William E. Jones

William Edmondson Jones
William E. Jones tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog
William E. Jones tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog
Bijnaam Grumble
Geboren 9 mei 1824
Washington County, Virginia
Overleden 5 juni 1864
Augusta County, Virginia
Rustplaats Old Glade Spring Presbyterian Church
Glade Spring, Virginia
Land/zijde Verenigde Staten
Geconfedereerde Staten van Amerika
Onderdeel United States Army
Confederate States Army
Dienstjaren 1848-1857 (USA)
1861-1864 (CSA)
Rang eerste luitenant (USA)

brigadegeneraal (CSA)

Eenheid 7th Virginia Cavalry Regiment
Bevel 2nd brigade, 1st division, First Corps (Army of Tennessee)
Stewart’s Division
Third Corps (Army of Tennessee)
Army of Tennessee
Slagen/oorlogen Amerikaans-indiaanse oorlogen

Amerikaanse Burgeroorlog

William Edmondson "Grumble" Jones (Washington County, 9 mei 1824Augusta County, 5 juni 1864) was een Amerikaans beroepsmilitair. Tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog was hij een cavaleriegeneraal in het Confederate States Army. Hij had een reputatie van een harde leermeester te zijn voor zijn soldaten en twistziek te zijn met zijn superieuren, maar hij werd beschouwd als een goede aanvoerder. Na een meningsverschil met generaal-majoor J.E.B. Stuart kreeg zijn brigade de opdracht om de bevoorradingslijnen te vrijwaren van Noordelijke aanvallen. Hierdoor was hij niet aanwezig tijdens de Slag bij Gettysburg. Toen de meningsverschillen tussen Jones en Stuart heviger werden, werd Jones gedetacheerd van het Cavalry Corps van het Army of Northern Virginia. Tijdens de Slag bij Piedmont werd Jones gedood tijdens het aanvoeren van een tegenaanval.

Vroege jaren

Jones werd geboren op 9 mei 1824 in Washington County, Virginia. Over zijn jeugd is niet veel bekend. Na zijn studies aan de Emory and Henry University voltooid te hebben in 1844 wordt hij toegelaten tot de United States Military Academy in West Point. Hij studeerde af in 1848 als 12de in een klas van 48 kadetten. Hij werd ingedeeld bij de U.S. Mounted Riflemen Regiment als gebrevetteerd tweede luitenant. Jones diende aan de westelijke grens waar hij ingezet werd in de Amerikaans-indiaanse oorlogen. Hij werd in 1854 bevorderd tot eerste luitenant. Daar kreeg hij ook zijn bijnaam Grumble om zijn nors karakter te omschrijven. Hij huwde in 1852 maar zijn echtgenote kwam kort daarna om in een scheepsramp toen ze op weg waren naar Texas. Jones nam in 1857 ontslag uit het United States Army en werd landbouwer op een boerderij in Glade Spring, Virginia.

De Amerikaanse Burgeroorlog

Na het uitbreken van de Amerikaanse Burgeroorlog nam Jones dienst in het 1st Virginia Cavalry Regiment als kapitein van de Washington Mounted Rifles. Dit was een compagnie die William Willis Blackford, de latere adjudant van J.E.B. Stuart, had gerekruteerd. Op 9 mei werd Jones bevorderd tot majoor in het Provisional Army of Virginia. Later die maand werden hij en zijn regiment officieel opgenomen in het Confederate States Army. Tijdens de Eerste Slag bij Bull Run in juli 1861 maakte zijn regiment deel uit van kolonel J.E.B. Stuarts brigade. In augustus werd Jones bevorderd tot kolonel en werd hij aangesteld als bevelhebber van het 1st Virginia Cavalry.[1] Jones onderwierp zijn nieuwe soldaten aan een rigoureuze training en schold iedereen uit die te traag was of niet genoeg zijn best deed.[2]

In de herfst van 1861 werd een grote reorganisatie doorgevoerd in het Zuidelijke leger waarbij de soldaten opnieuw hun officieren konden verkiezen. Jones verloor zijn commando aan Fitzhugh Lee. Jones werd aangesteld als bevelhebber van het 7th Virginia Cavalry Regiment die in de Shenandoahvallei was gestationeerd. Hij voerde verschillende opdrachten uit langs de Potomac in de winter van 1861 en 1862 en in maart 1862 was hij kort bevelhebber van alle cavalerie in het Valley District.[3] Kort voor het begin van Jacksons veldtocht in de Shenandoahvallei werd hij terug geroepen naar Richmond.

Net voor de Zevendagenslag zou beginnen keerde Jones terug naar oostelijk Virginia waar hij deel uitmaakte van Stuarts eerste rondrit rond het leger van generaal-majoor George B. McCellan. Jones raakte gewond tijdens een schermutseling in Orange Court House op 2 augustus, maar was eind augustus voldoende hersteld om deel te nemen aan de Tweede Slag bij Bull Run.

Jones werd erkend als een goede en doortastende bevelhebber maar had al snel meningsverschillen met zijn bevelhebber Stuart. Stuart bestempelde Jones als de moeilijkste man in het leger.[4] Ondanks de protesten van Stuart werd Jones op 19 september 1862 door generaal Robert E. Lee bevorderd tot brigadegeneraal. Hij kreeg het commando over de 4th Brigade in Stuarts cavaleriedivisie in het Army of Northern Virginia. Op vraag van luitenant-generaal Stonewall Jackson werd Jones op 29 december 1862 naar de Valley District gedetacheerd.

In de lente van 1863 voerde Jones, samen met brigadegeneraal John D. Imboden een raid uit op de Baltimore and Ohio Railroad ten westen van Cumberland, Maryland. Ze vernietigden een groot deel van de spoorlijn en de Burning Springs Complex, een olieveld die aan de oppervlakte kwam.[5] Daarna sloot Jones zich opnieuw aan bij Stuart. Op 9 juni 1863 werd de Zuidelijke cavalerie verrast door een aanval van de Noordelijke generaal-majoor Alfred Pleasonton bij Brandy Station. Jones kwam tegenover zijn oude studiegenoot, brigadegeneraal John Buford, te staan. Na hevige gevechten slaagden Jones en zijn manschappen erin om twee regimentsvlaggen en een artilleriebatterij te veroveren en 250 vijandelijke soldaten gevangen te nemen.

Gettysburg en de slag bij Fairfield

Toen de Slag bij Gettysburg zijn derde dag inging op 3 juli 1863 en Pickett’s Charge bezig was, zag de Noordelijke cavalerie een kans de eventuele terugtocht van het Zuidelijke leger te bemoeilijken. Brigadegeneraal Wesley Merritts brigade kreeg het bevel van generaal-majoor Pleasonton om de Zuidelijke rechterflank en achterhoede aan te vallen langs Seminary Ridge. Pleasonton had een verslag in handen gekregen dat een deel van de Zuidelijke bagagetrein zich bij Fairfield bevond. Merrit stuurde 400 cavaleristen van het 6th U.S. Cavalry, onder leiding van majoor Samuel H. Starr, erop uit om de bagagetrein aan te vallen. Starr botste echter op de 7th Virginia Cavalry van de brigade van Jones wat de kleine Slag bij Fairfield inluidde. De Noordelijken zochten dekking achter een post-and railhekken en openden het vuur op de 7th cavalry. Daarop stuurde Jones de 6th Virginia Cavalry naar voren die de Noordelijke linie overrompelde. Starr raakte gewond en werd gevangen genomen. De Noordelijken verloren 242 soldaten waarvan het merendeel krijgsgevangen werd gemaakt tegenover 44 Zuidelijke slachtoffers. Deze kleine slag hield de strategisch belangrijke Fairfield Road open naar de bergpassen van South Mountain voor het Army of Northern Virginia.[6] De Slag bij Culpeper Court House zou de laatste slag van Jones onder in het cavaleriekorps van Stuart worden. J.E.B. Stuart die ernstige reputatieschade had opgelopen na Gettyburg zocht een zondebok en bracht Jones voor de krijgsraad wegens beledigingen. Robert E. Lee die op de hoogte was van het conflict tussen Stuart en Jones kwam tussenbeide. Hij liet alle aantijgingen tegen Jones nietig verklaren en stuurde hem naar het Trans-Allegheny Department in West Virginia. Jones rekruteerde een nieuwe cavaleriebrigade en ondersteunde gedurende de winter van 1863 en de lente van 1864 de veldtocht van luitenant-generaal James Longstreet in Tennessee.

Overlijden

In mei 1864 werd Jones aangesteld als bevelhebber van de Zuidelijke strijdkrachten in de Shenandoahvallei. Zijn eerste taak was de opmars van de Noordelijken onder generaal-majoor David Hunter te stoppen. Op 5 juni 1864 werd Jones echter in het hoofd geraakt tijdens de Slag bij Piedmont terwijl hij zijn eenheden aanvoerde in een aanval. Hij overleed ter plaatse. Jones werd begraven in de Old Glade Spring Presbyterian Church in Glade Spring, Virginia.

Zie ook

Lijst van generaals in de Amerikaanse Burgeroorlog (Confederatie)