Thea Gregoor

Thea Gregoor
Persoonsgegevens
Volledige naam Thea Velthuijs
Pseudoniem T.H. van Weide
Geboren Den Haag, 11 augustus 1917Bewerken op Wikidata
Overleden Veldhoven, 15 januari 2004Bewerken op Wikidata
Geboorteland Nederland
Opleiding en beroep
Beroep Beeldhouwer, schilder, illustrator, tekenaar en textielkunstenaar
Werkveld jeugdliteratuurBewerken op Wikidata
RKD-profiel
Dbnl-profiel
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur

Thea Gregoor, geboren als Thea Velthuijs (Den Haag, 11 augustus 1917Veldhoven, 15 januari 2004), was een Nederlands beeldhouwer, schilder, illustrator, tekenaar en textielkunstenaar.[1][2]

Leven en werk

Thea Velthuijs was een dochter van het onderwijzersechtpaar Johan Adrianus Wilhelmus Velthuijs en Hariet Elisabeth Wilhelmina Hertzner, en een oudere zus van auteur en tekenaar Max Velthuijs (1923-2005). Velthuijs volgde de avondopleiding aan de Haagse Academie van Beeldende Kunsten.[2] Ze trouwde in 1939 met literatuurcriticus en dichter Nol Gregoor (1912-2000),[3][4] zij gingen na negen jaar uit elkaar. In 1957 hertrouwde ze met zijn broer, schilder en tekenaar Jan Gregoor (1914-1982). Jan portretteerde zijn vrouw in 1957 in waskrijt.[5] Het echtpaar woonde in Cuijk, vanaf 1958 in Eindhoven en vanaf 1960 in Meerveldhoven.[1]

De kunstenares schilderde gouaches en tekende illustraties voor kinderboeken. In het voorjaar van 1945 schreef en illustreerde ze onder het pseudoniem T.H. van Weide het boekje Kleine vogels, waarvan de opbrengst ten goede kwam "aan hen, die trachten zich aan slavernij te onttrekken."[6] In 1946 verscheen onder de naam Thea Gregoor bij uitgeverij V.A. Kramers in Rijswijk haar boekje Hoe Marijke op de zon kwam. Ze zou in de jaren daarna voor diverse uitgaven van Kramers illustraties verzorgen.[7]

Textielkunst

Vanaf de jaren 50 maakte Thea Gregoor geappliqueerde wandkleden,[8] waarin ze materialen als blik, melkdoppen en kurken verwerkte.[9] Het Algemeen Handelsblad schreef in 1966 "dat wat schilders in collages en „assemblages" met gebruik van bestaande objecten en object-fragmenten hebben ontwikkeld, in het wandkleed een monumentale toepassing krijgt, welke zich juist door de basismaterialen van de wandkleedmaker op een volstrekt „logische" en adequate wijze met de architectuur laat verbinden. Thea Gregoor is in ons land een van de beste voorbeelden van de rijke, tegelijk ruige en subtiele, eigentijdse kunst, die zich juist op deze wijze kan realiseren."[10] Haar wandkleden kwamen onder meer terecht in de collecties van Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant[11] en het Stedelijk Museum Amsterdam.[12]

De textielkunst van Gregoor werd in de loop van tijd ruimtelijker en ontwikkelde zich eind jaren 60, begin jaren 70 van wandkleden naar textielplastieken,[13] waarbij ze ook materialen als hout, jute en schuimplastic gebruikte. Ze verwerkte in haar plastieken geregeld hartvormen, als symbool van liefde. Ze wilde daarmee graag een bijdrage leveren aan herstel van menselijk contact, het "opnieuw en op een intensieve wijze kontakt leggen met elkaar. Ik denk daarbij vooral aan de kleine menselijke dingen van elke dag. Dus geen wereldhervormende zaken, maar voor iedereen herkenbare tekens. Een teken voor een mens. Ik wil dus vooral het menselijk geluk weer naar voren laten komen. Textiel is daarbij voor mij van waarde als materiaal, dat dit positief gestemde gevoel tot uitdrukking kan brengen."[14] Vanaf de jaren 1980 maakte Thea Gregoor objecten van papier maché. In 1992 toonde ze nog recent gemaakte objecten in Galerie Rapenburg in Amsterdam, naast de laatste krijttekeningen van haar inmiddels overleden echtgenoot.[15]

