Mierenegel

Mierenegel
IUCN-status: Niet bedreigd[1] (2015)
Australische mierenegel in Karawatha Forest
(Tachyglossus aculeatus)
Taxonomische indeling
Rijk:Animalia (Dieren)
Stam:Chordata (Chordadieren)
Klasse:Mammalia (Zoogdieren)
Orde:Monotremata (Cloacadieren)
Onderorde:Tachyglossa (Mierenegels)
Familie:Tachyglossidae (Mierenegels)
Geslacht:Tachyglossus
Illiger, 1811
Soort
Tachyglossus aculeatus
(Shaw, 1792)
Verspreidingsgebied van de mierenegel
 leefgebied (bruin)
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Mierenegel op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Zoogdieren

De gewone of Australische mierenegel (Tachyglossus aculeatus), ook wel stekelmiereneter genoemd, is een eierleggend zoogdier dat voorkomt in uiteenlopende habitats in Australië, Tasmanië en Nieuw-Guinea. Het is de enige soort uit het geslacht Tachyglossus.

De mierenegel vormt samen met de vachtegels de familie der mierenegels (Tachyglossidae). Samen met het verwante vogelbekdier en fossiele soorten vormen zij de orde der cloacadieren (Monotremata). Net als de egels, waaraan hij niet verwant is, heeft hij lange stekels waar hij zich mee beschermt. De mierenegel eet vooral termieten en mieren.

Beschrijving

Het compacte lichaam van de mierenegel is lager dan breed, met een gewelfde rug en een vlakke of licht holle buikzijde. De gemiddelde lengte van een volwassen dier is 40-45 cm. De rug en flanken zijn bedekt met stekels van verschillende groottes. De stekels kruisen elkaar langs wervelkolom. Twee halfronde rozetten van stekels bedekken de korte, kale staartbasis. Tussen de stekels bevindt zich fijn tot dik haar. De lengte en dichtheid van de vacht verschillen per ondersoort. De vachtkleur van de twee ondersoorten die voorkomen op Kangaroo Island en op Tasmanië, variëren van licht strogeel tot donkerbruin. Ondersoorten van het vasteland zijn over het algemeen uniform donker van kleur. Albinisme komt voor bij alle ondersoorten. De poten en buikzijde van de mierenegel zijn vrij van stekels, maar bedekt met haar. Zowel de voor- als achterpoten zijn kort, stevig en vijfvingerig. De voorste tenen hebben sterke, spatelvormige klauwen, waarbij de drie middelste langer zijn dan de andere. De achterpoten zijn naar achteren gedraaid. Door de stekelige vacht heeft de mierenegel geen duidelijk gedefinieerde nek. Het voorste deel van de schedel is langwerpig en loopt uit in een snavelachtige structuur, die bedekt is met een zachte, haarloze huid. De naar voren gerichte ogen van ongeveer 9 mm bevinden zich bijna aan de basis van de snuit. De neusgaten zitten op de bovenzijde van de snuit en de kleine mondopening van ongeveer 5 mm zit aan de onderkant. De mond opent zich slechts zo breed als de tong, die tot 18 cm voorbij het uiteinde van de snavel kan uitsteken. De oren hebben meestal geen uitwendige oorschelpen en verschijnen als verticale spleten aan de zijkant van de kop. Kleine stekels en haartjes verbergen deze openingen vaak. De gemiddelde minimale en maximale lichaamsmassa van volwassen dieren varieert van jaar tot jaar. Bij beide eilandondersoorten bedroeg het gemiddelde gewicht van de mannetjes 2,8 kg tijdens het schaarse seizoen en 4,4 kg tijdens het seizoen van overvloed, terwijl het gemiddelde gewicht van de vrouwtjes schommelde tussen 2,5 en 5,0 kg. De zwaarste gedocumenteerde mierenegel, met een lichaamsgewicht van bijna 7 kg, leefde in de Snowy Mountains. Normaal gesproken zijn er geen secundaire geslachtskenmerken, behalve tijdens het paringsseizoen wanneer sommige mannetjes een duidelijke penisverdikking hebben.[2]

