Dirk Berend Nanninga

Dirk Berend Nanninga
D.B. Nanninga in 1931
D.B. Nanninga in 1931
Persoonsgegevens
Geboren Arnhem, 15 september 1868
Overleden Amsterdam, 17 juli 1954
Geboorteland Nederland
Opleiding en beroep
Beroep etser, schilder, tekenaar
RKD-profiel
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur
Binnenhof, oud Amsterdam (1921)

Dirk Berend Nanninga (Arnhem, 15 september 1868Amsterdam, 17 juli 1954) was een Nederlands etser, schilder en tekenaar.[1] Hij wordt in de regel vermeld als D.B. Nanninga.

Leven en werk

Dirk Nanninga werd geboren in Arnhem als een zoon van kapper Berend Harm Nanninga en modemaakster Femmina Catharina Hajunga, beiden uit Amsterdam. Nadat zijn vader in 1873 overleed, verhuisde Dirk met zijn moeder naar de hoofdstad. Hij volgde aanvankelijk een opleiding voor de handel en werkte vijf jaar in het verzekeringswezen voor hij voor de kunst koos. In de periode 1891-1894 maakte hij studiereizen naar Londen en Beieren, maar had er geen vaste leermeester. In Nederland kreeg hij technische aanwijzingen van J.J. Isaäcson. Als schilder was hij grotendeels autodidact. Al in 1896 mocht hij op uitnodiging van de gerenommeerde James Whistler samen met Johan Thorn Prikker Nederland vertegenwoordigen op een internationale tentoonstelling in Londen.[2] Nanninga trouwde in 1906 met Sjoukje Bakker (1879-1963). Uit hun huwelijk werd dochter Mien Nanninga (1911) geboren, die net als haar vader ging schilderen.

Nanninga schilderde, tekende en etste bloemen, interieurs, landschappen, stadsgezichten en stillevens.[1] Aanvankelijk in een aan de Haagse School verwante stijl, vanaf ca. 1910 toonde hij een meer nauwkeurige weergave van de werkelijkheid. Isaäcson schreef in 1906 de brochure Een nieuw standpunt in kunst, waarin hij Vincent van Gogh tegenover Nanninga zet. Nanninga stond volgends hem het dichtst bij de lyrische richting van Matthijs Maris.[3] Kasper Niehaus rekende Nanninga tot de vroege realisten, de voorlopers van de Nieuwe Realisten.[2] Ter gelegenheid van zijn 60e verjaardag in 1928 werd op een tentoonstelling van "De Brug" in het Stedelijk Museum Amsterdam een erezaal voor Nanninga ingericht. Hij kreeg als huldeblijk een album aangeboden met 15 reproducties van zijn werk, een voorwoord van Kasper Niehaus en een biografie door Otto Hanrath. Een van zijn werken werd bovendien aangekocht door de stad Amsterdam voor het Stedelijk Museum.[3][4] In 1932 werd een serie etsen van Nanninga aangekocht door het Rijksprentenkabinet. In 1941 ontving hij de verguld zilveren Art-medaille voor zijn schilderij Oud Amsterdam.[5] Nanninga gaf ook les, tot zijn leerlingen behoorden zijn dochter Mien, Louis Cardinaals, Anna van Harinxma Thoe Slooten, Marie Kelting, Abraham Arnoldus Pakkoo en Louis Rempt.

D.B. Nanninga overleed op 85-jarige leeftijd,[6] kort na zijn laatste expositie in het Stedelijk Museum Amsterdam. Hij werd begraven op Zorgvlied.[7]

Tentoonstellingen

Nanninga was lid en bestuurslid van De Onafhankelijken, waar hij tussen 1919 en 1929 exposeerde, en lid van Arti et Amicitiae. Hij was in 1922 met Jan de Boer, Cees Bolding, Otto Hanrath, Roeland Koning, Ton C. Meyer, Max Nauta, Wout Schram, Paul van der Ven en Wilm Wouters een van de oprichters van de Maatschappij Rembrandt : Maatschappij voor kunst en kunstverlangenden. Hij werd 2e secretaris van de club.[8] Eind 1925 stapte hij met een aantal anderen op, wegens ontevredenheid over het veranderd artistiek begrip van de vereniging.[9] In februari 1926 was hij medeoprichter en vicevoorzitter van de Vereeniging van Nederlandsche Beeldende Kunstenaren "De Brug", die het contact tussen kunstenaar en publiek tot stand wilde brengen.[10]

Nanninga had solotentoonstellingen bij onder andere Goudeket in Amsterdam (1895),[11] Arts and Crafts in Den Haag (1898), kunsthandel Reddingius in Hilversum (1907), Voor de Kunst in Utrecht (1914)[12], Gerbrand's Kunsthandel in Utrecht (1932) en het Stedelijk Museum (1954). Hij exposeerde in klein verband onder anderen samen met J.J. Isaäcson en Henri van Daalhoff bij Arts and Crafts (1899), met J.J. Isaäcson en F.W. Weigel 'oud-Testamentische en sensitieve kunst' in het Stedelijk Museum Amsterdam (1905), met Piet Bohncke en Marie Kelting bij Unger & Van Mens in Rotterdam (1916)[13], bij Biesing in Den Haag (1918) en in de kunstzaal van de bibliotheek in Laren (1939),[14] en met Otto Hanrath en Hubert van Lith bij Pictura in Groningen (1937). Daarnaast nam hij onder meer deel aan groepsexposities van de verenigingen waarvan hij lid was en aan Onze kunst van heden (1939-1940) en Kunst in Vrijheid in het Rijksmuseum Amsterdam (1945).