Bronchiolaire cel

Bronchiolaire cellen, vroeger claracellen genoemd, zijn exocriene,lage cilindrisch/kubisch cellen met korte microvilli, die zich in de kleine luchtwegen (bronchioli) van de longen bevinden.[1] De celkern is basaal, ovaal en beslaat ongeveer een derde van het celvolume.[2] De basale pool staat in contact met het basaal membraan.[3][1] De mitochondriën zijn kort en talrijk, gelegen in het supranucleaire compartiment.
Bronchiolaire cellen vormen 20% van het epitheel van de terminale bronchioli[4][5] bij mensen, terwijl ze 57% van het bronchiale epitheel van muizen bezetten.[6] Deze wijdverspreide verspreiding komt overeen met het aantal functies dat ze vervullen. Ze ontstaan uit longbasale cellen. Bronchiolaire cellen, zoals alle bronchiale epitheelcellen behalve longneuro-endocriene cellen, zijn afkomstig uit het endoderm en vervolgens uit het ventrale deel van de voordarm. De functionele differentiatie en rijping van bronchiolaire cellen wordt gemoduleerd door Wnt- en Notch-signaleringspaden en remming van JAG1 en JAG2 veroorzaakt een vrijwel volledig verlies van bronchiolaire cellen ten gunste van trilhaarcellen bij muizen.[7]
Bronchiolaire cellen bevinden zich in het trilhaarepitheel. Deze cellen kunnen glycosaminoglycanen afscheiden om de bekleding van de bronchioli te beschermen. Het aantal bronchiolaire cellen neemt geleidelijk toe naarmate het aantal slijmbekercellen afneemt.
Een van de belangrijkste functies van bronchiolaire cellen is het beschermen van het bronchiolaire epitheel. Ze doen dit door een kleine verscheidenheid aan producten af te scheiden, waaronder het secretoire eiwit uteroglobine en een oplossing die qua samenstelling vergelijkbaar is met een longoppervlakte-actieve stof (surfactant), bestaande uit SP-A (surfactant protein-A), SP-B en SP-D.[8] Deze stof is een film van vette substanties, een groep fosfolipiden die de oppervlaktespanning van de longblaasjes verlagen. De fosfolipiden worden opgeslagen in de lamellaire lichamen. Zonder deze coating zouden de longblaasjes instorten. De oppervlakte-actieve stof wordt continu vrijgegeven door exocytose. Ze zijn ook verantwoordelijk voor het ontgiften van schadelijke stoffen die in de longen worden ingeademd. Bronchiolaire cellen doen dit met behulp van cytochroom P450-enzymen die zich in hun glad endoplasmatisch reticulum bevinden. Bronchiolaire cellen fungeren ook als facultatieve voorlopercellen, waarbij ze zich vermenigvuldigen en differentiëren tot type II-pneumocyten,[9] slijmbekercellen of zelfs tot longbasale cellen en deuterosomale cellen[10][11] om bij beschadiging het bronchiolaire epitheel te regenereren.
"Bronchiolaire cellen" die zich in de buurt van de longneuro-endocriene cellen en bij de kruising met de ductus bronchioalveolaris bevinden, staan bekend als Clara-variantcellen en zijn voldoende om het bronchiolaire epitheel te herstellen.[12]
![]() |
![]() |
![]() |
Functie
De bronchioli vormen de overgang van het geleidende deel naar het luchtweg deel van het ademhalingsstelsel. De smalle kanalen hebben meestal een diameter van minder dan 2 mm en worden bekleed met een eenvoudig kubisch epitheel, bestaande uit type II-pneumocyten en type I-pneumocyten, die uniek zijn voor bronchioli. Naast hun structurele diversiteit zijn bronchiolaire cellen ook functioneel variabel. Een belangrijke functie die ze vervullen, is de synthese en secretie van het materiaal dat het bronchiolaire lumen bekleedt. Dit materiaal omvat glycosaminoglycanen, eiwitten zoals lysozymen en conjugatie van het secretoire deel van IgA-antilichamen. Deze spelen een belangrijke verdedigende rol en dragen ook bij aan de afbraak van het slijm dat door de bovenste luchtwegen wordt geproduceerd. De heterogene aard van de dichte korrels in het cytoplasma van de bronchiolaire cel suggereert dat ze mogelijk niet allemaal een secretoire functie hebben. Sommige bevatten mogelijk lysosomale enzymen, die een spijsverteringsfunctie vervullen, hetzij ter verdediging: bronchiolaire cellen nemen gifstoffen uit de lucht op en breken deze af via hun cytochroom P-450-enzymen (met name CYP4B1, dat alleen aanwezig is in de bronchiolaire cellen) in hun glad endoplasmatisch reticulum; hetzij bij de recycling van secretieproducten. Bronchiolaire cellen zijn mitotisch actief. Ze delen en differentiëren om zowel type II-pneumocyten en type I-pneumocyten te vormen.