Chromosomen en genetische geslachtsbepaling

Vrouwelijke mierenegels hebben 32 paar homologe chromosomen (2n=64), 27 paar autosomen en vijf paar X-chromosomen. Mannetjes hebben 63 chromosomen, 27 paar autosomen, vijf X-chromosomen en vier Y-chromosomen. De complexiteit van de geslachtschromosomen bij cloacadieren is uniek onder zoogdieren. Mannelijke vogelbekdieren hebben overigens vijf X- en vijf Y-chromosomen. Opmerkelijk is dat deze geslachtschromosomen niet hololoog zijn aan de geslachtschromosomen bij levendbarende zoogdieren, maar van het Z-chromosoom van vogels. Dit verklaart de afwezigheid van het geslachtsbepalende SRY-gen bij eileggende zoogdieren, in tegenstelling tot alle andere zoogdieren. Bij deze cloacadieren is het geslachtsbepalende gen waarschijnlijk AMH dat aanwezig is op een van de Y-chromosomen van de mierenegel.[2]

Anatomie

Het bloedvatenstelsel is vergelijkbaar met dat van andere zoogdieren en bestaat uit twee volledig gescheiden bloedsomlopen, waarbij de systemische aorta ontspringt uit de linker vierde aortaboog. Het dier heeft een middenrif en asymmetrische longen, waarbij de rechterkant ongeveer 65% van het volume uitmaakt. Het verdraagt hoge CO2-concentraties (tot 12%), waardoor het fysiologisch goed is aangepast om te graven en langdurig onder de grond te verblijven.[2]

Geraamte

De schoudergordel van de mierenegel bestaat uit dezelfde beenderen als die van de Therapsida, een groep voorouders van de zoogdieren die het land domineerden gedurende de tweede helft van het Perm. Bij de mierenegel bestaand de schoudergordel uit twee schouderbladen, twee ravenbeksbeenderen en twee sleutelbeenderen, samen met twee botten die bij geen enkel ander zoogdier voorkomen: een T-vormig tussen-sleutelbeen en twee epicoracoiden gelegen tussen de ravenbeksbeenderen en het borstbeen. De wervelformule van de mierenegel doet denken aan die van de buideldieren met 7 halswervels, 15 borstwervels, 3 lendenwervels, 4 heiligbeenwervels, in totaal 29. De bekkengordel heeft de zes gebruikelijke botten van zoogdieren: twee drievlakkige darmbeenderen aan de rugkant, twee zitbeenderen aan de achterkant en twee schaambeenderen. Aan de voorrand van elk schaambeen bevindt zich bovendien een daarmee scharnierend buidelbeen dat zo lang is als het schaambeen en ook bekend is van de buideldieren en uitgestorven voorouders van alle zoogdieren. De schedel is glad met langwerpige bovenkaakbeenderen en premaxilla die de bovenkaak vormen. De onderkaak wordt gevormd door de rechter- en linkeronderkaakbeenderen, die priemvormig zijn. Door rotatie van de onderkaakbeenderen om hun eigen as kan de mond openen en sluiten. Tanden ontbreken en prooien worden vermalen door ze te wrijven tussen hoornachtige stekels achter op de tong en op het gehemelte. Het oppervlak van de lange, wormvormige tong is kleverig door het slijm dat wordt afgescheiden door de gepaarde speekselklieren onder de tong. Het snel uitsteken en terugtrekken van de tong, ongeveer 100 keer per minuut, wordt mogelijk gemaakt door de samentrekking van circulaire spieren en drie paar longitudinale spieren.[2]

