Tobias Boas

Tobias Boas
Tobias Boas
Algemene informatie
Geboortedatum 3 november 1696
Geboorteplaats Den Haag
Overlijdensdatum 27 november 1782
Overlijdensplaats Den Haag
Begraafplaats Joodse begraafplaats van Den HaagBewerken op Wikidata
Werk
Beroep Bankier
Religie
Religie jodendomBewerken op Wikidata
handtekening
De informatie in deze infobox is afkomstig van Wikidata.
U kunt die informatie bewerken.
Portaal  Portaalicoon   Jodendom

Tobias Boas (Den Haag, 3 november 1696 − aldaar, 27 november 1782) was een invloedrijke Nederlandse bankier, koopman en leider binnen de Joodse gemeenschap in de 18e eeuw. Hij verwierf internationale bekendheid als financier van vorstenhuizen en het stadhouderlijk hof in de Republiek der Verenigde Nederlanden en speelde een prominente rol in het economische en sociale leven van Den Haag. Tijdens economische crises rond 1750 ondersteunde hij de Republiek met aanzienlijke financiële middelen.

Leven

Boas werd in 1696 geboren in Den Haag als zoon van de Asjkenazisch-joodse Abraham (ook bekend als Chaim, Chajim of Hijman) Boas (1661–18 december 1746) en Mirjam (of Marya) Magnus, dochter van de joodse slager Tobias Magnus. Abraham Boas was geboren in de Poolse stad Śrem en vestigde zich in Den Haag, waar hij in 1690 het Haagse burgerschap verwierf.[1] In 1696 kocht hij het grote woonhuis ‘Salomo’s Tempel’ in de St. Jacobsstraat. Na een vergeefse poging om in 1703 toe te treden tot het wijnkopersgilde vestigde hij zich als handelaar in juwelen, goud en textiel en breidde zijn activiteiten later uit met de handel in wisselbrieven en andere bankierszaken.[2]

In 1716 ging Abraham Boas samen met zijn zoon Tobias samenwerken met de juwelier en wisselhouder Hendrik van de Casteele; hieruit ontstond het bankiershuis Boas. Tobias breidde de handelsactiviteiten van zijn vader verder uit en wist met het bankiershuis internationale faam te verwerven. In 1727 nam hij het aandeel van zijn vader over voor de toendertijd aanzienlijke som van 80.200 gulden,[2] terwijl hij daarnaast actief bleef in de juwelenhandel. Hij gold als dé juwelen- en zilverspecialist van Den Haag.[1] Zowel Abraham als Tobias Boas behoorden reeds vroeg tot de rijkste inwoners van de stad.[2]

Boas trouwde driemaal: eerst met Duyfje Levi (1712) die in 1721 overleed, vervolgens met Sara Symons uit Amsterdam (1722) en ten slotte met Scheba Mozes Goldsmit (1757). Uit zijn eerste twee huwelijken werden zestien kinderen geboren, van wie er elf volwassen werden. Zijn kinderen huwden met vooraanstaande leden van de Joods-Europese elite, waaronder de families Gomperts (of Gompertz),[3] eveneens actief in het bankiersvak, en Duits-joodse bankiersfamilies zoals Wertheimer, Oppenheimer (de) en Kann uit Frankfurt am Main.[1][2][4][3] De familie Kann vestigde zich rond 1760 eveneens in Den Haag. Dankzij deze huwelijksbanden werd omstreeks 1780 het bankhuis Kann opgericht, later bekend als Lissa & Kann, dat in de 19e eeuw een belangrijke rol speelde in de Nederlandse economie.[5]

Carrière en invloed

Als bankier had Boas een sleutelpositie binnen zowel de Republiek als daarbuiten. Hij financierde grote leningen aan onder meer het stadhouderlijk hof van de Oranjes, waar hij bekend stond als "een der besten onder de Jooden die hier sijn".[4] Zowel stadhouders Prins Willem IV en Prins Willem V maakten gebruik van de diensten van het bankhuis van Boas, ondanks dat Jacob Carel Reigersman, de thesaurier-generaal van Prins Willem V, slechts zeer ongaarne met Boas zaken deed, omdat hij een jood was.[2] De prins trok zich echter weinig aan van deze onverholen anti-semitische uiting.[2] Boas kan beschouwd worden als een hofjood of shtadlan (en), een invloedrijke joodse notabele bij vorstelijke hoven die vaak optrad als bemiddelaar namens de lokale joodse gemeenschap bij de autoriteiten van een niet-joodse samenleving.[6][7][8]

Door zijn contacten bij de Staten-Generaal zette Boas zich ook in voor bedreigde Joodse gemeenschappen buiten Nederland. Toen in 1744 keizerin Maria Theresa van Oostenrijk de verdrijving van Joden uit Praag beval, intervenieerde Boas samen met de bankier Baruch Levi Gomperts uit Nijmegen,[9] op aandringen van Wolf Wertheimer (de), een van de leidende figuren in de campagne onder Europese joodse notabelen om de gedwongen verdrijving te voorkomen, bij de Staten-Generaal en de Engelse koning.[2][4][10][11] (In eerste instantie was de campagne weinig succesvol, maar uiteindelijk kon de verdreven joodse gemeenschap in 1748 weer terugkeren naar Praag dankzij diplomatieke druk).