Geschiedenis van de naam
Bronchiolaire cellen werden vroeger "Clara-cellen" genoemd vanwege hun ontdekking door Max Clara (1899-1966) in 1937. Clara was een actief lid van de nazipartij en gebruikte de lichamen van gevangenen die door het Derde Rijk waren geëxecuteerd voor zijn experimenten – waaronder de ontdekking van de bronchiolaire cellen.[13] Verschillende prestigieuze wetenschappelijke tijdschriften concludeerden in redactionele artikelen (waaronder het tijdschrift van de "American Thoracic Society", "European Respiratory Society" en "American College of Chest Physicians") dat het blijven noemen van deze cellen met Clara's naam gelijk zou staan aan een eerbetoon aan hem.[14][15][16] Ze stelden daarom voor de naam te wijzigen in clubcellen[17] of domecellen.[16] Hetzelfde geldt voor het "clara-cel-secretorische proteïne (CSSP)", dat nu "club-cel-secretorische proteïne (CSSP)" heet.[17]
Klinische betekenis
Bronchiolaire cellen bevatten tryptase, waarvan wordt aangenomen dat het verantwoordelijk is voor het afbreken van het hemagglutinine-oppervlakte-eiwit van het influenzavirus A, waardoor het wordt geactiveerd en griepsymptomen ontstaan.[18] Wanneer het l7Rn6-eiwit bij muizen wordt verstoord, vertonen deze muizen bij de geboorte ernstig emfyseem als gevolg van desorganisatie van het golgicomplrx en de vorming van afwijkende blaasjesstructuren in de bronchiolaire cellen.[19] Kwaadaardige bronchiolaire cellen worden ook gezien bij bronchioalveolair longcarcinoom. Eiwitten uit de bronchiolaire cellen in het serum worden gebruikt als biomarker voor de permeabiliteit van de longen. Blootstelling aan luchtverontreiniging door deeltjes kan de integriteit van het longepitheel aantasten en leiden tot een snelle toename van de permeabiliteit van de epitheliale barrière, zoals blijkt uit verhoogde concentraties bronchiolaire cellen in het serum.[20]
- Dit artikel of een eerdere versie ervan is een (gedeeltelijke) vertaling van het artikel Club cell op de Engelstalige Wikipedia, dat onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen valt. Zie de bewerkingsgeschiedenis aldaar.
- Dit artikel of een eerdere versie ervan is een (gedeeltelijke) vertaling van het artikel Cellule Club op de Franstalige Wikipedia, dat onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen valt. Zie de bewerkingsgeschiedenis aldaar.
- Dit artikel of een eerdere versie ervan is een (gedeeltelijke) vertaling van het artikel Célula club op de Spaanstalige Wikipedia, dat onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen valt. Zie de bewerkingsgeschiedenis aldaar.
- 1 2 Atkinson JJ, Adair-Kirk TL, Kelley DG, Demello D, Senior RM (2008). Clara cell adhesion and migration to extracellular matrix. Respir. Res. 9 (1). PMID 18179694. PMC 2249579. DOI: 10.1186/1465-9921-9-1.
- ↑ Donado-Moré A.F.; Camargo-Mendoza J.P.; Franco-Maíz P.G.; Malaver-Caicedo L.F. (2013). «La célula de Clara: La biología celular y molecular con implicaciones fisiopatológicas. Una revisión de la literatura». Neumol Cir Torax (RevisiónPDF) (medigraphic.org.mx) 72 (4): 306-322.
- ↑ Peter J. Papadakos; Burkhard Lachmann. Mechanical Ventilation:Clinical Applications and Pathophysiology.
- ↑ de Fays, François M. Carlier, Sophie Gohy et Charles Pilette, « Secretory Immunoglobulin A Immunity in Chronic Obstructive Respiratory Diseases », Cells, vol. 11, no 8, 13 avril 2022, p. 1324 (ISSN 2073-4409, PMID 35456002, PMCID PMC9027823, DOI 10.3390/cells11081324, lire en ligne [archive], consulté le 28 juillet 2022)
- ↑ James E. Boers, Anton W. Ambergen et Frederik B. J. M. Thunnissen, « Number and Proliferation of Clara Cells in Normal Human Airway Epithelium », American Journal of Respiratory and Critical Care Medicine, vol. 159, no 5, 1er mai 1999, p. 1585–1591 (ISSN 1073-449X et 1535-4970, DOI 10.1164/ajrccm.159.5.9806044, lire en ligne [archive], consulté le 28 juillet 2022)
- ↑ Méndez A.; Rojas D.A.; Ponce C.A.; Bustamante R.; Beltrán C.J.; Toledo J.; García-Angulo V.A.; Henriquez M. (2019). «Primary infection by Pneumocystis induces Notch-independent Clara cell mucin production in rat distal airways». PLoS ONE 14 (6): e0217684. doi:10.1371/journal.pone.0217684. Consultado el 22 de enero de 2021.