Spijsverteringsstelsel

De maag bestaat uit een ruwe, hoornachtige huid van meerlagig epitheel en bevat geen klieren. Peristaltische bewegingen van de maag helpen bij het vermalen van voedsel, waardoor de harde exoskeletten van ongewervelde dieren worden afgebroken. De spijsvertering vindt voornamelijk plaats in de 3,4 m lange dunne darm. De passage van de ontlasting kan tot 2 dagen duren, waardoor de zachte delen van ongewervelde dieren grondig verteerd kunnen worden en water kan worden geresorbeerd. Vuil en onverteerd exoskeletten worden via de cloaca afgevoerd. De goed gevormde uitwerpselen hebben een karakteristieke cilindrische vorm met stompe uiteinden. De nier is typisch zoogdierachtig, met uitzondering van de aanwezigheid van een dwergnefron, dat ook voorkomt in de nier van veel reptielen. Urineleiders van de nieren monden uit in een ongepaarde sinus urogenitalis, tegenover de hals van de blaas. Samentrekking van de blaas zorgt ervoor dat de urine in de sinus stroomt en via de cloaca het lichaam verlaat, zowel bij mannetjes als vrouwtjes.[2]

Zenuwstelsel

Het centrale zenuwstelsel wordt als opmerkelijk beschouwd vanwege de korte lengte van het ruggenmerg, dat eindigt bij de zevende borstwervel, in tegenstelling tot tussen de eerste en tweede lendenwervel bij mensen. De positie en onderlinge verhouding van de visuele, auditieve en sensorische gebieden verschillen van die bij placentale zoogdieren. Bijna de helft van het sensorische hersengebied is toegewezen aan tastorganen zoals de snuit en de tong. De hersenen zijn sterk geplooid, wat wordt beschouwd als een kenmerk van neurologisch meer geavanceerde zoogdieren. De prefrontale cortex, geassocieerd met complexe cognitie, het ophalen van langetermijngeheugen en besluitvorming, beslaat 50% van de neocortex, maar slechts 29% bij mensen. Toen een mierenegel werd getest met behulp van doolhofproeven en positionele, visuele en tactiele experimenten, leerde hij snel, verbeterde zijn prestaties door oefening en vertoonde hij bewijs van het opslaan, classificeren en integreren van informatie.[2]

Huid

De stekels zijn gemodificeerde haren. Er is geen jaarlijkse rui, maar de stekels worden na verloop van tijd afgestoten en vervangen. De basis van elke stekel wordt omgeven door een bundel spieren en de wortel ervan is verankerd in de panniculus carnosus, een grote spiermassa die zich rond de romp uitstrekt. Deze structuur maakt het mogelijk om de individuele stekels te controleren tijdens het klimmen, foerageren, poetsen of ontwijken van een bedreiging. De panniculus carnosus, dikker aan de rugzijde en dunner aan de buikzijde, is verantwoordelijk voor het vermogen van de mierenegel om zich tot een bal op te rollen. Het is onmogelijk om de echte huid (epidermis en dermis) plus stekels en haren te scheiden van de panniculus carnosus. Dit enorme orgaan beslaat een derde tot de helft van de lichaamsmassa. In tegenstelling tot andere zoogdieren bevat de huid zeer weinig zweetklieren. Door de naar buiten gerichte rotatie van het scheenbeen en kuitbeen en het horizontale dijbeen zijn de achterpoten en klauwen naar achteren gericht. De mierenegel heeft verlengde klauwen aan de achterpoten die gebruikt worden voor de verzorging. De articulatie van de gedraaide achterpoten in het bekken maakt het mogelijk om de verzorgingsklauwen tussen de stekels op bijna elk deel van het lichaam te steken om teken te verwijderen of, in het geval van opgroeiende jongen, om droge huid tussen de uitstekende stekels te verwijderen. De eerste klauw aan de buitenkant van de achterpoot is het kortst, de tweede is meestal het langst, en afhankelijk van de ondersoort is de derde korter, even lang of langer dan de tweede. De klauwen aan de vierde en vijfde teen zijn opvallend kort. De meeste jonge volwassen dieren hebben een met een schede bedekte spoor aan de binnenkant van de enkel van beide achterpoten. Sporen bij volwassen dieren zijn hol, geperforeerd en via een kanaal verbonden met de klier in de kuit, die zich net onder de knie bevindt. De spoor is niet giftig, in tegenstelling tot bij het mannelijke vogelbekdier. Door de structuur en oriëntatie van de achterpoten kan de gang van mierenegels worden omschreven als rollend. De mierenegel heeft een opmerkelijke kracht dankzij zijn ongebruikelijke anatomie. Goed ontwikkelde spieren van de korte, stevige poten hechten zich aan de solide schoudergordel en vormen een mechanische constructie die een hefboom van de derde orde wordt genoemd. De verhouding tussen de grote spiermassa en de botlengte verklaart zijn effectieve kracht. De sterke klauwen aan de voorpoten zijn effectief om voedsel te zoeken. De snuit heeft ook de mechanische voordelen van een hefboom. De snuit heeft de vorm van een dubbele wig, waardoor de kracht die de snuit uitoefent zes keer zo groot is als de volledige lengte ervan. Het dier gebruikt zijn snuit om harde grond te splijten, stenen om te draaien of de lichamen van ongewervelde prooien te verscheuren die te groot zijn om in hun geheel op te eten.[2]

