Veldtocht van Maximiliaan van Beieren
| Veldtoch van Maximiliaan van Beieren | ||||
|---|---|---|---|---|
| Onderdeel van de Dertigjarige Oorlog | ||||
![]() | ||||
Slag bij Rakovník (boven) en de slag op de Witte Berg (onder) | ||||
| Datum | ca. 10 juli - 9 november 1620 | |||
| Resultaat | Katholieke overwinning | |||
| Casus belli | Boheemse Opstand | |||
| Strijdende partijen | ||||
| ||||
| Leiders en commandanten | ||||
|
| ||||
| Troepensterkte | ||||
| ||||
De veldtocht van Maximiliaan van Beieren was een militaire operatie onder leiding van hertog Maximiliaan I van Beieren met als doel het onderdrukken van de Boheemse Opstand.
Voorgeschiedenis
De veldtocht vond plaats in het derde en laatste jaar van de Boheemse Opstand. Deze opstand begon in 1618 toen de Staten van Bohemen besloten aartshertog Ferdinand II af te zetten als koning van Bohemen. De Staten beriepen zich daarbij op de Majesteitsbrief van keizer Rudolf II, die godsdienstvrijheid garandeerde in de landen van de Boheemse Kroon. Ferdinand zag dit als onwettig en stelde militair strateeg Bucquoy aan om de opstand te onderdrukken. Bucquoy en zijn rechterhand Dampierre hadden echter weinig succes. Tot overmaat van ramp sloten Hongarije en de protestantse statenleden van Opper- en Neder-Oostenrijk zich bij de Opstand aan. In augustus 1619 werd de protestantse vorst Frederik V, keurvorst van de Palts door de Staten gekozen als nieuwe koning van Bohemen.

Om uit de impasse te komen moest Ferdinand op zoek gaan naar bondgenoten. Op 9 september 1619 werd hij in Frankfurt gekroond tot keizer van Duitsland. Daarna ging hij, begeleid door de Spaanse diplomaat Oñate, naar München voor overleg met Maximiliaan I van Beieren, de leider van de Katholieke Liga. Maximiliaan wilde de nieuwe keizer niet helpen zonder steun van Spanje. Deze steun werd door Oñate toegezegd, maar Maximiliaan wilde meer.
Oñate overtuigde de keizer ervan om naast Bohemen ook de Palts te veroveren en de keurvorstentitel die bij dit vorstendom hoorde aan Maximiliaan te geven. Maximiliaan en Frederik V kwamen allebei uit het Huis Wittelsbach en dus zou de overdracht gemakkelijk uitvoerbaar zijn. Op 8 oktober 1619 werd het Verdrag van München ondertekend. In ruil voor ruimhartige compensatie voor Maximiliaan[1] werd het leger van de Liga onder keizerlijk gezag geplaatst. Ook Spanje werd bij dit plan betrokken.[2] Een groot leger van veteranen zou vanuit de Zuidelijke Nederlanden de Palts aanvallen, het thuisland van Frederik V.
Verloop
_-_General_Tilly_-_82_-_Bavarian_State_Painting_Collections.jpg)
Op 5 december 1619 keurden de leiders van de Katholieke Liga goed dat bij Würzburg een leger van 21.000 voetvolk en 4.000 ruiters werd gemobiliseerd.[3] Als opperbevelhebber werd de Zuid-Nederlandse edelman Johan t'Serclaes van Tilly benoemd. Later kwamen hier nog 5.000 soldaten bij, waardoor het totaal aantal troepen op 30.000 kwam.[4] Uit angst om het oorlogsgebied te vergroten werd op 3 juli 1620 een neutraliteitsverdrag gesloten met de Protestantse Unie, bekend als het Verdrag van Ulm.


