Texelse paardenbloem

Texelse paardenbloem
Texelse paardenbloem
Taxonomische indeling
Rijk:Plantae (planten)
Stam:Embryophyta (landplanten)
Klasse:Spermatopsida (zaadplanten)
Clade:Bedektzadigen
Clade:'Nieuwe' tweezaadlobbigen
Clade:Campanuliden
Orde:Asterales
Familie:Asteraceae (composietenfamilie)
Onderfamilie:Cichorioideae
Geslachtengroep:Cichorieae
Geslacht:Taraxacum (paardenbloem)
Sectie:Celtica (hooilandpaardenbloem)
Soort
Taraxacum texelense
Soest, Hagend. & Zevenb. (1976)
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Texelse paardenbloem op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Texelse paardenbloem (Taraxacum texelense) is een plantensoort uit de composietenfamilie (Asteraceae). De soort werd in 1976 voor het eerst beschreven door Van Soest, Hagendijk en Zevenberg.[1] De plant kan worden gevonden op verschillende plekken in Engeland en Nederland.

Determinatie

Voor de determinatie van Texelse paardenbloem is enige taraxacologische kennis nodig. De soort is een vaste, kruidachtige plant die een hoogte kan bereiken van 0,5–1,2 dm. De bladen zijn donkergroen en soms bijna ongedeeld, maar meestal met korte en weinig talrijke zijlobben. De steel is smal en purper. De zijlobben zijn driehoekig of sikkelvormig en staan wat teruggericht. Aan de voorkant zijn ze driehoekig getand en vaak gekromd getand. De interlobben zijn kort, vrij breed en aan de rand gekleurd. De eindlob is vaak stomp en al dan niet getand. Het omwindsel heeft een donkere, bruinachtig groene kleur, en heeft een tamelijk brede basis. De buitenste blaadjes zijn min of meer aanliggend, breed en lancetvormig. Ze zijn tot 3,5 mm breed en hebben een purpergekleurde rand. Het hoofdje is zo'n 2–3 cm diameter. De stempels zijn vuilgroen en de hoofdjessteel is kaal of vrijwel kaal. De bloemen beschikken over stuifmeel.[2] Het aantal chromosomen is 2n ± 24.[2]

Ecologie

Texelse paardenbloem groeit bijna uitsluitend in de buurt van zilt water en op licht brakke gronden.

Verspreidingsgebied

Nederland

Texelse paardenbloem werd rond 1976 voor het eerst enkel gevonden op de Nederlandse Waddeneilanden Terschelling en Texel, waar de soort haar naam aan te danken heeft.[1] Aanvankelijk werd de soort daarom omschreven als een endemische soort met een klein verspreidingsgebied, in de zin dat het alleen in Nederland en/of op die eilanden voorkomt. Geconcludeerd werd dat de soort alleen op zilte gronden kan gedijen. Volgens auteur A.A. Sterk (1982) was het waarschijnlijk dat het verspreidingsgebied van Texelse paardenbloem zo klein is, omdat de plant pas 'recent' zou zijn ontstaan. Een andere mogelijkheid is volgens hem dat de plant wel elders binnen en buiten Nederland voorkomt, maar dat hij door zijn zeldzaamheid nog niet gevonden was. Sterk achtte het niet waarschijnlijk dat het kleine verspreidingsgebied een relict is van een vroeger veel groter verspreidingsgebied.[3]

Verschillende soorten uit het geslacht paardenbloem die vóór 1976 in Nederland waren gevonden werden later alsnog juist geclassificeerd als Texelse paardenbloem. Enkele van deze soorten zijn gevonden bij het Meppelerdiep, in Elburg en tussen Oudehorne en Oldeberkoop, alle drie gebieden gelegen in het voormalige Zuiderzeegebied.[1][4]

Engeland

Texelse paardenbloem is in de jaren '80 van de twintigste eeuw ook gevonden in Shiplake en Carnforth, respectievelijk gelegen in de regio's Zuidoost-Engeland en Noordwest-Engeland. Daarmee kan dus gezegd worden dat Texelse paardenbloem, ondanks de eerdere vermoedens, geen endemische soort is. Wel liggen beide gebieden zoals naar verwachting op brakke grond: Shiplake ligt aan de Theems en Carnforth ligt bij Morecambe Bay.[5] In 2021 stelde Richards echter dat de planten die in Groot-Brittannië waren geclassificeerd als Texelse paardenbloem, in werkelijkheid onder Taraxacum akteum geschaard zouden moeten worden.[6] De Engelstalige volksnaam voor Texelse paardenbloem is Texel dandelion (letterijk: Texelse paardenbloem).[5]

Taxonomie

Toen Texelse paardenbloem in 1976 voor het eerst beschreven werd door Hagendijk, Van Soest en Zevenbergen plaatsten zij de soort in de sectie Vulgaria Dahlstedt, een groep waarvan er op dat moment bijna tweehonderd bekende soorten in Nederland voorkwamen. De Engelse botanicus A.J. Richards plaatste de soort in 1985 echter in de sectie Celtica (ook wel incorrect als Celticum aangeduid).[7]

Galerij

  • Kaarten met waarnemingen: