Wiskundige natuurkunde

Deel van een serie artikelen over
Wiskunde
Formules van een stochastisch proces
Formules van een stochastisch proces
Kwantiteit

Complex getal · Geheel getal · Natuurlijk getal · Oneindigheid · Reëel getal · Rekenkunde

Structuur en ruimte

Algebra · Functie · Getaltheorie · Goniometrie · Groepentheorie · Meetkunde · Topologie

Verandering

Analyse · Chaostheorie · Differentiaalrekening · Dynamische systemen · Vectoren

Toegepaste wiskunde

Discrete wiskunde · Grafentheorie · Informatietheorie · Kansrekening · Statistiek · Wiskundige natuurkunde

Portaal  Portaalicoon   Wiskunde

Wiskundige natuurkunde (Vlaanderen) of mathematische fysica (Nederland) (Engels: Mathematical physics) is het wetenschappelijke vakgebied dat zich bezighoudt met het grensgebied tussen de wiskunde en de natuurkunde. Er is geen echte overeenstemming over wat er precies deel uitmaakt van de wiskundige natuurkunde. Een kenmerkende definitie door de Journal of Mathematical Physics luidt: "De toepassing van de wiskunde op problemen in de natuurkunde, en de ontwikkeling van wiskundige methoden die geschikt zijn voor dergelijke toepassingen en voor de formulering van natuurkundige theorieën."[1]

Deze definitie heeft echter geen betrekking op de omgekeerde situatie, waarbij resultaten uit de natuurkunde worden gebruikt om feiten in de abstracte wiskunde te bewijzen, en die op zichzelf niets te maken hebben met de natuurkunde. Dit fenomeen is de afgelopen twintig jaar steeds belangrijker geworden, door ontwikkelingen in het snaartheorie-onderzoek. Voor dit nieuw ontstane wiskundige onderzoeksterrein bedacht Eric Zaslow de term natuurkundige wiskunde (Engels: physmatics)[2], hoewel het evengoed kan worden beschouwd als onderdeel van de wiskundige natuurkunde.

Belangrijke onderzoeksterreinen in de wiskundige natuurkunde zijn: functionaalanalyse, kwantumfysica, meetkunde, algemene relativiteitstheorie en combinatoriek/kanstheorie/statistische natuurkunde. Recenter heeft de snaartheorie contact gemaakt met belangrijke takken binnen de wiskunde, zoals algebraïsche meetkunde, topologie en complexe meetkunde.

Wetenschapsgeschiedenis

Zeventiende eeuw

De Engelse natuur- en wiskundige Isaac Newton (1642-1727) ontwikkelde een schat aan nieuwe wiskunde, met name de differentiaal- en integraalrekening, en diverse numerieke methoden (met als bekendste de "methode van Newton"), om daarmee problemen in de natuurkunde op te kunnen lossen. Onafhankelijk van Newton ontwikkelde de wiskundige en filosoof Gottfried Wilhelm Leibniz (1646-1716) baanbrekende wiskunde op hetzelfde vlak. Verdere belangrijke zeventiende-eeuwse wiskundige natuurkundigen waren de Nederlander Christiaan Huygens 1629-1695, beroemd om zijn suggestie van de 'golftheorie van het licht', en de Duitse astronoom Johannes Kepler (1571-1630, die als Tycho Brahes assistent de ontdekker was van de vergelijkingen voor de planetaire banen om de zon.

Achttiende eeuw

Twee van de grootste vernieuwers in de achttiende eeuwse wiskundige natuurkunde waren de Zwitsers Daniel Bernoulli (1700-1782), met zijn bijdragen aan de stromingsleer en zijn onderzoek naar trillende snaren, en Leonhard Euler (1707-1783), met werk in de variatierekening, de dynamica en de vloeistofdynamica. Een andere opvallende bijdrage leverde de in Italië geboren Fransman Joseph-Louis Lagrange (1736-1813) in de mechanica en op het gebied van de variatierekening.

Negentiende eeuw

Rond 1800 leverde Frankrijk belangrijke wiskundig-natuurkundigen, onder wie Pierre-Simon Laplace (1749-1827) met bijdragen in de wiskundige astronomie, de potentiaaltheorie en de mechanica, en Siméon Poisson (1781-1840), die ook op het gebied van de mechanica en de potentiaaltheorie werkte. In Duitsland leverden zowel Carl Friedrich Gauss (1777-1855) in het magnetisme, als Carl Jacobi (1804-1851) op het gebied van de dynamica en de kanonieke transformaties, belangrijke bijdragen aan de theoretische grondslagen van de elektriciteit, het magnetisme, de mechanica en de vloeistofdynamica.

