Verdronken Weide
| Verdronken Weide | ||
|---|---|---|
| Natuurgebied | ||
![]() | ||
| Situering | ||
| Land | ||
| Locatie | Ieper | |
| Coördinaten | 50° 50′ NB, 2° 54′ OL | |
| Informatie | ||
| Oppervlakte | ca. 0,4 km² | |
| Beheer | Agentschap voor Natuur en Bos | |
| Foto's | ||
![]() | ||
Informatiebord | ||
De Verdronken Weide is een natuurgebied nabij de West-Vlaamse stad Ieper. Het wordt beheerd door het Agentschap voor Natuur en Bos en het meet iets meer dan 40 ha. Het ligt ingesloten tussen de Jaime Picanollaan, Rijselseweg, Komenseweg en Zillebekevijverdreef. Dit vormt het laatste deel van een groot inundatiegebied dat in de 17e en 18e eeuw ten zuiden van Ieper lag. Dit had als doel om de vijand ver weg van de stad te houden.[1]
Van 1992-1996 werd dit gebied ingericht als waterbergingsgebied. Vooral het water van de Bollaertbeek wordt hier gebufferd. Ook wordt dit water gebruikt voor de productie van drinkwater.
Het gebied werd in de 13e- en 14e eeuwse bloeiperiode van Ieper druk bewoond en maakte deel uit van de Sint-Michielsparochie, een van de vijf buitenparochies van de stad. De wijk werd definitief verwoest tijdens het Beleg van Ieper in 1383 en nadien nooit meer heropgebouwd[1]
De grootschalige werken die begonnen in 1992 vormden de aanleiding voor verschillende opgravingscampagnes.
Betekenis van de naam
De naam 'Verdronken Weide' verwijst naar het feit dat het om een nat en onherbergzaam gebied ging in het verleden. Ook vandaag is de naam nog passend, gezien het voorkomen van een waterbergingsgebied.[1]
Natuur
In het gebied komen vijf beken toe in de Ieperlee (die van daaruit naar de stad stroomt): de Bollaertbeek, de Klijtgatbeek, de Vijverbeek, de Pollepelbeek en de Spoorwegbeek.[1]
In het gebied bevindt zich een diepe plas, aan de oever waarvan zich vele oeverplanten bevinden. Ook zijn er graslanden met wisselende waterstanden, waar moeraszuring, zilverschoon, veerdelig tandzaad, fraai duizendguldenkruid en platte rus aangetroffen worden.
In het gebied komen meer dan 160 vogelsoorten voor. Zeldzame soorten zijn onder meer: zomertaling, slobeend, kleine plevier, kluut, rietzanger, waterral en blauwborst.
Een deel van het gebied wordt begraasd door runderen. Men kan er ook wandelen en er is een vogelkijkhut.
Het gebied kent een heel rijke geschiedenis; deze werd onderzocht tijdens de grootschalige opgravingen naar aanleiding van de waterwerken in de jaren 1992-1996.
Geschiedenis van de Sint-Michielsparochie
De Verdronken Weiden heeft een zeer rijke geschiedenis. In de middeleeuwen kreeg het gebied de naam 'Ketelquat'. 'Ketel' wil zo veel zeggen als een dal met betrekkelijk steile wanden, terwijl Quat niet veel meer dan 'vol onkruid' krijgt als betekenis. In de Karolingische periode was het gebied van de Verdronken Weiden een laaggelegen, quasi onbewoonbaar, moerassig terrein met veel water en onkruid. Het vele water in het gebied was zeer belangrijk, aangezien het de stadsbewoners moest bevoorraden.[1] De Verdronken Weiden beslaan een deel van de Sint-Michielsparochie, een van de buitenwijken van Ieper.
