-8093-0693-0.
_-_soprano.jpg)