- ↑ Daniel Lafkas, Amy Shelton, Cecilia Chiu et Gladys de Leon Boenig, « Therapeutic antibodies reveal Notch control of transdifferentiation in the adult lung », Nature, vol. 528, no 7580, décembre 2015, p. 127–131 (ISSN 0028-0836 et 1476-4687, DOI:10.1038/nature15715, lire en ligne [archive], consulté le 28 juillet 2022)
- ↑ Christelle Coraux, Rodolphe Hajj, Pierre Lesimple et Edith Puchelle, « Réparation et régénération de l’épithélium respiratoire », médecine/sciences, vol. 21, no 12, décembre 2005, p. 1063–1069 (ISSN 0767-0974 et 1958-5381, DOI:10.1051/medsci/200521121063, lire en ligne [archive], consulté le 28 juillet 2022)
- ↑ Clara cell. medical-dictionary.thefreedictionary.com.
- ↑ Jack R. Harkema, Kristen J. Nikula et Wanda M. Haschek, « Respiratory System », dans Fundamentals of Toxicologic Pathology, Elsevier, 2018 (ISBN 978-0-12-809841-7, DOI:10.1016/b978-0-12-809841-7.00014-9, lire en ligne [archive]), p. 351–393
- ↑ Wu-Lin Zuo, Sushila A. Shenoy, Sheng Li et Sarah L. O’Beirne, « Ontogeny and Biology of Human Small Airway Epithelial Club Cells », American Journal of Respiratory and Critical Care Medicine, vol. 198, no 11, 1er décembre 2018, p. 1375–1388 (ISSN 1073-449X et 1535-4970, PMID 29874100, PMCID PMC6290945, DOI:10.1164/rccm.201710-2107OC, lire en ligne [archive], consulté le 28 juillet 2022)
- ↑ López I.P.; Piñeiro-Hermida S.; Pais R.S.; Torrens R.; Hoeflich A.; Pichel J.G. (2016). «Involvement of Igf1r in Bronchiolar Epithelial Regeneration: Role during Repair Kinetics after Selective Club Cell Ablation». PLoS ONE 11 (11): e0166388. DOI:10.1371/journal.pone.0166388. Consultado el 6 de enero de 2021.
- ↑ Winkelmann et T. Noack, « The Clara cell: a "Third Reich eponym"? », European Respiratory Journal, vol. 36, no 4, 1er octobre 2010, p. 722–727 (ISSN 0903-1936 et 1399-3003, DOI:10.1183/09031936.00146609, lire en ligne [archive], consulté le 28 juillet 2022)
- ↑ A. Woywodt, S. Lefrak et E. Matteson,« Tainted eponyms in medicine: the "Clara" cell joins the list », European Respiratory Journal, vol. 36, no 4, 1er octobre 2010, p. 706–708 (ISSN 0903-1936 et 1399-3003, DOI:10.1183/09031936.00046110, lire en ligne [archive], consulté le 28 juillet 2022)
- ↑ S. Irwin, Nicki Augustyn, Cynthia T. French et Jean Rice, « Spread the Word About the Journal in 2013 », Chest, vol. 143, no 1, janvier 2013, p. 1–4 (DOI:10.1378/chest.12-2762, lire en ligne [archive], consulté le 28 juillet 2022)
- 1 2 Thomas Tschernig, Michael Kasper et Reinhard Pabst, « Open discussion about a problematical eponym », Thorax, vol. 68, no 5, mai 2013, p. 489.2–490 (ISSN 0040-6376 et 1468-3296, DOI:10.1136/thoraxjnl-2012-203145, lire en ligne [archive], consulté le 28 juillet 2022)
- 1 2 S. Irwin, Nicki Augustyn, Cynthia T. French et Jean Rice, « Spread the Word About the Journal in 2013 », Chest, vol. 143, no 1, janvier 2013, p. 1–4 (DOI 10.1378/chest.12-2762, lire en ligne [archive, consulté le 28 juillet 2022)]
- ↑ Taubenberger JK (August 1998). Influenza virus hemagglutinin cleavage into HA1, HA2: No laughing matter. Proc. Natl. Acad. Sci. U.S.A. 95 (17): 9713–5. PMID 9707539. PMC 33880. DOI: 10.1073/pnas.95.17.9713.
- ↑ Fernández-Valdivia R, Zhang Y, Pai S, Metzker ML, Schumacher A (January 2006). l7Rn6 Encodes a Novel Protein Required for Clara Cell Function in Mouse Lung Development. Genetics 172 (1): 389–99. PMID 16157679. PMC 1456166. DOI: 10.1534/genetics.105.048736.
- ↑ Provost EB, Chaumont A, Kicinski M, Cox B, Fierens F, Bernard A, Nawrot TS. “Serum levels of club cell secretory protein (Clara) and short- and long-term exposure to particulate air pollution in adolescents” Environ Int. 2014 Apr 4;68C:66-70. DOI:10.1016/j.envint.2014.03.011.