De Sint-Michielsparochie (eerste vermelding: 1249) vormde een van de vier buitenwijken rondom Ieper, naast Sint-Jan, Onze-Lieve-Vrouw ten Brielen en Sint-Kruis. Aanvankelijk ontwikkelde de parochie zich langs de Rijselseweg en pas later langs de Komenseweg. Het gebied tussen de beide straten werd pas ingenomen in het laatste kwart van de 13e eeuw. De parochie werd vermoedelijk vooral bewoond door gezinnen die actief waren in de lakenproductie. Het gaat om de beroepen die 'minder welkom' waren in de stad omwille van overlast zoals geurhinder en die voor hun activiteiten veel water nodig hadden, zoals vollers (ze moesten het laken tijdens de verschillende fasen van het productieproces immers kunnen spoelen). Maar ook lakenwevers of drapiers woonden in de wijk.[1]
Bij het begin van de 14e eeuw (1303) zijn er grote wijzingen in de stad op te merken. Er wordt een 7,5 km lange omwalling of Uterste Veste gebouwd, waardoor de buitenwijken in binnen de stadsverdediging worden opgenomen. Deze omwalling wordt na 1383 niet meer heropgebouwd en men keert terug naar de eerste omwalling. [2]
Als eenmaal de textielproductie begint af te nemen, zo rond 1320, zullen ook de bevolkingsaantallen dalen. [1]
Een aantal straatnamen verschijnt zeer vroeg in de historische bronnen, zoals de Komenstraat die al in 1216 wordt vernoemd en doorsnijdt de Verdronken Weiden in noord-zuidelijke richting. Op het einde van de 12e eeuw was dit al een belangrijke handelsweg. In 1281 wordt de 'Leggherstraat' voor het eerst vermeld. [1]
In deze periode werd de Bollaertbeek ook 'Nieuwe Leye' genoemd.[1]
Naar aanleiding van het Beleg van Ieper in 1383 gaan de Ieperlingen de wijk zelf vernielen, dit om de vijand geen kans te geven. Nadien wordt het gebied nooit meer opnieuw bebouwd. In de 17e en 18e eeuw wordt het volledige gebied onder water gezet, naar aanleiding van de verdedigingswerken die werden uitgevoerd door Vauban.[2]
Archeologisch onderzoek en resultaten
Naar aanleiding van de aanleg van een drinkwaterbekken en een wachtbekken werden vanaf 1992 noodopgravingen uitgevoerd. Aangezien er in het verleden nooit grote bouwwerken werden gerealiseerd is het bodemarchief grotendeels bewaard gebleven. Tijdens grootschalige opgravingscampagnes tussen 1992 en 2000 zijn verschillende zones onderzocht. Dit leverde verschillende uitzonderlijke vondsten op.
Tijdens de opgravingen konden delen van de Sint-Michielsparochie worden vrij gelegd, deze bevond zich deels ter hoogte van de Verdronken Weide.

Er werden verschillende huizen en ateliers aangetroffen, stukken van de Komenstraat, de Nieuwe Leye, een haventje, delen van de Komenpoort, delen van de Uterste Veste, percelleringsgrachten en artisanale kuilen. Er werden ook verschillende sporen gevonden die wijzen op de lakennijverheid die zorgde voor de bloeiperiode van de stad. Er werden veel voorwerpen blootgelegd: aardewerk, metalen voorwerpen zoals insignes, houten voorwerpen, dierlijk botmateriaal en leren voorwerpen zoals schoenen en messchedes.
Artisanale werkkuil
In een van de kuilen (4 x 9 x 1,8 m) konden heel wat archeologische vondsten worden aangetroffen. De kuil werd vermoedelijk gebruikt voor artisanale doeleinden. Het vondstmateriaal bestaat onder meer uit munten, die toelaten om de kuil te dateren in de late 13e of het begin van de 14e eeuw.[1]
Uterste Veste
Dit was de uiterste stadsomwalling, die werd aangelegd tussen 1303 en 1328. Hij had een totale lengte van 7,5 km en werd ontmanteld na 1383. De omwalling bestond uit een enkelvoudige gracht met een breedte van 18 m en ca. 1,75 m diep. Tijdens de opgravingen kon deze over een afstand van 600 m gevolgd worden. Er kon ook een volledige doorsnede of coupe geplaatst worden op de stadsgracht.[1]
Nieuwe Komenpoort
