John D. Imboden

John D. Imboden
Johnson D. Imboden in de jaren 1860
Johnson D. Imboden in de jaren 1860
Geboren 16 februari 1823
Staunton, Virginia
Overleden 15 augustus 1895
Damascus, Virginia
Rustplaats Hollywood Cemetery
Richmond, Virginia
Land/zijde Geconfedereerde Staten van Amerika
Onderdeel Confederate States Army
Dienstjaren 1861-1865 (CSA)
Rang brigadegeneraal (CSA)
Slagen/oorlogen Amerikaanse Burgeroorlog
Ander werk advocaat, politicus en schrijver
John D. Imboden
John D. Imboden
Lid van het Virginia House of Delegates voor het Augusta Countydistrict
Aangetreden 3 december 1855
Einde termijn 6 december 1857
Voorganger Absalom Koiner
Opvolger J. Marshall McCue
Lid van het Virginia House of Delegates voor het Augusta Countydistrict
Aangetreden 2 december 1850
Einde termijn 4 december 1853
Voorganger Hugh White Sheffey
Opvolger James H. Skinner
Portaal  Portaalicoon   Politiek

John Daniel Imboden (Staunton, 16 februari 1823Damascus, 15 augustus 1895) was een Amerikaans advocaat, militair, politicus en schrijver. Tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog klom hij op tot de rang van brigadegeneraal in het Confederate States Army en was hij bevelhebber van een cavalerie-eenheid. Na de oorlog hernam hij zijn loopbaan als advocaat. Hij werd een schrijver en hield zich bezig met stadsontwikkeling.

Vroege jaren

John D. Imboden werd geboren op 16 februari 1823 niet ver van Staunton, Virginia in de Shenandoahvallei. Hij was de zoon van George William Imboden en Isabella Wunderlich die een boerderij hadden. Het koppel zou elf kinderen krijgen. Zijn vader was een veteraan van de Oorlog van 1812. John kreeg privé-les voor hij school liep aan de Washington College.

Imboden werd leraar aan de Virginia School for the Deaf and the Blind in Staunton. Ondertussen studeerde hij rechten en werd hij toegelaten tot de balie. Hij opende een advocatenkantoor met zijn zakenpartner William Frazier. In december 1844 werd hij opgenomen in de Loge van Ancient Free and Accepted Masons (A.F. & A.M.) in Virginia[1] Hij was ook eigenaar van een handvol slaven.[2][3]

In 1850 werd Imboden verkozen in het Virginia House of Delegates voor het Augusta Countydistrict. Het was een part-time job die hij deelde met John Marshall McCue. Na het uitvoeren van een nieuwe census konden er voor de volgende legislatuur drie afgevaardigden van Augusta County gestuurd worden. Imboden werd herverkozen en deelde zijn zitje met James Walker en John A. Tate. Hij werd daarna niet herkozen, maar slaagde er opnieuw in om een zitje te bemachtigen in 1855 die hij deelde met Boliver Christian en Adam McChesney. In 1857 werd hij niet herkozen.[4]

Na de raid van John Brown op Harpers Ferry in 1859 richtte Imboden de Staunton Light Artillery op die hij deels uit eigen zak betaalde. Ook zijn broer George W. Imboden nam dienst in deze militie-eenheid. Ondanks het gebrek aan militaire ervaring werd Imboden op 28 november 1859 tot kapitein benoemd van de Staunton Artillery.[5]

John D. Imboden in uniform

Amerikaanse Burgeroorlog

Harpers Ferry

Toen het ernaar uitzag dat de Virginia Secession Convention van 1861 voor secessie zou stemmen, belegde de voormalige gouverneur Henry A. Wise een vergadering. Doel was om het arsenaal van Harpers Ferry in te nemen. Wise nodigde verschillende leden van de militie uit zoals kapitein A.M. Barbour (die in een verleden bevelhebber van het arsenaal was), kapitein Turner Ashy en Richard Asby, kapitein Oliver R. Funsten en John D. Imboden. Ook de redacteur van de Richmond Enquirer, Nat Tyler nam deel aan de vergadering.[6] Alle aanwezigheden kwamen al snel tot een plan van aanpak. Imboden stuurde een telegram naar de verschillende militie-eenheden om op 14 april om vier uur in de nammidag zich te verzamelen in Staunton. Dit werd echter tegen gehouden door gouverneur John Letcher die geen actie wou ondernemen voor de secessie officieel was. De dag nadat Virginia uit de unie was gestapt, rukten 360 manschappen op naar het arsenaal die verdedigd werd door 50 soldaten, onder leiding van luitenant Roger Jones. Ver in de minderheid probeerden ze zoveel mogelijk wapens en voorraden te vernietigen en staken ze de gebouwen in brand voor ze zich terugtrokken naar Carlisle in Pennsylvania.[7] Imboden stelde zijn artillerie op in de heuvels die zicht hadden op Harpers Ferry maar zou geen verdere actie ondernemen. Generaal-majoor van de militia Kenton Harper nam het stadje en het arsenaal in. Op 27 april arriveerde majoor Thomas Jackson om de militia-eenheden in regimenten in te delen.[8]

