Wilhelm Koppe

Wilhelm Koppe
SS-Gruppenführer Wilhelm Koppe, 1938 maar waarschijnlijk eerder.
SS-Gruppenführer Wilhelm Koppe, 1938 maar waarschijnlijk eerder.
Geboren 15 juni 1896
Hildesheim, Provincie Hannover, Koninkrijk Pruisen, Duitse Keizerrijk
Overleden 2 juli 1975
Bonn, Noordrijn-Westfalen, West-Duitsland
Kieskring 16[1][2]
14[1][3]
Regio Südhannover-Braunschweig[1][2]
Weser-Ems[1][3]
Land Vlag van nazi-Duitsland nazi-Duitsland
Politieke partij NSDAP
Partner Käthe Lohmann (1900 - 1980)
Beroep Koopman[2]
Religie Evangelisch[4][2] vanaf 1933: Gottgläubig[3][5][4]
Staatssecretaris in het Generaal-gouvernement
Aangetreden 9 november 1943[6][7]
Einde termijn April 1945[6][7]
Leider(s) Hans Frank
Voorganger Friedrich-Wilhelm Krüger
Opvolger Ambt opgeheven
Parlementslid[8] in de Rijksdag
Aangetreden 12 november 1933[1][7]
Einde termijn 8 mei 1945[1][7]
HSSPF Warthegau
Aangetreden 9 oktober 1939[9][10][7]
Einde termijn 9 november 1943[9][7][10]
Leider(s) Heinrich Himmler
Voorganger Ambt opgericht
Opvolger Theodor Berkelmann
HSSPF Süd
Aangetreden 20 april 1945[7][6][11]
Einde termijn 8 mei 1945[7][6][11]
Leider(s) Heinrich Himmler
Voorganger Karl von Eberstein
Opvolger Ambt opgeheven
Portaal  Portaalicoon   Politiek

Karl Heinrich Wilhelm Koppe (Hildesheim, 15 juni 1896Bonn, 2 juli 1975) was een Duitse officier, SS-Obergruppenführer (luitenant-generaal) en generaal in de Waffen-SS en de politie. Hij was Höherer SS- und Polizeiführer in het Rijksgouw Wartheland en tevens parlementslid voor de NSDAP in de Rijksdag.

Koppe gaf opdracht tot de moord op meer dan 2.000 geestelijk gehandicapten in Oost-Pruisen en was tijdens de Tweede Wereldoorlog mede verantwoordelijk voor de uitvoering van de Holocaust in het westelijke deel van Polen.

Leven

Wilhelm was de zoon van gerechtsdeurwaarder[4] Robert en diens echtgenote Franziska Koppe (geboortenaam Ising).[5] Beide ouders werden in 1945 door Russische troepen geëxecuteerd, nadat bekend was geworden dat zij de ouders waren van een hoge SS-officier.[5]

Eerste Wereldoorlog

Koppe kreeg privéonderwijs in Stolzenau en bezocht de hogere scholen in Stolzenau, Harburg en Wilhelmsburg. Na zijn het behalen van zijn Abitur[4][1] meldde hij zich in oktober 1914 als Kriegsfreiwilliger (oorlogsvrijwilliger) voor de Eerste Wereldoorlog en werd geplaatst bij het Schleswig-Holstein Pionier-Bataillon Nr. 9. In januari 1915 kwam hij met het 2e Veldcompagnie van het bataljon aan het Westfront. In december 1916 werd Koppe bevorderd tot Leutnant der Reserve (tweede luitenant in de militaire reserve). In januari 1917 werd Koppe als bataljons-gas-officier ingezet in Vlaanderen en raakte gewond.

Interbellum

Na de wapenstilstand van Compiègne en zijn demobilisatie werd Koppe in december 1918 ontslagen werd uit het Deutsches Heer. Hij werkte als zelfstandige koopman en uitbater en had een groothandel in tabakswaren en levensmiddelen.[4]

In maart 1925 trouwde Koppe met Käthe Lohmann (geboren 10 april 1900 te Harburg-Wilhelmsburg - 20 september 1980).[4][5] Het echtpaar kreeg een dochter (22 juli 1926) en zoon (26 november 1930 - 5 oktober 1986)[4][5], de dochter trouwde later met de aristocraat Arnold von Rotberg een afstammeling van de generaal en waarnemend minister in het Koninkrijk Beieren Eduard Anton von Rotberg.

In september 1930 werd Wilhelm Koppe lid van de NSDAP en de Sturmabteilung (SA).[12] In november 1933 was hij kandidaat voor de Rijksdag en werd voor de regio's Zuid-Hannover-Brunswijk en later voor Weser-Ems gekozen. Hij behield zijn zetel tot het einde van de Tweede Wereldoorlog.

