Lilian Posthumus-van der Goot

Wilhelmina Hendrika Posthumus-van der Goot
Lilian Posthumus-van der Goot
Algemene informatie
Volledige naam Wilhelmina Hendrika van der Goot
Geboren 2 mei 1897
Pretoria
Overleden 16 januari 1989
Amsterdam
Nationaliteit Vlag van Nederland Nederland
Beroep econoom, feministe
Bekend van grondlegger vrouwenbeweging, oprichting IAV, historisch overzichtswerk Van Moeder op Dochter
Portaal  Portaalicoon   Politiek

Wilhelmina Hendrika (Lilian) Posthumus-van der Goot (Pretoria, 2 mei 1897Amsterdam, 16 januari 1989) was een Nederlandse econoom, journalist, feminist en vredesactivist. Zij is vooral bekend als een van de oprichtsters van het Internationaal Archief voor de Vrouwenbeweging en als geschiedschrijfster van de vrouwenbeweging[1]. Lilian Posthumus-van der Goot deed als een van de eerste economen wetenschappelijk onderzoek naar de economische rol van vrouwen. Zij was nauw betrokken bij de oprichting van verschillende (internationale) vrouwen- en vredesorganisaties, en als radioredacteur en (weekblad)journalist bracht ze de vrouwenbeweging onder de aandacht van een breed publiek.

Jeugd en opleiding

Lilian Posthumus-van der Goot was de dochter van de ingenieur Fiepko van der Goot en Elisabeth Castens. Zij werd geboren in Zuid-Afrika en groeide op in Nederlands-Indië en Zwitserland. Zij deed de HBS in Batavia en behaalde in december 1914 een onderwijsakte Frans. Vanaf 1920 studeerde zij economie aan de Nederlandsche Handels-Hoogeschool te Rotterdam. Daar promoveerde ze in 1930 als eerste vrouw in Nederland tot doctor in de economie op het onderwerp De besteding van het inkomen; het indexcijfer van de kosten van levensonderhoud. In haar dissertatie stelde ze de consument centraal, waardoor het aandeel van vrouwen in de economie zichtbaar werd. Ze trouwde in 1931 met Nicolaas Posthumus, hoogleraar economische geschiedenis met wie ze één dochter, Claire Candide (1938-2021), kreeg. Zij scheidden in 1950.[2][3]

Vrouwenbeweging

Na haar promotie en huwelijk, leidde Posthumus-van der Goot enige jaren het leven van een getrouwde vrouw. Zij zorgde voor het huishouden, hielp haar man met het uitwerken van het statistische materiaal voor zijn geschiedenis van de Leidse lakenindustrie en met zijn studie van de Nederlandse prijsgeschiedenis[4].

Naar eigen zeggen was ze door Aletta Jacobs tijdens haar studie overgehaald om lid te worden van de Nederlandsche Vereeniging van Staatsburgeressen (later de Nederlandsche Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap - VVGS). Zij werd echter pas in 1934 echt actief binnen de vrouwenbeweging. De aanleiding hiervoor waren de beperkingen die de politiek tijdens de economische crisis aan gehuwde werkende vrouwen wilde opleggen. Zij was in 1935 een van de deelnemers bij een studieconferentie over dit onderwerp die de VVGS in Bilthoven had  geroganiseerd. Deze conferentie leidde tot de oprichting van het Jongeren Werk Comité (JWC) van de VVGS. De eerste voorzitter hiervan was Corry Tendeloo, het latere Tweede Kamerlid. Zij werd na een paar jaar als voorzitter opgevolgd door Posthumus-van der Goot. Het JWC zette een nieuwe toon in de vrouwenbeweging, waarbij het ging om waardering van vrouwelijkheid en positiviteit[1].

Posthumus-van der Goot speelde een belangrijke rol in het verzet tegen een voorontwerp van wet van minister C.P.M. Romme van Sociale Zaken uit 1937, dat betaalde arbeid buitenshuis van gehuwde vrouwen nagenoeg wilde verbieden. Uit Posthumus-van der Goots Onderzoek naar den arbeid der gehuwde vrouw in Nederland (1938) haalde de sociaal-economische en morele argumenten tegen werkende vrouwen onderuit[5]. Het onderzoek ondermijnde het tot dan toe gangbare beeld dat gehuwde werkende vrouwen maar een te verwaarlozen bijdrage aan het gezinsinkomen zouden leveren. Ook toonde ze aan dat het probleem niet was dat gehuwde vrouwen werkten, maar dat mannen geheel of gedeeltelijk werkloos waren. Posthumus-van der Goot was ook actief bij fondsenwerving voor de campagne tegen de wet en organiseerde samen met Mies Boissevain-van Lennep een 'briefkaartenregen' gericht aan het ministerie van Sociale Zaken.[2]