De bijdragen van Gauss aan de niet-euclidische meetkunde legden daarnaast de basis voor de latere ontwikkeling van de Riemann-meetkunde door Bernhard Riemann (1826-1866). Dit werk vormt de kern van de algemene relativiteitstheorie.

In de negentiende eeuw kreeg de Schot James Clerk Maxwell (1831-1879) faam voor zijn vier vergelijkingen van het elektromagnetisme. Zijn landgenoot Lord Kelvin (1824-1907) deed belangrijke ontdekkingen in de thermodynamica. Binnen de Engelse natuurkundige gemeenschap werkte Lord Rayleigh (1842-1919) aan geluid en was George Gabriel Stokes (1819-1903) vooraanstaand op het gebied van de optica en de vloeistofdynamica, terwijl de Ier William Rowan Hamilton (1805-1865) bekend werd door zijn werk in de dynamica. De Duitser Hermann von Helmholtz (1821-1894) deed belangrijk werk op het gebied van respectievelijk het elektromagnetisme, golven, vloeistoffen en geluid. In de Verenigde Staten legde het baanbrekende werk van Josiah Willard Gibbs (1839-1903) het fundament voor de statistische mechanica. Samen legden deze mannen de theoretische basis van het elektromagnetisme, de vloeistofdynamica en de statistische mechanica.

Twintigste eeuw

Relativiteitstheorie

Rond 1900 ontstond de speciale relativiteitstheorie. Hierop was reeds vooruitgelopen in de werken van de Nederlander Hendrik Lorentz (1853-1928), met belangrijke inzichten van Henri Poincaré (1854-1912). Deze benadering kwam tot volledige rijping in het werk van Albert Einstein (1879-1955). Daarna ontwikkelde Einstein de invarianten-aanpak verder om vervolgens tot zijn opmerkelijke meetkundige benadering van de zwaartekracht te komen, die lag besloten in de algemene relativiteitstheorie. Deze was gebaseerd op de niet-euclidische meetkunde die in de vorige eeuw door Gauss en Riemann was gecreëerd.

Einsteins speciale relativiteitstheorie verving de Galileitransformaties van ruimte en tijd door Lorentztransformaties in de vierdimensionale Minkowski-ruimte-tijd. Zijn algemene relativiteitstheorie verving de platte euclidische meetkunde door die van een Riemann-variëteit, waarvan de kromming wordt bepaald door de verdeling van de zwaartekrachtgevoelige materie. Dit verving Newtons zwaartekracht op basis van vectoren door de krommingstensor van Riemann.

Kwantummechanica

Een andere revolutionaire ontwikkeling na 1900 betreft de fundamentele bijdragen van Max Planck (1856-1947), met zijn wet van Planck over de straling van zwarte lichamen en Einstein, met zijn werk over het foto-elektrisch effect. Een heuristisch raamwerk dat vervolgens werd opgesteld door Arnold Sommerfeld (1868-1951) en Niels Bohr (1885-1962) werd al snel vervangen door de kwantummechanica. Dit nieuwe vakgebied werd ontwikkeld door Max Born (1882-1970), Werner Heisenberg (1901-1976), Paul Dirac (1902-1984), Erwin Schrödinger (1887-1961) en Wolfgang Pauli (1900-1958). Het revolutionaire theoretische raamwerk van de kwantummechanica is gebaseerd op een probabilistische interpretatie van kwantumtoestanden, en op de evolutie en metingen in termen van zelf-geadjungeerde operatoren op een oneindig-dimensionale vectorruimte: de Hilbertruimte, geïntroduceerd door David Hilbert (1862-1943). Paul Dirac gebruikte algebraïsche constructies om een relativistisch model voor het elektron te produceren, waarmee hij het magnetisch moment van het elektron en het bestaan van zijn antideeltje, het positron, voorspelde.

Recentere bijdragen

Latere belangrijke bijdragen leverden Satyendra Nath Bose (1894-1974), Julian Schwinger (1918-1994), Shinichiro Tomonaga (1906-1979), Richard Feynman (1918-1988), Freeman Dyson (1923-2020), Hideki Yukawa (1907-1981), Roger Penrose (1931-), Stephen Hawking (1942-2018) en Edward Witten (1951-).

Voetnoten