Begin 1932 stapte Koppe over naar de SS. Hij maakte snel carrière binnen de Schutzstaffel en werd in april 1933 bevorderd tot SS-Standartenführer (kolonel).[13] Samen met zijn bevorderingen tot SS-Oberführer en SS-Brigadeführer (brigadegeneraal) voerde Koppe het commando over de SS-Abschnitte XVII en de SS-Oberabschnitte "Südwest". De Reichsführer-SS Heinrich Himmler werd zich van hem bewust en bevorderde hem in september 1936 tot SS-Gruppenführer (generaal-majoor).[12] Himmler commandeerde Koppe naar Saksen om daar Lothar Beutel op te volgen als hoofd van de SD-Oberabschnitt Elbe. Tegelijk werd hem de leiding over de Staatspolizeileitstelle Dresden (vrije vertaling: staatspoltie meldkamer) overgedragen,[14] terwijl Koppe geen ervaring met de politie of de inlichtingendienst had.[12] De achtergrond van Himmlers besluit voor de personeelswissel, was zijn hoop dat Koppe zich zou laten gelden in het competentiegeschil tussen de gouwleider Martin Mutschmann en de Gestapo.

Formeel was Koppe, als verantwoordelijke voor politieke en politionele zaken bij het Saksische ministerie van Binnenlandse Zaken, verplicht de deelstaatregering informatie te verstrekken over de activiteiten van de geheime politie in de deelstaat. Aan de andere kant mocht deze insinuatie niet in strijd zijn met de instructies van zijn meerdere, Reinhard Heydrich. Koppe, die in Dresden woonde en werkte, concentreerde zich vooral op zijn werk als hoofd van de Gestapo. Het meeste werk voor de SD liet hij over aan zijn plaatsvervanger in Leipzig, het hoofdkwartier van de SD-Oberabschnitt Elbe.[15] In maart 1938 werd hij benoemd tot plaatselijk Inspekteur der Sicherheitspolizei und des Sicherheitsdiensten für Sachsen (vrije vertaling: Inspecteur van de Veiligheidspolitie en de Veiligheidsdiensten voor Saksen).[14]

Tweede Wereldoorlog

Na de Poolse Veldtocht werd Koppe eind september 1939 belast in het Militärbezirk Posen met de organisatie van de Volksdeutscher Selbstschutz (vrije vertaling: Volksduitse Zelfbescherming) en de opbouw van de SS- en politie-eenheden. Op 26 oktober 1939 volgde zijn benoeming tot HSSPF Warthegau met zijn kantoor in Posen. Tegelijk was Koppe Reichskommissars für die Festigung deutschen Volkstums (vrije vertaling: gevolmachtigden voor de hervestiging van Volksduitsers).[13] In een brief van 12 november 1939 schreef hij aan het Generaal-gouvernement dat 100.000 Joden en 200.000 Polen uit zijn gebied (vooral uit Posen, Łódź, Gnesen en Hohensalza) moesten worden verdreven om plaats te maken voor Baltische Duitsers.[16]

Aan het einde van mei en het begin van juni 1940 organiseerde Koppe de massamoord met behulp van gaswagens op 1558 Duitse en ongeveer 300 Poolse gehandicapte mensen in het Oost-Pruisische doorgangs- en concentratiekamp Soldau. De uitvoering werd verricht door het Sonderkommando Lange, dat onder zijn bevel stond. Op 18 oktober 1940 schreef hij aan de HSSPF Nord-Ost, Jakob Sporrenberg, dat hij met Sporrenbergs voorganger, Wilhelm Rediess, een bedrag van 10 RM was overeengekomen voor de "evacuatie" van elke zieke persoon en dat hij nu de resterende 15.580 RM eiste. Later informeerde Koppe bij Himmler of 30.000 ongeneeslijk zieke Poolse tuberculosepatiënten konden worden gedood.[17]

Koppe was hoofdverantwoordelijke voor de deportatie van de Joden uit het Ghetto Litzmannstadt naar het vernietigingskamp Kulmhof. Op 10 september 1941 zond hij Himmler een brief waarin hij aanbod om de 60.000 Joden uit het Duitse Rijk op te nemen in het getto.[18] In opdracht van de gouwleider Arthur Greiser en Koppes richtte het Sonderkommando Lange in Chełmno nad Nerem een vernietigingskamp op. Van december 1941 af vonden er massamoorden op Joden en “zigeuners” plaats met behulp van gaswagens.[19] Koppe droeg het toezicht op het Sonderkommando Lange, dat officieel onder zijn bevel stond, over aan de plaatselijke Inspekteur der Sicherheitspolizei und des SD Ernst Damzog.

Van 9 november 1943 werd hij als opvolger van de staatssecretaris voor Veiligheid in de regering van het Generaal-gouvernement en HSSPF Ost Friedrich-Wilhelm Krüger onder de Gouverneur-Generaal Hans Frank. In deze functies was hij verantwoordelijk voor de nazimisdaden binnen het Generaal-gouvernement en was hij direct ondergeschikt aan de gouverneur-generaal. Omdat de Koppe als staatssecretaris echter ook Himmlers vertegenwoordiger bij de RKFdV was, kon hij ook rechtstreeks bevelen aan Koppe geven. Begin juli 1944 werd Koppe bevorderd tot generaal in de Waffen-SS.

