Widdringtonia
| Widdringtonia | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
![]() | ||||||||||||||
| Widdringtonia whytei | ||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Geslacht | ||||||||||||||
| Widdringtonia Endl. (1842) | ||||||||||||||
![]() | ||||||||||||||
| Widdringtonia whytei | ||||||||||||||
| Afbeeldingen op | ||||||||||||||
| Widdringtonia op | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
Widdringtonia is de botanische naam van een geslacht uit de cipresfamilie (Cupressaceae).
Soorten
Het geslacht omvat vier soorten:[1]
- Widdringtonia cedarbegensis
- Widdringtonia nodiflora
- Widdringtonia schwarzii
- Widdringtonia whytei
W. nudiflora komt wijdverspreid voor in zuidelijk Afrika. De andere drie hebben een beperkt verspreidingsgebied en komen vaak samen met of vlakbij W. nudiflora voor.
| Afbeelding | Wetenschappelijke naam | Verspreidingsgebied |
|---|---|---|
![]() |
Widdringtonia nodiflora | Wijdverbreid, in het zuiden van Malawi tot aan de provincie West-Kaap, Zuid-Afrika. |
![]() |
Widdringtonia schwarzii | Endemisch, Baviaanskloof en Kouga-gebergte (ten westen van Port Elizabeth ), provincie Oost-Kaap, Zuid-Afrika. |
| Widdringtonia cedarbergensis | Endemisch in het Cederberggebergte (ten noordoosten van Kaapstad ), provincie West-Kaap, Zuid-Afrika . | |
![]() |
Widdringtonia whytei | Endemisch, Mulanje-massief, Malawi. |
De nauwste verwanten van Widdringtonia zijn Callitris en Actinostrobus uit Australië . Deze soorten verschillen van Widdringtonia doordat hun kegels en bladeren in kransen van drie staan, en niet in tegenoverliggende paren.
Beschrijving
Dit geslacht omvat grote, groenblijvende struiken en bomen, die 5–20 m hoog worden (W. whytei tot 40 m). Jonge exemplaren hebben naaldachtige bladeren die in spiralen gerangschikt zijn. De schubachtige bladeren bij volwassen planten zijn in kruisvormige, tegenover elkaar staande paren in vier rijen langs de twijgen gerangschikt.[2]
De planten zijn tweehuizig. De kleine mannelijke kegels groeien aan de uiteinden van twijgen. De schubben hebben geen steeltjes. Ze hebben twee tot zes stuifmeelzakjes aan de basis van de kegel.[2]
De vrouwelijke kegels zijn klein en steelloos en groeien als korte plukjes aan de takken. De schubben staan in twee tegenoverliggende rijen en spreiden zich tijdens de bestuiving uit naar de basis. Vervolgens sluiten ze zich tot een kurkachtige, leerachtige kegel met vijf of meer zaadknoppen aan de basis van elke schub. Naarmate de kegels ouder worden, worden ze meer houtachtig.
De kegels blijven meestal jarenlang gesloten op de bomen en gaan pas open nadat ze door een bosbrand zijn verschroeid. De zaden komen dan vrij en kunnen op de pas vrijgekomen, verbrande grond ontkiemen. Ze openen zich als vier zeer dikke kleppen die overeenkomen met de vier schalen.[2] Elke kegel produceert een beperkt aantal zaden. Ze lijken op vleugeltjes met twee zaadlobben.[2]
Bij W. whytei openen de kegels zich al kort nadat ze volgroeid zijn om het zaad af te werpen zonder dat er brand ontstaat. Deze soort is gevoeliger voor brand en groeit alleen op vochtige plekken waar hij beschermd is tegen brand. De soort die het beste tegen vuur is aangepast is W. nodiflora, die zowel vanuit de wortels als via zaad opnieuw kan groeien.
Gebruik
Het hout is licht, zacht en aromatisch. Het is gemakkelijk te splijten en zeer duurzaam. Het wordt gebruikt voor de productie van meubilair, binnen- en buitenpanelen en hekpalen. Met name W. whytei was in het verleden bijzonder waardevol omdat het in grote maten beschikbaar was. Deze soort wordt nu echter met uitsterven bedreigd en wordt niet meer zoveel gekapt.



