Andreas Ignatius Schaepman

Andreas Ignatius Schaepman
Andreas Ignatius Schaepman
Metropoliet van de Rooms-Katholieke Kerk
Wapen metropoliet
Geboren 4 september 1815
Plaats Zwolle
Overleden 19 september 1882
Plaats Utrecht
Wijdingen
Bisschop 26 augustus 1860
Kerkelijke carrière
Eerdere functies 1860-1868: hulpbisschop van Utrecht
1868-1882: aartsbisschop van Utrecht
Successie
Voorganger Joannes Zwijsen
Opvolger Petrus Matthias Snickers
Portaal  Portaalicoon   Christendom

Andreas Ignatius Schaepman (Zwolle, 4 september 1815Utrecht, 19 september 1882) was een Nederlandse rooms-katholieke geestelijke. Hij was de tweede aartsbisschop van Utrecht na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 en de eerste die er daadwerkelijk resideerde.

Jeugd en opleiding

Andreas Ignatius Schaepman werd op 4 september 1815 in Zwolle geboren als het vijfde van negen kinderen van Petrus Splinterus Schaepman en Euphemia Johanna Brigitta Kistemaker. Het gezin was van patricische komaf; zijn vader was schepen van Zwolle geweest en later officier van justitie.

Op jonge leeftijd werd Schaepman ooit gered van de verdrinkingsdood. Rond zijn tiende ging hij naar de kostschool van meester Van den Heuvel in Ravensteijn, wat gebruikelijk was voor kinderen uit gegoede families. Hier bleek hij een goede leerling te zijn, met een opvallende voorkeur voor tekenen.

Omdat hij zich geroepen voelde tot het priesterschap, zette hij zijn opleiding voort aan het gymnasium in Oldenzaal. In 1833 begon hij aan zijn theologische studie aan het grootseminarie in ’s-Heerenberg. Op 28 mei 1835 werd hij, samen met anderen, door de bisschop van Curium, C.L. baron Van Wijckerslooth, opgenomen in de geestelijke stand. Na de subdiaken- en diakenwijdingen in 1837 ontving Schaepman op 10 maart 1838 op 22-jarige leeftijd de priesterwijding, kort na de dood van zijn vader. Zijn eerste mis droeg hij op in de Onze Lieve Vrouwekerk in Zwolle.

Carrière tot aan 1868

Na zijn priesterwijding was hij werkzaam als kapelaan in Zwolle, als deservitor in de kolonie Ommerschans (1843), als pastoor in Assen (1846) en ten slotte Zwolle (1854). Daar volbracht hij de moeilijke taak om tot een parochiale indeling te komen. Voor het herstel van de hiërarchie was het namelijk gebruik dat katholieken zelf kozen bij welke statie men ging kerken. Hij moest deze delicate onderhandelingen voeren met zijn voormalige overste, deken en voormalig aartspriester Henricus van Kessel.

Opvolging van Zwijsen

Aartsbisschop Zwijsen, die aartsbisschop van het aartsbisdom Utrecht was zowel als bisschop van het bisdom 's-Hertogenbosch, liep al vanaf 1856 en mogelijk eerder, rond met plannen zich te laten opvolgen in het aartsbisdom. Hij wilde graag dat Rome hem toestemming gaf om in Utrecht een coadjutor met recht van opvolging te installeren die allereerst de opbouw van het grootseminarie ter hand zou nemen, en vervolgens de algehele uitbouw van de structuren van het nieuwe aartsbisdom. Schaepman was niet de eerste kandidaat die hij op het oog had om te functioneren als zijn rechterhand in Utrecht. Deken Beltman van Deventer, pastoor Bootz van Abcoude, en nog een onbekend aantal anderen weigerden. Ook Schaepman was terughoudend, maar stemde ten slotte schoorvoetend toe. Rome wilde ook niet echt meewerken met de plannen van Zwijsen, wat erin resulteerde dat Schaepman stukje bij beetje de functies ging bekleden die Zwijsen voor zijn opvolger in gedachte had:

