Lissa & Kann

Aandeel van het NV Bankierskantoor van Lissa & Kann uit 1906

Lissa & Kann was een Nederlands bankiershuis. In 1940 werd het overgenomen door Hope & Co; sinds 1966 maakt het deel uit van Bank Mees & Hope.[1]

De bank vond haar oorsprong in de Duits-joodse bankiersfamilie Kann, met als centrale figuur Bär Löw Isaak zur Kann uit Frankfurt am Main. Leden van de familie Kann huwden met kinderen van de invloedrijke Haags-joodse bankier Tobias Boas. Rond 1760 vestigde de familie zich eveneens in Den Haag. Dankzij deze huwelijksbanden werd omstreeks 1780 in Den Haag het bankhuis Kann opgericht.[1][2]

De firma Lissa & Kann was een van de oudste bankiershuizen van Nederland. Zij werd opgericht op 5 juni 1805 door Hirschel Eliazer Kann (13 september 1772 – 21 juni 1819) uit Den Haag, een kleinzoon van Bär Löw Isaak, en de Poolse jood Moses Calmus Lissa (ca. 1757 – 5 mei 1847) uit Leszno. Beiden hadden zich in 1800 geassocieerd voor de handel in effecten.[3][4]

De bank was een uitgesproken familiebedrijf. Hirschels zoon en opvolger Eliazar (22 augustus 1810 – 26 mei 1890) trouwde met een dochter van Moses Lissa. Ook een van hun zoons, Maurice (22 februari 1840 – 10 september 1891), trad in 1866 toe tot de firma.[3][5][6] De echtgenote van Hirschel, Duifje Cohen, bezat bij de oprichting eveneens een aanzienlijk aandeel in de firma. Het kantoor van de bank was gevestigd aan de Wagenstraat 8 in Den Haag.[3]

Na het overlijden van Maurice Kann in 1891 ging diens aandeel over op zijn zoon Jacobus Henricus Kann (12 juli 1872 – 7 oktober 1944), die omkwam in het concentratiekamp Theresienstadt. Jacobus had zijn opleiding gevolgd bij H. Oyens & Zonen, correspondent van de bank in Amsterdam. In 1899 associeerde hij zich met mr. Simon Jan Hogerzeil. In 1906 werd de firma omgezet in de NV Bankierskantoor van Lissa & Kann.[3][4]

J.H. Kann behoorde tot de kleine groep Nederlandse joden die in 1897 het eerste zionistische congres in Bazel bijwoonden. Geïnspireerd door Theodor Herzls pamflet Der Judenstaat (1896) stelde hij zijn financiële expertise als bankier ter beschikking van de zionistische beweging. In 1899 stond hij mede aan de wieg van de Jewish Colonial Trust (en), een bank die was opgericht ter ondersteuning van de zionistische emigratie naar Palestina. In 1907 verwierf hij, ondanks het toen geldende Ottomaanse verbod op grondverwerving door buitenlandse joden in Palestina, een terrein ten noorden van Jaffa, waarop later de eerste wijk van het joodse Tel Aviv zou verrijzen.[4]

Lissa & Kann ontwikkelde zich nooit tot een volwaardige handelsbank; het effectenbedrijf bleef steeds de belangrijkste inkomstenbron. Deze beperking, in combinatie met een voorzichtig beleid en een verbrede kapitaalbasis, droeg ertoe bij dat het effectenhuis tijdens de crisistijd niet werd overgenomen door grotere bankinstellingen. Het persoonlijke karakter van de onderneming bleef daarbij behouden.[6]

De activiteiten waren hoofdzakelijk gericht op particuliere cliënten, waarbij een persoonlijke benadering centraal stond. Die persoonlijke inslag kwam ook tot uiting in de wijze van leidinggeven door Jacobus Henricus Kann. Als eigenaar en grootaandeelhouder behandelde hij de NV als een privé-instelling en financierde hij zijn eigen beleggingen via het bedrijf. Daarmee bracht hij zowel zichzelf als de firma in een kwetsbare positie, wat er uiteindelijk toe leidde dat hij in mei/juni 1940 werd gedwongen zijn aandelen over te dragen aan het bankierskantoor Hope & Co.[6]

Als gevolg van Duitse anti-Joodse verordeningen in het bedrijfsleven zagen J.H. Kann en zijn zoon Maurits, die sinds 1932 eveneens aan de firma verbonden was, zich genoodzaakt terug te treden. Beiden kwamen later om in concentratiekampen.[6]

Het archief van het bankierskantoor Lissa & Kann wordt bewaard bij het Haags Gemeentearchief.