Exposities

Thea Gregoor exposeerde meerdere malen: met Jan Gregoor onder andere bij Pander (1962) en Galerie Dinette (1963)[16] in Eindhoven, de stadsfeestzaal in Antwerpen (1962),[17] in een duo-expositie -ingeleid door Nol Gregoor- bij de Brabantse Stichting voor Beeldende Kunst en Edelambacht in Tilburg (1964), bij Kunstzaal De Berenkuil in Bussum (1964), het cultureel centrum in Breda (1965) en Galerie Pedjeshof in Grubbenvorst (1980). Gregoor exposeerde ook geregeld met andere kunstenaars, onder meer met Gène Eggen, Arthur Spronken en Frans Zwartjes in Museum Lambert van Meerten in Delft (1950)[18] en met Frans Peeters en Auke de Vries bij Galerie Ina Broerse in Amesterdam (1966).[10] In 1961 had ze haar eerste grote eigen tentoonstelling met wandkleden en gouaches in de kunstzaal W.J.G. van Meurs in Amsterdam.[19] Ze was lid van de Vereniging van Brabantse beeldende kunstenaars Zuiderkring, de Brabantse Kunststichting en de Brabantse Stichting voor Beeldende Kunst en Edelambacht.

Door de KRO werd Gregoor geportretteerd voor het Programma voor de vrouw (1965). Naast onder anderen Nel van Lith en Truus Menger-Oversteegen ontving Thea Gregoor een reisbeurs van het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (1967).[20]

Thea Gregoor overleed op 86-jarige leeftijd.[21]

Enkele werken

Publicaties

  • 1945: T.H. van Weide, Kleine vogels. Den Haag: Dirk de Jong. Herberg-reeks n° 3.
  • 1946: Thea Gregoor, Hoe Marijke op de zon kwam. Rijswijk: V.A. Kramers.

Illustraties

  • 1946: De baard van den kabouterkoning en Theevisite van Anna Sutorius. Rijswijk: V.A. Kramers. Boekjes in de serie 'Nieuwe serie voor school en huis'.
  • 1949-1950: Het-Beren-Kermisfeest, Een fijne vondst, Marijke's verjaarpartij, De familie K. Konijn van Anna Sutorius en Kaatje Uil, Hansje Lieveheersbeest en Andree Neushoorn van Corrie Verwey. Boekjes met versjes in de serie 'Voor alle kleuters'. Rijswijk: V.A. Kramers.
  • 1950: Ollie en Pollie in Bollenland van B. Schippers. Rijswijk: V.A. Kramers.
  • 1950: Het kabouterdorp op de grote hei van Hanny Hoogland. Rijswijk: V.A. Kramers.
  • 1952: Nan, het dokteresje van Suze Brinkgreve. Rijswijk: V.A. Kramers.
  • 1952: Tineke van het postkantoor van Jos. Heemskerk. Rijswijk: V.A. Kramers.
  • 1952: Kabouter Buikie in het paashazenbos van Hanny Hoogland. Rijswijk: V.A. Kramers.
  • 1952: Loesje Maude en de familie Rolle Bolle van Helen Sherman Griffith. Rijswijk: V.A. Kramers.
  • 1952: Dubbel kabouterfamilie Vingerling van Anna Sutorius. Rijswijk: V.A. Kramers.
  • 1952: Dubbel zes uit kamperen van Anna Sutorius. Rijswijk: V.A. Kramers.
  • 1952: Vertel 't nog eens mama van Jos. Heemskerk. Rijswijk: V.A. Kramers.
  • 1952: Het geheim van paal 17 van Kasper Afman. Rijswijk: V.A. Kramers.
  • 1954: Door alle maanden van J. van Mourik en G. Stuvel. Rijswijk: V.A. Kramers.
  • 1954: Door alle landen van J. van Mourik en G. Stuvel. Rijswijk: V.A. Kramers.

Textielkunst

  • 1960: titel onbekend, collectie Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant.
  • 1962: Vrede en oorlog, wandkleed (105 x 133 cm), aangekocht door het Stedelijk Museum Amsterdam.[12]
  • 1966: Souvenir van de aarde, wandkleed, in 1973 opgenomen in de collectie van de gemeente Uden.
  • 1967: titel onbekend, wandkleed, voor de portiershal van het Eindhovens Dagblad.[22]
  • 1969: Twee harten, textielplastiek (300 x 200 cm), voor een trouwzaal in het stadhuis van Eindhoven.
  • 1970: Open hart, textielplastiek (200 x 250 cm), voor de mensa van de Technische Hogeschool Twente in Enschede.
  • 1974: Hart, textielplastiek, collectie gemeente Uden.