Van Bull Run tot de Jones-Imbodenraid

Op 1 juli 1861 werd de Staunton Light Artillery, die vier bronzen 6-ponds kanonnen en 107 officieren en soldaten telde, officieel opgenomen in het Confederate States Army.[9][10] Tijdens de Eerste Slag bij Bull Run raakte Imbodens linker trommelvlies geperforeerd wat resulteerde in gedeeltelijke doofheid. Hij diende in Jacksons veldtocht in de Shenandoahvallei waarbij zijn artilleriebatterij werd ingezet tijdens de Slag bij Cross Keys en de Slag bij Port Republic. Op 9 september 1862 verliet Imboden de artillerie om een eigen bataljon van partisan rangers te rekruteren. Hij werd bevorderd tot kolonel van de 62nd Virginia Mounted Infantry Regiment (1st Partisan Rangers). Op 28 januari 1863 werd hij bevorderd tot brigadegeneraal.[11]

Verontrust over de toenemende roep naar onafhankelijkheid van westelijk Virginia in 1863 voerden brigadegeneraal William E. "Grumble" Jones en Imboden een raid uit in noordwestelijk Virginia. Met 3.400 partisan Rangers vernietigden ze de bruggen en de rails van de Baltimore and Ohio Railroad. Ze veroverden duizenden stuks paarden en runderen en vernietigden de petroleumvelden in de Kanawhavallei.[5] De raiders legden meer dan 640 km af in 37 dagen maar konden niet voorkomen dat West Virginia als nieuwe staat werd erkend op 30 juni 1863.

Jones-Imbodenraid in april en mei 1863

Van Gettysburg tot het einde van de oorlog

Tijdens de Gettysburgveldtocht werd de brigade van Imboden ingedeeld in het Cavalry Corps onder leiding van generaal-majoor J.E.B. Stuart. Dit korps dekte de flanken af van het Army of Northern Virginia terwijl het oprukte naar Pennsylvania.[12] Zijn brigade zou wel niet deelnemen aan de grote rondrit die Stuart zou doen, maar beperkte zich tot het aanvallen van de Baltimore and Ohio Railroad tussen Martinsburg en Cumberland (Maryland).[1] Tijdens de Slag bij Gettysburg beschermde Imboden de bagagetrein van het leger die zich in Chambersburg, Pennsylvania bevond. Na de Zuidelijke nederlaag begeleidde Imboden deze bagagetrein en duizenden gewonde soldaten terug naar Virginia. Ondertussen was de Potomac buiten haar oevers getreden waardoor Imboden vast kwam te zitten in Williamsport, Maryland. Om de bagagetrein te verdedigen, stelde hij een artilleriebatterij op en liet de lichtgewonden een snel opgeworpen defensieve stelling innemen. Verschillende Noordelijke cavalerie-aanvallen werden afgeslagen.

In het najaar van 1863 kreeg Imboden de opdracht van generaal Robert E. Lee om een aanval uit te voeren op Charlestown om de Noordelijken weg te lokken van hun stellingen tegenover Lee. De aanval werd al snel afgeslagen nadat de Noordelijken versterkingen in de vorm van cavalerie hadden gestuurd. In het voorjaar van 1864 versloegen Imboden en generaal-majoor John C. Breckinridge de Noordelijken, onder leiding van generaal-majoor Franz Sigel, bij New Market. Daarna keerde Imboden terug naar Virginia waar hij het bevel kreeg over een brigade in de cavaleriedivisie van generaal-majoor Robert Ransom. Hij nam deel aan de Veldtochten in de Shenandoahvallei onder leiding van luitenant-generaal Jubal Early waaronder de Slag bij Fisher's Hill en de Slag bij Cedar Creek. In de herfst van 1864 raakte Imboden besmet met buiktyfus waardoor hij geen actieve legerdienst meer kon verrichten.[5]