Samen met Johanna Naber en Rosa Manus richtte Posthumus-van der Goot in 1935 het Internationaal Archief voor de Vrouwenbeweging (IAV) op. Doel van het IAV was door middel van een archief en bibliotheek het erfgoed van vrouwen te bewaren, en wetenschappelijk onderzoek te bevorderen. Vanwege de Nederlandse wet die ervoor zorgde dat getrouwde vrouwen tot aan 1956 juridisch handelingsonbekwaam waren, moest Posthumus-van der Goot toestemming vragen aan haar man om het IAV op te kunnen richten. Op 2 december 1935 tekende hij een toestemmingsformulier dat haar in staat stelde het IAV mede op te richten en hiervoor een bedrag van 20 gulden van haar vermogen af te zonderen.[6] Vanaf 1943 voerde Posthumus-van der Goot overleg met Jane de Iongh over een unie van vrouwenorganisaties. In 1943 richtte De Iongh echter zonder dat Posthumus-van der Goot daarbij betrokken was de Unie van Vrouwelijke Vrijwilligers op. Daaruit kwam in 1944 het Nederlands Vrouwen Comité voort[5]. Daarnaast was Posthumus-Van der Goot initiatiefnemer voor de oprichting van de Huishoudraad (1950). Zij was bestuurslid van het Marie Jungius Fonds, en richtte in 1951 een adviesbureau voor vrouwen op. Zij was ook actief in de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen, de Vereniging van Vrouwen met een Academische Opleiding (VVAO) en de Bond van Vrouwen werkzaam in Bedrijf en Beroep.[3]

Radio en media

Posthumus-van der Goot werd in 1935 redactrice van de vrouwenpagina in De Groene Amsterdammer en wist zo de aandacht te vestigen op het werk van de vrouwenbeweging. In 1936 ging ze werken voor de AVRO, waar ze tot 1952 de eindredactie van radio-uitzendingen voor vrouwen verzorgde. Vooral haar Korte gesprekken van vrouw tot vrouw werden goed beluisterd. In 1949 richtte zij de International Association of Radio Women (IARW) op; tot 1956 was ze daarvan ook voorzitter voor de regio Europa en het Midden-Oosten.[7]

Tweede Wereldoorlog

Posthumus-van der Goot bood tijdens de oorlog onderdak aan een joods kind. In 2008 kreeg Van der Goot hiervoor (net als haar zus en man) postuum de onderscheiding Rechtvaardige onder de Volkeren.[8] Haar collega-oprichter van het IAV, de joodse Rosa Manus, overleefde de oorlog niet en een groot deel van de collectie van het IAV verdween door de sluiting van het instituut door de Duitse bezetter begin juli 1940. [3] Na de oorlog kwam slechts een klein deel van de geroofde collectie weer terug. [9]

Vredeswerk

Posthumus-van der Goot was behalve bij de vrouwenbeweging ook zeer betrokken bij de (vrouwen)vredesbeweging. In 1936 nam ze actief deel aan het congres van de Rassemblement universel pour la paix (RUP); zij was rapporteur van de economische commissie en was in die hoedanigheid betrokken bij het opstellen van het eindrapport van die commissie[10]. Zij publiceerde in 1961 een geschiedenis van de (vrouwen)vredesbeweging onder de titel Vrouwen vochten voor de vrede. Ze legde in haar publicaties de nadruk op de taak van vrouwen als moeders om vrede te stichten. Haar boek Vrede met een menselijk gezicht (1973) is een handleiding 'voor gewone mensen' over vredeswerk[11]. Ze speelde een rol in organisaties op het gebied van vrede en internationale samenwerking zoals het Nederlands Vrouwen Initiatief Comité Wereldjaar Internationale Samenwerking waarmee ze invulling gaf aan het Wereldjaar voor Internationale Samenwerking in 1965, en was oprichter van het International Scientific Institute for Feminine Interpretation (ISIFI), waardoor ze kon participeren in de wetenschappelijke congressen georganiseerd door de International Peace Research Organisation.[2][3]

Nalatenschap

Lilian van der Goot bij haar promotie in 1930.

Lilian Posthumus-van der Goot is tegenwoordig vooral bekend als de eindredacteur en mede-auteur van het boek Van moeder op dochter - het aandeel van de vrouw in een veranderende wereld (1948), dat wordt gezien als het belangrijkste overzichtswerk van de geschiedenis van de vrouwenbeweging in Nederland. Met haar werk voor het IAV en Van moeder op dochter heeft ze een belangrijke bijdrage geleverd aan de herinneringscultuur en geschiedschrijving van vrouwen en de vrouwenbeweging. Ten tijde van de tweede feministische golf werd ze gewaardeerd als ooggetuige van de geschiedenis en gezien als intermediair tussen het kiesrechtfeminisme en het feministisch activisme van die jaren[12]. Posthumus-van der Goot zelf bleef tot haar dood betrokken bij de vrouwenbeweging en was positief over de Dolle Mina-beweging. Ze was minder te spreken over felle feministische organisaties in Amerika en Frankrijk als Womens Lib en de Torchon qui brule, die naar haar mening te bitter waren.[13] Op haar vijfentachtigste verjaardag in 1982 werd Posthumus vanwege haar verdiensten voor de vrouwenbeweging benoemd tot officier in de Orde van Oranje-Nassau.[7]

Publicaties (selectie)