Beiden vervulden tussen 1744 en 1746 een sleutelrol in het contact tussen de joodse gemeenschappen binnen de Republiek en in de communicatie tussen deze gemeenschappen en de autoriteiten over alle aangelegenheden rond hulpverlening aan de Praagse joden. Zo overlegden zij met de joodse besturen over de inrichting van de hulp, werkten zij mee aan petities aan de autoriteiten en onderhielden zij persoonlijk contact met deze autoriteiten over de situatie in Praag. Bovendien onderhielden zij correspondentie met andere Europese joodse notabelen over de voortgang van de initiatieven in en buiten de Republiek.[6][12]

Boas hielp de Republiek met aanzienlijke middelen tijdens economische crises rond 1750, toen Boas d.m.v een onderhandse lening een miljoen gulden ter beschikking stelde.[8][13] De invloed van de bankiers was zodanig dat op hun advies een lening door de Staten-Generaal werd aangepast met een hogere rente zodat Boas 4 miljoen van de beoogde 8 miljoen voor zijn rekening nam i.p.v. slechts 90.000 gulden.[2][14] Onder zij cliënten zaten vorsten zoals het Deense koningshuis, de koning Gustaaf III van Zweden, de koning van Polen, Stanislaus August Poniatowski, en Keizer Jozef II van Oostenrijk (de opvolger van keizerin Maria Theresa).[2] Ook de Venetiaanse avonturier Giacomo Casanova verbleef in zijn huis tijdens een bezoek aan Den Haag.[2][8][15]

Betrokkenheid bij de Joodse gemeenschap

Boas was streng orthodox, steunde joodse geleerden en financierde de publicatie van hun werken. Het woonhuis ‘Salomo’s Tempel’ fungeerde niet alleen als zijn woning, maar ook als centrum van religieus en intellectueel joods leven in Den Haag. Voor de ingebruikname van de officiële synagoge aan de Brouwersloot achter de Voldersgracht in 1723 werden daar religieuze diensten gehouden.[2] De familie was invloedrijk in de Haagse joodse gemeenschap. Zowel vader Chaim/Abraham Boas, Tobias Boas als diens zoon Abraham vervulden functies als parnas of ne’eman (toezichthouder) binnen de gemeenschap en hun bankhuis overzag de financiële zaken.[16] Tobias Boas speelde ook een belangrijke rol bij de bezoldiging van rabbijn Saul Halevi en had een grote bibliotheek met zeldzame filosofische, religieuze en Hebreeuwse werken.[1]

Beroemde tijdgenoten zoals de reizende rabbijn Chaïm Joseph David Azulai (en), een afgezant van de Joodse gemeenschap in Hebron, verbleef in 1778 enige dagen in het huis van Boas, tijdens zijn bezoek bij de Asjkenazische en Sefardische joodse gemeenschappen in Den Haag.[17] Aan Ezekiel Rahabi, vertegenwoordiger van de VOC in India en een vooraanstaand lid van de Joodse gemeenschap in Cochin (het huidige Kochi), richtte hij in een brief elf vragen over het Joodse leven aldaar. In 1768 stuurde Rahabi hem als antwoord een Hebreeuws manuscript toe, dat tot op de dag van vandaag geldt als een belangrijke bron voor de geschiedenis van de Joden in Cochin (en).[1][8]

Simeon Boas

Laatste jaren en nalatenschap

Boas overleed in 1782 op 87-jarige leeftijd en werd begraven op de Joodse begraafplaats aan de Scheveningseweg in Den Haag. Hij liet een vermogen na van circa 1.700.000 gulden, een uitzonderlijk bedrag voor die tijd.[2]

Na zijn dood zetten zijn zonen uit het tweede huwelijk, Abraham Boas (13 oktober 1728 – 8 augustus 1798) en Simeon Boas (28 januari 1730 – 26 februari 1795), het bankiershuis voort, maar door economische tegenslagen als gevolg van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog en de Engelse oorlogen, en de gevolgen van de Franse revolutie waardoor de Duitse vorsten ophielden met de renten en aflossingen te betalen liepen de zaken vast en moesten Abraham en Simeon Boas surcéance van betaling aanvragen.[18] Het aan de Haagse Boassen gelieerde Amsterdamsche bankhuis Marcus Boas, Elias de Lima en Comp. had zijn betalingen gestaakt en de Haagsche Boassen hadden voor een groot bedrag wissels van hen in hun bezit. In 1795 ging het bankhuis uiteindelijk failliet.[2]

Het met de crediteuren gesloten akkoord hield in dat beide firmanten vrijwel al hun bezittingen moesten afstaan. Uitzonderingen hierop waren onder meer het huis Salomons Tempel, waarin Abraham destijds woonde, het door Simeon bewoonde huis aan de Amsterdamse Veerkade, hun kleding, meubilair en huisraad, en het aandeel van de broers in de Hebreeuwse boeken.[2][8]

Zie de categorie Tobias Boas van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.