Vanaf 2 januari 1865 werd Imboden bevelhebber van het Camp Millen in Georgia en daarna het krijgsgevangenkamp in Aiken, South Carolina. Hij kreeg ook nog de verantwoordelijkeheid over andere kampen in Georgia, Alabama en Mississippi. Hij werd zelf uiteindelijk gevangen genomen en vrijgelaten op 3 mei 1865 in Augusta, Georgia.[11]

Latere jaren

Na de oorlog vestigde Imboden zich in Richmond waar hij opnieuw aan de slag ging als advocaat.[5] Hij raakte geïnteresseerd in de natuurlijke rijkdommen van zijn thuisstaat en publiceerde in 1872 hieromtrent een boek:The Coal and Iron Resources of Virginia: Their Extent, Commercial Value, and Early Development Considered.[13] Rond 1875 verhuisde hij naar het zuidwesten van Virginia om zelf ijzererts en steenkool te ontgingen. Hij stichtte Damascus, Virginia die eind 19de en begin 20ste eeuw belangrijk werd in de houtindustrie.[14] Imboden was actief in verschillende veteranenverenigingen en was een aanhanger van de Lost Cause-beweging. Hij publiceerde verschillende boeken en artikels omtrent de Amerikaanse Burgeroorlog en werkte mee aan de The War of the Rebellion: A Compilation of the Official Records of the Union and Confederate Armies (128 vols., 1880–1901).[15] In 1876 werd Imboden aangesteld als commissaris voor de Centennial Exposition in Philadelphia en in 1893 voor de World's Columbian Exposition in Chicago.[16]

In de winter van 1879-1880 reisde Imboden af naar Pittsburgh om potentiële geïnteresseerden te overtuigen om in de Tinsalia Coal Company te investeren. Later zou daar de Virginia Coal & Iron Company bijkomen. Daarna werkte Imboden voor een agentschap die land opkocht om mineralen te ontginnen.[17]

Imboden overleed op 15 augustus 1895 aan de gevolgen van cholera[18] en werd bijgezet in de Hollywood Cemetery in Richmond, Virginia.[19][20]

Familie

Imboden zou vijf keer in het huwelijksbootje stappen en negen kinderen krijgen waarvan er nog vijf in leven waren op het tijdstip van zijn overlijden. [16] Op 16 juni 1845 huwde hij met Eliza "Dice" Allen McCue. Ze was de dochter van kolonel Franklin McCue. Het gezin bouwde en huis in Staunton die ze "Ingleside Cottage" doopten. Ze kregen samen vier kinderen waarvan er een overleed tijdens de eerste levensjaren. Eliza overleed op 23 december 1857. Anderhalf jaar later, op 12 mei 1859 huwde hij met Mary Wilson McPhail die hem drie kinderen schonk.[21] Daarna zou hij nog huwen met Edna Porter, Anna Lockett en uiteindelijk Florence Crockett.[16]

Oeuvre

  • Imboden, John D. Organized and Authorized Partisan Rangers. Staunton, Va., 1862. (Recruiting pamphlet)
  • Imboden, John D. Virginia, the Home for the Northern Farmer: Three Letters from Gen. J.d. Imboden, Domestic Agent of Immigration for the State of Virginia, to Hon. Horace Greeley. New York: D. Taylor, 1869.
  • Imboden, John D. Lee at Gettysburg. New York, 1871.
  • Imboden, John D. Reminiscences of Lee and Jackson. New York, 1871.
  • Imboden, John D. The Coal and Iron Resources of Virginia: Their Extent, Commercial Value, and Early Development Considered. a Paper Read Before a Meeting of Members of the Legislature and Prominent Citizens in the Capitol at Richmond, February 19th, 1872. Richmond: Clemmitt & Jones, printers, 1872.
  • Imboden, John D. Important to All Interested in Virginia, U.S. London: Foreign and Colonial Estates Exchange Agency, 1873.
  • Imboden, John D. Jackson at Harper's Ferry in 1861. In Battles and Leaders of the Civil War, ed. by Robert U. Johnson and Clarence C. Buel (1884–1887). 1.1 (1884): 111-125.
  • Imboden, John D. Coal and Coke: Coal Interests of South Western Virginia. s.l., 1894.

Zie ook

Lijst van generaals in de Amerikaanse Burgeroorlog (Confederatie)