Bosgeelster
| Bosgeelster | ||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
![]() | ||||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||||
| ||||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||||
| Gagea lutea (L.) Ker Gawl. (1809) Basioniem Ornithogalum luteum L. (1753) | ||||||||||||||||
![]() | ||||||||||||||||
| De bloem, met de aan de top enigszins kapvormig toegevouwen bloemdekbladen | ||||||||||||||||
| Afbeeldingen op | ||||||||||||||||
| Bosgeelster op | ||||||||||||||||
| ||||||||||||||||
Bosgeelster (Gagea lutea) is een plantensoort uit de leliefamilie (Liliaceae).
Naamgeving
De soort werd in 1753 onder de naam Ornithogalum luteum door Carl Linnaeus opgenomen in de eerste editie van Species plantarum.[1] Linnaeus verwees voor een uitgebreide synonymie van de soort naar "Ornithogalum luteum" in de Pinax van Caspar Bauhin,[2] en verder naar zijn eigen eerdere behandeling van de soort in Hortus Cliffortianus (een bondige beschrijving in één zin, en verder verwijzingen naar publicaties door andere auteurs).[3][noot 1] Tot slot gaf Linnaeus een verwijzing naar een afbeelding door Paul Reneaulme.[4] Nadat het geslacht Gagea in 1806 was voorgesteld door Richard Anthony Salisbury, werd de soort daar in 1809 door John Bellenden Ker Gawler als Gagea lutea in geplaatst.[5]
Kenmerken
Bosgeelster is een vaste, kruidachtige plant die een hoogte kan bereiken van 10–30 cm. Ze vormt één ronde, toegespitste bol. Het geelgroene, grondstandige blad is 5–10 mm breed. Soms zit er een broedbolletje in de oksel van het blad. De plant bloeit van maart tot mei met gele, 1,5–2,5 cm grote bloemen. De twee schutbladen van de bloeiwijze zijn lancetvormig. De bloeiwijze is een scherm met twee tot zeven bloemen. De kroonbladen zijn langwerpig met een stompe punt. Na de bloei rollen ze terug en verkleuren dofgroen. De vrucht is een doosvrucht. Het zaad heeft een mierenbroodje en wordt daarom door mieren verspreid.
De soort is hexaploïd: het chromosoomaantal is 2n = 6×12 = 72.
Ecologie
Bosgeelster komt voor op vochtige, eutrofe grond in loofbossen en in grasland.
Syntaxonomie
In de syntaxonomie staat bosgeelster te boek als kensoort voor het verbond van els en gewone vogelkers (Alno-padion).
Verspreiding
Het natuurlijke verspreidingsgebied van bosgeelster strekt zich uit over Europa en Oost-Azië. In België en Nederland is ze zeldzaam tot zeer zeldzaam.[6]
Externe links
- Verspreiding in Nederland volgens NDFF Verspreidingsatlas
- Kaarten met waarnemingen:
- Noten
- ↑ De verwijzing naar Florae leydensis prodromus ("lugdb.") van Adriaan van Royen levert geen extra informatie op, want die verwijst op zijn beurt slechts naar Bauhin en naar Hortus Cliffortianus, zie: Van Royen, A. (1740). Florae leydensis prodromus: 31–32. Gearchiveerd op 7 juni 2023.
- Literatuurverwijzingen
- ↑ Linnaeus, C. (1753). Species plantarum: 306. Gearchiveerd op 7 juni 2023.
- ↑ Bauhin, C. (1623). Pinax theatri botanici: 71. Gearchiveerd op 7 juni 2023.
- ↑ Linnaeus, C. (1738). Hortus Cliffortianus: 124
- ↑ Reneaulme, P. (1611). Specimen historiae plantarum: 90; de rechter afbeelding met de naam Πυρροχιτων (Pyrrochiton) laat een geelster zien die twee grondstandige bladen heeft, in plaats van één, zoals bij de bosgeelster, en voorts een dubbele bol, maar Linnaeus maakte het onderscheid met de akkergeelster nog niet.
- ↑ Bellenden Ker Gawler, J. (1809). Curtis's Botanical Magazine 30: 1200
- ↑ Bosgeelster op Wildeplanten.nl. Gearchiveerd op 15 mei 2021.

.jpg)