Ongeveer een week later, rond 10 juli, trok het Ligaleger vanuit Beieren de grens over met Opper-Oostenrijk. De veldtocht had aanvankelijk meer het karakter van een strafcampagne dan van een oorlog. In de zomer van 1620 werden Opper- en Neder-Oostenrijk bezet en werden de protestanten daar zwaar vervolgd.[5] De protestantse statenleden werden onteigend en de godsdienstvrijheid in Oostenrijk werd aan banden gelegd. Daarna werd het Ligaleger bij het keizerlijk leger gevoegd en trok het gezamenlijk richting Praag.

Op 21 september 1620 viel dit leger onder leiding van Maximiliaan en Bucquoy het koninkrijk Bohemen binnen via de stad Nové Hrady. Het vermoeden bestond dat dit leger naar Pilsen zou trekken, waar het Boheemse huurlingenleger van Ernst van Mansfeld gelegerd was. Om die reden besloot opperbevelhebber Christiaan van Anhalt tot een tactische terugtrekking van het Boheemse leger naar het noorden tot bij Zbenice. Hierdoor had het keizerlijke leger vrij spel in Zuid-Bohemen en nam het de ene na de andere stad in.[6] Op 27 september werd Prachatice ingenomen door Bucquoy.
Ondertussen onderwierp Maximiliaan de stad Vodňany aan een zwaar bombardement, waarna het daar aanwezige garnizoen van ongeveer 400 man uitgemoord werd. Voor de komst van het keizerlijk leger had Balthasar Marradas in Zuid-Bohemen al het stadje Týn nad Vltavou ingenomen. Alleen Třeboň werd nog bezet door een garnizoen van betekenis. Maximiliaan besloot daarom niet Třeboň, maar Písek te belegeren. Hoewel dit stadje zich na een dag al overgaf, werd het door de belegeraars bestormd, uitgemoord en in brand gestoken. Daarna volgden nog Strakonice, Horažďovice en Blovice. Alleen Pilsen onder Van Mansfeld hield stand. Daarom rukten ze van daaruit rechtstreeks op naar Praag en besloot het leger van de Boheemse Staten hen tegen te houden bij Rakovník.
.jpg)
Hier vond van 27 oktober tot 6 november de slag bij Rakovník plaats. Deze slag eindigde zonder resultaat. Beide legers werden gehinderd door dichte mist en de stad zelf, waar het grootste deel van het Boheemse leger zich verschanst had, bleek ondoordringbaar. Omdat het hoofddoel van het Beiers-keizerlijke leger nog steeds Praag was, begonnen ze zich vanaf 5 november geleidelijk terug te trekken en op te rukken via Olešná en Lišany naar Nové Strašecí. Op 8 november 1620 versloeg Maximiliaan het Boheemse leger in de Slag op de Witte Berg. Een dag later viel Praag in keizerlijke handen, waarna de opstand uiteen viel.
Dagboeken

De veldtocht is relatief goed gedocumenteerd dankzij een aantal dagboeken. Maximiliaans biechtvader Johann Buslidius en hofpredikant Jeremias Drexel hielden op verzoek van de hertog dagboeken bij. Deze dagboeken zijn opvallend eerlijk over wat er gebeurde en werden na de veldtocht door Maximiliaan veilig opgeborgen in zijn Geheimarchiv. Ook geheimsekretär Johann Mändl hield een dagboek bij, maar dit is eerder een verheerlijking van de acties van de hertog. Dit "officiële" dagboek werd in 1621 uitgegeven als Ober und nider Enserisch/ wie auch Böhemisch Journal, waarbij het ook nog eens zwaar werd geredigeerd en aangepast om als propaganda te dienen.
“Hongaarse koorts”
Het Ligaleger had vanaf het begin van de veldtocht te kampen met een ernstige uitbraak van de "Hongaarse koorts", een dodelijke griepvariant, die voor het eerst uitbrak in Hongarije in het midden van de 16e eeuw. Van de 30.000 Ligasoldaten kwamen naar schatting tussen de 12 en 15.000 man om aan deze ziekte. Op de vooravond van de Slag op de Witte Berg waren slechts 10.000 soldaten beschikbaar. De overige soldaten moesten in garnizoen achtergelaten worden in diverse veroverde steden en dorpen. Ook in het hoofdkwartier, waar de huisvesting en verzorging aanmerkelijk beter was dan in het veld vielen buitengewoon veel slachtoffers aan deze ziekte.[7]
Onder de slachtoffers waren ook veel knechten, soldatenvrouwen en voermannen. Deze legertros was praktisch een tweede leger, schreef Drexel op 19 september. In het regiment van Haslang alleen al bevonden zich 700 vrouwen. Op 4 oktober schreef Drexel dat deze vrouwen vaak worden gebruikt als lastdieren met hun ingebakerde baby op het hoofd en bundels onder beide armen. Op 18 oktober bericht Buslidius dat Maximiliaan bevel gaf dat alle vrouwen en alle overbodige bagagewagens terug moesten keren naar Beieren.[8]
Voor het begin van de veldtocht had Maximiliaan vergaande voorzorgsmaatregelen getroffen voor de verpleging van gewonden en zieken. Op 14 februari 1620 werd een tot in het kleinste detail uitgewerkte Ordnung und Instruktion über das Feld- oders Kriegsspital der katholischen Liga opgesteld. De inrichting van veldhospitalen was een nieuwigheid. Buslidius bericht dat lang voor de afmars de gezondheidstoestand van het Ligaleger slecht was. Al op 6 juli lagen in het dorp Peterswörth 500 soldaten ziek van de "Hongaarse koorts". Na de afmars werden zieken die niet konden lopen op vlotten over de Donau "nagezonden". Op 21 augustus worden in Linz 1500 zieken gemeld. Drexel is uiterst negatief over het onderkomen en de verzorging van de zieken. Ook de verzorgers raakten besmet, waardoor tegen september Maximiliaans gezondheidsplan losgelaten werd. Pas op 21 oktober bericht Drexel over een daling van het aantal sterfgevallen, maar op 24 november – in de laatste dagen van de terugtocht – is er weer een grote uitbraak in Staubing.[9]
In de laatste week voor Praag krijgt het leger een nieuwe vijand: de koude. Al in de nacht van 9 oktober bevroren volgens Drexel 10 artilleristen. In de bitterkoude nacht van 26 oktober werden opnieuw 1.000 soldaten ziek. Toch merkt Drexel dat het nog erger had kunnen zijn: in vijf maanden was er slechts één regenachtige dag.[10]
Plunderingen
Daarnaast geven de dagboeken een beeld van de systematische plundering van het Ligaleger in de veroverde gebieden. Bohemen was de afgelopen twee jaar verwoest en uitgezogen. Bijna elke woonplaats die veroverd werd was al eens eerder door vriend of vijand geplunderd. Alle levensmiddelen, zo schreef Drexel op 22 september, moesten vanuit Beieren komen. Deze tochten verliepen echter uiterst moeizaam. Paarden werden vaak geconfisqueerd van boeren, die hun paarden niet zelden met opzet uithongerden, zodat ze tijdens de tocht in elkaar zakten, zodat de boeren niet als voerknechten mee hoefden te gaan. Twee dagen voor de slag op de Witte Berg maakte het ligaleger 25 wagens met proviand buit op de vijand, waardoor de soldaten konden aansterken.[11]

De honger en nood waren deels drijfveren voor plundering en geweld. Plundering, beroving, gedwongen arbeid, brandstichting, brandschatting en heiligschennis waren aan de orde van de dag. Het plunderen begon al op Beiers grondgebied. Op 26 juli schreef Maximiliaan aan Tilly dat de troepen van Rouville geweld pleegden zijn eigen onderdanen. Bij het oversteken van de grens dreigde Tilly met de doodstraf. Desondanks werden al op de eerste dag na het oversteken van de grens veel dorpen in de as gelegd en werd vee en ander bezit in grote hoeveelheden meegenomen. De boeren sloegen terug door eenzame ligasoldaten te doden of te mishandelen. Drexel schreef op 30 juli dat de Lotharingers in het veroverde Schloss Aistersheim huishielden "als Turken".[12]

Hertog Maximiliaan greep in met strenge maatregelen om het plunderen in Opper-Oostenrijk te stoppen. Drexel bericht op 30 juli dat 16 soldaten aan twee bomen werden opgehangen. Deze maatregelen maakten echter weinig indruk. Het idee dat plundering onderdeel was van de oorlogsvoering was destijds wijdverbreid, zowel onder de lage als de hoge klasse. De hongersnood onder de ligasoldaten wakkerde dit nog verder aan. Bohemen zelf werd door drie legers uitgeplunderd: het Boheemse, het Hongaarse en het Beiers-keizerlijke, aldus Drexel (3 november). Bijna elke stad en elk dorp dat door het ligaleger werd veroverd, werd geplunderd met als uitzondering het keizersgezinde Budějovice. Dieptepunt was het bloedbad van Písek op 30 september.[13]
Na de inname van Praag op 9 november werd ook deze stad op grote schaal geplunderd waarbij geen onderscheid werd gemaakt tussen protestantse en katholieke burgers. Dit was ten strengste verboden, maar de autoriteiten zagen het door de vingers. Hierbij schijnen de keizerlijke soldaten zich meer te hebben misdragen dan de Beierse. Zo beschuldigde Tilly Bucquoy ervan de Pragers van honderdduizenden daalders te hebben beroofd.[14]
Gevolgen
Hoewel elders nog doorgevochten werd markeert de val van Praag het einde van de Boheemse Opstand. De opstandige statenleden werden voor het grootste deel onteigend en op 21 juni 1621 vond een massaexecutie plaats op het Staroměstské náměstí, het centrale plein in Praag, van leiders van de opstand. Na afloop van de veldtocht ontving Maximiliaan tot 1628 Opper-Oostenrijk in pand. In februari 1623 werd Maximiliaan tot keurvorst verheven en annexeerde hij de Opper-Palts. Ondertussen woedde de oorlog in de Palts voort, dat tot verdere escalatie van de Dertigjarige Oorlog leidde.
Externe links
- Kaiser Michael (30 juni 2020) Ende Juni 1620: Embedded Journalists für den böhmischen Feldzug (DKblog - Überlegungen zum Dreißigjärigen Krieg).
Bronnen
- Adams, Simon (1997) The Thirty Years' War, Routledge, ISBN 978-0-415-12883-4.
- Harrison, Dick (2018) De Dertigjarige Oorlog. De allereerste wereldoorlog 1618-1648, Utrecht: Omniboek, ISBN 9789401911184.
- Haug, C.F. ([1824]-1826) De Dertigjarige Oorlog. Eene bijdrage tot de krijgskundige geschiedenis […], Delft: P. de Groot, deel 1, p. 150-153.
- Riezler, Sigmund (1903) ‘Kriegstagebücher aus dem ligistischen Hauptquartier 1620’, in: Abhandlungen der Historischen Klasse der königlich bayerischen Akademie der Wissenschaften, jrg. 23, p. 77-210. Zie publikationen.badw.de.
- Zap, Karel Vladislav et al. (1868-1905) Česko-moravská kronika, V Praze: I.K. Kobra, deel 4 (1886), p. 1566-1568. Zie archive.org.
Noten
- ↑ De keizer beloofde Maximiliaan onder meer Opper- en Neder-Oostenrijk in pand te geven.
- ↑ Harrison (2018): p. 103-104.
- ↑ Adams (1997): p. 50-51.
- ↑ Riezler (1903): p. 82.
- ↑ Harrison (2018): p. 104.
- ↑ Zap et al. (1886): p. 1567
- ↑ Riezler (1903): p. 82-84.
- ↑ Riezler (1903): p. 85-86.
- ↑ Riezler (1903): p. 86-89.
- ↑ Riezler (1903): p. 89.
- ↑ Riezler (1903): p. 90.
- ↑ Riezler (1903): p. 91-92.
- ↑ Riezler (1903): p. 92-93.
- ↑ Riezler (1903): p. 94.
.jpg)