  • 1857: President van het Groot-seminarie Rijsenburg; Schaepman was de eerste president en was verantwoordelijk voor de opbouw en voltooiing van het seminarie. Hij beoordeelde studenten voor hun wijding en voerde het centraliserende beleid van Zwijsen uit.
  • 1858: Vicaris-generaal; In deze functie trad Schaepman op als de rechterhand van aartsbisschop Zwijsen en was hij verantwoordelijk voor het dagelijks bestuur van het aartsbisdom.
  • 1858: Proost van het Metropolitaan kapittel; Schaepman was het hoofd van dit adviesorgaan en fungeerde als de schakel tussen het kapittel en Zwijsen.
  • 1860: Plebaan van de Sint-Catharinakathedraal en deken van de stad Utrecht; Als pastoor van de kathedrale kerk was hij nauw betrokken bij de restauratie en aankleding van de kathedraal. Hij liet zich hierbij inspireren door de neogotische stijl en schakelde onder andere beeldhouwer Friedrich Wilhelm Mengelberg in. Om de financiering rond te krijgen, stelde hij het invoeren van een jaarlijkse bijdrage van de geestelijkheid voor. Als deken was hij verantwoordelijk voor het religieuze leven in de parochies van de stad en zette hij zich in voor liefdadigheidsorganisaties en broederschappen. Tijdens zijn plebaanschap en dekenschap zette Schaepman zich in voor het katholieke onderwijs en was nauw betrokken bij het R.K. Schoolgesticht. Ook was hij actief tijdens een cholera-epidemie, waarin hij optrad als coördinator van de pastorale zorg voor de zieken en stervenden. Hij organiseerde processies en gebedsdagen om genezing af te smeken en riep de gelovigen op tot liefdadigheid en solidariteit met de slachtoffers.
  • 1860: Hulpbisschop (coadjutor); Schaepman voerde wijdingen en vormreizen uit en versterkte zo de band tussen de parochies en het bisdom te versterken. Hij kreeg in 1862 het recht van opvolging.

Benoeming tot aartsbisschop

Na zijn benoeming tot aartsbisschop van Utrecht in 1868 bleef Schaepman zich inzetten voor katholieke scholen. Hij toonde een uitgesproken, doch passieve, interesse voor wetenschap en een veelzijdige liefde voor de kunst. Het was vooral op dit terrein dat zijn beleid zich duidelijk onderscheidde van zijn voorganger. Schaepman was, na de Haarlemse priester M.J.A. Lans, de grote stuwkracht achter de oprichting van de Sint-Gregoriusvereniging en heeft daarmee bijgedragen aan de liturgische beweging. Ook deelde hij de neogotische geestdrift van zijn kapelaan G.W. van Heukelum, op wiens initiatief het Sint-Bernulphusgilde werd opgericht. Daarnaast stond Schaepman samen met Van Heukelum aan de basis van wat tegenwoordig het Museum Catharijneconvent in Utrecht is. Hij nam ook deel aan het Eerste Vaticaans Concilie. In 1873 richtte hij een congregatie op van lekenbroeders, later de Fraters van Utrecht genaamd, om projecten in de sfeer van jeugdwerk, catechese en onderwijs van personeel te voorzien.

Begrafenis van aartsbisschop Schaepman in Utrecht

Postume kritiek

In 1994 formuleerde J.P.A. van Vugt stevige kritiek op het beleid van Schaepman. Zo stichtte Schaepman nieuwe scholen met meer voortvarendheid dan overleg, wat leidde tot financiële problemen. Zwijsen oordeelde destijds al dat Schaepman zichzelf in moeilijkheden had gebracht door zijn 'zucht om scholen te vermenigvuldigen'. De fraters die Schaepman voor zijn congregatie wierf, waren gedwongen bedeltochten te organiseren voor hun levensonderhoud, iets wat Zwijsen schandelijk vond.

Daarnaast bekritiseerde van Vugt de keuze voor de eerste overste van de Fraters van Utrecht, pater Bonifacius Vonk. Vonk, die een autoritair en ongemakkelijk karakter had, was ongeschikt om de gemeenschap te leiden. Schaepman, die zich nauwelijks bemoeide met de interne gang van zaken van zijn stichting, greep niet in en liet de ontwikkeling op haar beloop. Dit leidde tot een verslechterde sfeer binnen de congregatie, wat uiteindelijk resulteerde in het ontslag van de overste.

Schaepmans beleid stond ook onder vuur vanwege zijn gebrek aan financiële planning. Hij had de financiële basis van de congregatie nauwelijks onder ogen gezien, wat leidde tot aanzienlijke geldproblemen. De congregatie was mede hierdoor aan de rand van de afgrond gekomen. Ook toonde Schaepman onvoldoende betrokkenheid bij het interne leven van de congregatie. Dit alles droeg bij aan de moeizame start van de Fraters van Utrecht.

Trivia

Voorganger:
Joannes Zwijsen
Aartsbisschop van Utrecht
1868-1883
Opvolger:
Petrus Matthias Snickers
Zie de categorie Andreas Ignatius Schaepman van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.