Op de kruising van de Uterste Veste en de Komenstraat konden de resten van de Nieuwe Komenpoort worden herkend. Het vrijgelegde deel heeft een L-vorm en was opgebouwd uit gele polderbaksteen met een formaat van 25 x 12 x 6 cm. Daarnaast konden ook enkele elementen van het bruggenhoofd herkend worden. De onderbouw van het bruggenhoofd bestond uit een combinatie van rode en gele bakstenen (formaat: 25 x 12 x 6 cm). Mogelijk ging het hier om een combinatie van een waterpoort en een traditionele stadspoort. Over de datering van deze poort bestaat zekerheid dankzij stadsrekeningen en andere archivalia. Zo is vermeld dat er arbeiders betaald werden tussen 9 augustus en 11 november 1315 voor werkzaamheden uitgevoerd tussen 'les 2 portes de Komen'. Dit laat toe te besluiten dat de poort er in 1315 al stond of gestaan had. In het voorjaar van 1326 worden nog werken uitgevoerd. In 1328 werden de Vlamingen in de Slag bij Kassel verslagen, waarna heel wat versterkingen werden afgebroken, zo ook deze poort. Maar in 1331 zijn de grachten opnieuw uitgegraven en er werd een nieuwe brug gebouwd bij de 'Nieuwe Komenpoort' die in 1336 werd gebouwd.[1]
Komenstraat
Zoals eerder aangegeven vormde deze straat een van de belangrijkste straten in de parochie. Vermoedelijk bestond ze voorafgaand aan de parochie uit een eenvoudige landweg, waarvan het tracé min of meer het verloop van de Komenbeek volgde. In 1326 werd de weg heraangelegd en de straat werd in de opgravingscampagne van 1993 meermaals aangesneden. Er kon worden vastgesteld dat de weg was opgebouwd uit een ophogingspakket van zandleem, waarboven een dunne laag van keien en kalksteenfragmentjes was geplaatst. Boven deze onderbouw werden dan kasseien gelegd, deze werden op een plaats nog in situ aangetroffen. Toen de straat werd heraangelegd was duidelijk rekening gehouden met de afwatering ervan. De straat was aan de westzijde geflankeerd door de Komenbeek en aan de oostzijde door een v-vormige gracht, die weliswaar minder diep was dan de beek. Daarnaast was onder de Komenstraat ook nog een riolering aangelegd. De vulling van de Komenbeek was rijk aan archeologische objecten, zoals aardewerk, lederen en metalen voorwerpen (zoals wapenuitrusting en veel munten van Lodewijk II van Nevers (1304-1346)). Aan de beide zijden van de straat konden heel wat plattegronden van huizen herkend worden, vaak met bijbehorende werkruimte of ateliers.[1]
Gebouwen
In 1993 werd een relatief groot gebouw vrijgelegd met een maximaal bewaarde lengte van ca. 14,40 m en breedte van ca. 8,25. Er bleven echter enkel funderingsfragmenten bewaard. Het gebouw kon worden opgedeeld in 3 delen: een gang en 2 kamers en in een van de kamers werd een bakstenen haardvloer herkend. Op basis van de funderingen kan verondersteld worden dat dit gebouw een verdieping droeg, maar over het verdere uitzicht van het gebouw wordt in het duister getast. Vermoedelijk gaat het om een eenvoudige woning gebouwd in hout en steunend op een bakstenen onderbouw. Een andere woning bestond uit een oppervlakte van om en bij 9 x 5 m. en de opdeling binnenshuis kon niet worden achterhaald. En van een derde huis konden slechts enkele funderingselementen herkend worden, een volledig grondplan is niet te herkennen. De overige delen waren immers verwoest door bomkraters uit de Eerste Wereldoorlog. Een laatste gebouw, eveneens met oriëntatie op de Komenstraat, bestond opnieuw uit een bakstenen basis en het kende twee kamers. De woning werd vermoedelijk omstreeks het midden van de 14e eeuw afgebroken, waarna een nieuwe woning op deze plek verrees met een lichtjes andere oriëntatie.[1]
Naast de verschillende woningen werden ook sporen van enkele lichte constructies aangetroffen, die vermoedelijk als ateliers kunnen worden geïnterpreteerd. Gezien de lichte opbouw is er nauwelijks iets van bewaard gebleven.[1]
- 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 Van Bellingen, Stephan, Dewilde, Marc; Mus, Octaaf (1993). De verdwenen Sint-Michielswijk te Ieper (prov. West-Vlaanderen). Interimverslag 1993. Archeologie in Vlaanderen 3: 255-280
- 1 2 Stubbe, Lieven, Dendooven, Dominiek; Termote, Johan; Vanderghote, Philippe (2003). Vesting Ieper. Wandeling in een historisch landschap.

_(11).jpg)