Albertus Samuel Carpentier Alting

Albertus Samuel Carpentier Alting
Algemene informatie
Geboren 28 december 1837
Purmerend, Nederland
Overleden 4 augustus 1915
Den Haag, Nederland
Nationaliteit Nederlands
Religie Vrijzinnig protestantisme
Beroep Predikant
Bekend van Indisch Maçonniek Tijdschrift, Woordenboek voor Vrijmetselaren
Familie
Kinderen Johannes Hendrik Carpentier Alting (1864–1926) en Eliza Hendrik Carpentier Alting (1868–1932)

Albertus Samuel Carpentier Alting (Purmerend, 28 december 1837 – Den Haag, 4 augustus 1915) was een Nederlands predikant en vrijmetselaar die een leidende rol speelde in de ontwikkeling van de vrijmetselarij in Nederlands-Indië.

Hij was de oprichter en eerste redacteur van het Indisch Maçonniek Tijdschrift (1895) en de eerste Grootmeester van de Provinciale Grootloge van Nederlandsch-Indië (1898–1905). Zijn humanitair en pedagogisch gedachtegoed vormde de ideologische grondslag voor de latere Carpentier Alting Stichting in Batavia, opgericht door zijn zoon Eliza Hendrik Carpentier Alting. Hij was niet alleen organisator en schrijver, maar ook ritueel hervormer: zijn in 1878 gepubliceerde ritualen beïnvloedden blijvend de Nederlandse maçonnieke praktijk.[1]

Leven en loopbaan

Carpentier Alting werd geboren op 28 december 1837. Na zijn theologische opleiding trad hij toe tot de Nederlandse Hervormde Kerk en werd predikant. In 1885 vertrok hij op achtenveertigjarige leeftijd naar Nederlands-Indië, waar hij als geestelijke werkzaam was in Padang, Buitenzorg en Semarang.

Zijn werk kenmerkte zich door een brede belangstelling voor maatschappelijke en opvoedkundige vraagstukken. Hij combineerde zijn predikantschap met een uitgesproken vrijzinnig-humanistische visie op religie en moraal.[2]

Vrijmetselarij

Carpentier Alting werd in 1869 ingewijd in de Loge De Friesche Trouw te Leeuwarden en was in 1876 mede-oprichter van de Loge Excelsior te Dokkum. Na zijn vertrek naar Nederlands-Indië in 1885 bleef hij actief binnen de Orde en richtte in 1891 een nieuwe loge met dezelfde naam, Excelsior, op te Buitenzorg.

Daarnaast was hij lid van Mata Hari (Padang), La Constante et Fidèle (Semarang) en De Ster in het Oosten (Batavia).[1] Binnen deze loges bekleedde hij verschillende ambten, waaronder dat van Voorzittend Meester. In 1898 leidde hij de oprichtingsvergadering van de Provinciale Grootloge van Nederlandsch-Indië, waarmee voor het eerst een overkoepelende structuur voor de maçonnieke loges in de kolonie tot stand kwam. Een jaar later werd hij benoemd tot Gedeputeerd Grootmeester van Nederlandsch-Indië, een ambt dat hij tot 1905 bekleedde.[2] Na zijn terugkeer naar Nederland was hij van 1906 tot 1915 Gedeputeerd Grootmeester van het Grootoosten der Nederlanden, waarmee zijn loopbaan zowel de Indische als de Nederlandse vrijmetselarij omspande.[3]:30–33

Carpentier Alting was niet alleen organisator, maar ook ritueel hervormer en schrijver. In 1878 publiceerde hij, buiten officiële goedkeuring van het Grootoosten om, ritualen voor de drie symbolieke graden die in menig loge werden overgenomen. Deze ritualen, beïnvloed door de Duitse voorbeelden van Gustav Findel en Oswald Marbach, introduceerden onder meer het ontsteken van de drie Kleine Lichten — een element dat blijvend deel is gaan uitmaken van de Nederlandse rituele praktijk.[1] Daarnaast schreef hij in 1884 het Woordenboek voor Vrijmetselaren, een vroeg encyclopedisch overzicht van maçonnieke terminologie en symboliek. Zijn werk illustreerde een bredere negentiende-eeuwse tendens om de vrijmetselarij te verbinden met humanistische opvoeding en morele verheffing.

Indisch Maçonniek Tijdschrift

In 1895 richtte Carpentier Alting het Indisch Maçonniek Tijdschrift op, uitgegeven door G.C.T. van Dorp & Co. te Semarang. Het tijdschrift had tot doel de band tussen de loges in de kolonie te versterken, morele en maatschappelijke thema’s te bespreken, en een forum te bieden voor vrijzinnige discussie. Tien jaar lang verzorgde Carpentier Alting vrijwel eigenhandig de redactie en inhoud van het blad. De belangrijkste artikelen werden later gebundeld onder de titel Overdenkingen op maçonniek gebied.[2]

Zijn publicaties pleitten voor een vrijmetselarij die zich niet beperkte tot ritueel en symboliek, maar zich actief inzette voor opvoeding, zelfvorming en maatschappelijke dienstbaarheid. In zijn beschouwing over de jeugd bekritiseerde hij de "kilheid" van het moderne onderwijs en stelde dat de mens moest leren "ontzag te gevoelen" en "de dichter in zich" te bewaren — een oproep tot morele en geestelijke verdieping.[2]

Pedagogische invloed

De vrijzinnig-humanistische pedagogiek die Carpentier Alting uitdroeg vond weerklank bij andere vrijmetselaars in Indië. Hij zag onderwijs als de praktische toepassing van het maçonnieke ideaal om "aan de volmaking der mensheid te arbeiden". Zijn overtuiging dat geestelijke vorming en sociale plicht hand in hand moesten gaan, inspireerde zijn zoon Eliza Hendrik Carpentier Alting tot de oprichting van de Carpentier Alting Stichting (1902) in Batavia.

Volgens een herdenkingsartikel uit 1937 behoort die stichting "tot de belangrijkste instellingen, welke hun ontstaan aan de vrijmetselarij te danken hebben", omdat zij het pedagogische ideaal van haar naamgever in praktijk bracht.[2]

Nalatenschap

Na zijn terugkeer naar Nederland in 1905 bleef Carpentier Alting binnen de Orde actief als schrijver en spreker. Hij overleed op 4 augustus 1915. Zijn naam leeft voort in de Carpentier Alting Stichting en in de institutionele structuur van de vrijmetselarij in Nederlands-Indië, die mede door zijn inspanningen tot stand kwam.[3]:153–160

Zie ook