Op 11 juli 1944 overleefde hij een moordaanslag door strijders van het Armia Krajowa in Krakau. Dit nadat twintig verzetsstrijders het vuur openden op zijn gepantserde dienstvoertuig kort nadat deze was vertrokken vanaf het Koninklijke Kasteel van Wawel. Koppe wist zich te verschuilen op de vloer van de wagen, maar zijn adjudant raakte dodelijk gewond. Twee aanvallers kwamen om bij het incident en drie raakten ernstig gewond en werden elf dagen later geëxecuteerd.[20][6]

In de laatste fase van de Tweede Wereldoorlog werd Koppe commandant van de Sonderstab III van de Heeresgruppe Weichsel. Op 20 april 1945 verving hij de HSSPF Süd SS-Obergruppenführer Karl von Eberstein, die wegens “defaitisme” en op aandringen van Martin Bormann en met de toestemming van Heinrich Himmler uit zijn functie werd gezet.[21][22]

Na de oorlog

In mei 1945 vluchtte Koppe met de zogenaamde Rattenlijn Noord met valse papieren identiteitspapieren en nam hij een alias aan (Lohmann, de achternaam van zijn vrouw). Hij werd directeur van een chocoladefabriek Sarotti in Bonn. In 1960 werd hij geïdentificeerd en gearresteerd, maar op 19 april 1962 op borgtocht vrijgelaten. In de toenmalige bondshoofdstad werkte zijn dochter als secretaresse bij het Bondsministerie van Defensie.[15] Zijn zoon Manfred Lohmann werkte als advocaat in Bonn en lobbyde begin jaren zestig, samen met Werner Best, bij politici voor straffeloosheid voor nazidaders.[23]

Begin jaren zestig werd hij onderzocht wegens moordoperaties in het oosten binnen zijn verantwoordelijkheidsgebied. Op 1 februari 1960 werd hij gearresteerd en direct in hechtenis genomen. Tijdens de verhoren ontkende Koppe zijn verantwoordelijkheid voor het vernietigingskamp Kulmhof. Op 2 februari 1960 verklaarde hij tijdens zijn getuigenis: "Destijds betekende ‘evacuatie’ de fysieke uitroeiing van de Joden".

In 1961 legde Adolf Eichmann tijdens zijn proces in Israël belastende verklaringen tegen Koppe af, die werden doorgestuurd naar het Openbaar Ministerie in Bonn. Koppe werd op 19 april 1962 echter op borgtocht vrijgelaten (30.000 DM). In 1964 werd in Bonn een gerechtelijke procedure tegen hem geopend. Daarbij werd hij onder meer in verband gebracht met het bloedbad in Kulmhof en aangeklaagd wegens “verdenking van medeplichtigheid aan massamoord in 145.000 gevallen”.

De procedure werd vervolgens om “gezondheidsredenen” opgeschort. In 1966 wees het Landgericht van Bonn de opening van het hoofdproces uiteindelijk af wegens ziekte.[4][24]

De Frankfurter Allgemeine Zeitung merkte naar aanleiding van de zaak op: "Koppe, van wiens verleden in Bonn niemand iets wist, speelde tot aan zijn arrestatie een aanzienlijke rol in de samenleving van de federale hoofdstad".[25]

Koppe leefde daarna ongestoord verder tot aan zijn overlijden in 1975 en werd begraven op de begraafplaats Rüngsdorf, Bad Godesberg; afd.: 1, graf: 333/334[26]

Carrière

Koppe bekleedde verschillende rangen in zowel de Allgemeine-SS als Waffen-SS. De volgende tabel laat zien dat de bevorderingen niet synchroon liepen.

Datums Deutsche Heer NSDAP Sturmabteilung Allgemeine-SS Politie Waffen-SS Generaal-gouvernement
Oktober 1914[27][7][1]Kriegsfreiwilliger
December 1916[2][7][24]Leutnant der Reserve[27]
December 1930[7][1]Pressereferent der NSDAP
Juni[7] 1931[28]SA-Mann
1931[7][1]SA-Truppführer
2 januari 1932[7][1]SS-Anwärter
19 februari 1932[7][1]SS-Truppführer
8 november 1932[1]
(met ingang van 1 september 1932[29][1][24])
SS-Sturmhauptführer
20 februari 1933[1]
(met ingang van 30 januari 1933[29][1][24])
SS-Sturmbannführer
24 april 1933[1]
(met ingang van 20 april 1933[29][2][3][1][24])
SS-Standartenführer
21 april 1934[1]
(met ingang van 20 april 1934[29][3])
SS-Oberführer
30 augustus 1934[1]
(met ingang van 20 augustus 1934[29][30][1])
SS-Brigadeführer
13 september 1936[4][31][3][3][1][24]SS-Gruppenführer
10 juni 1941[4][32][1]Generalleutnant der Polizei
30 januari 1942[4][1][33][24]SS-ObergruppenführerGeneral der Polizei[8]
9 november 1943[1][7]Staatssekretär[8]
1 juli 1944[1][7][4][24]General der Waffen-SS

Lidmaatschapsnummers

Onderscheidingen

Selectie:

  • (de) Lebenslauf, Wilhelm Koppe.
  • (de) SS-Stammrolle Wilhelm Koppe.