Voortplantingsstelsel

De mierenegel heeft geen permanente buidel, maar beide geslachten kunnen hun buikspieren samentrekken, waardoor de indruk van een ondiepe buidel ontstaat. Vrouwtjes ontwikkelen pas na de paring een duidelijke pseudobuidel, wanneer de melkklieren opzwellen. Deze heeft geen tepels, maar wel twee behaarde plekken. Deze melkvelden, met een diameter van ongeveer 5 mm, bevinden zich aan de voor- en zijkant van de buidel. Elk melkveld bestaat uit 100-150 afzonderlijke klieren, die uitmonden in een instulping van de huid met een haarzakje. Deze gespecialiseerde haren zijn alleen verbonden met de melkkanalen van de melkklieren, waar de jongen zuigen. Zowel bij het vogelbekdier als bij de mierenegel zijn de eierstokken het grootst tijdens het paarseizoen en dat geldt ook voor de testosteronspiegel en de grootte van de testikels.[2]

Zintuigen

Ondanks de kleine uitwendige ogen zijn de visuele leervermogens goed. Het aantal vezels in de oogzenuw (ongeveer 15.000) wijst op een redelijke mate van visuele discriminatie. De rangschikking van de gehoorbeentjes impliceert dat auditieve informatie zowel via mechanoreceptoren in de snavel als via de grote kraakbeenachtige oorschelpen kan worden ontvangen. De organisatie van het reukvermogen volgt het gebruikelijke zoogdierpatroon, maar het gebied van het reukepitheel, dat rust op verticale benige tussenschotten, is groot. De mierenegel heeft 13 keer meer reukzenuwvezels dan het vogelbekdier. De drielingzenuw, afkomstig uit de huid van de snuit, eindigt in de thalamus en verbindt de tastzin van de snuit met de reukzin.[2]

Verschillen met verwante soorten

De familie Tachyglossidae wordt momenteel vertegenwoordigd door twee geslachten: Tachyglossus, met één soort die voorkomt op het Australische vasteland, Tasmanië en Papoea-Nieuw-Guinea, en Zaglossus (vachtegels), bestaande uit drie soorten die alleen op Nieuw-Guinea voorkomen. De geslachten kunnen worden onderscheiden door grootte en andere morfologische kenmerken. Vachtegels kunnen een lengte bereiken van maximaal 1 meter en een lichaamsgewicht van 16 kg, hoewel de gemiddelde grootte ongeveer 10 kg is. De meeste mierenegels wegen daarentegen minder dan 5 kg en zijn minder dan 50 cm lang. De gewone vachtegel heeft een snuit van omstreeks 10 cm, bijna twee keer zo lang als die van de mierenegel met ruim 5 cm. Bovendien is de tong van Zaglossus gegroefd in het voorste derde deel van de bovenkant en heeft drie rijen naar achteren gerichte hoornachtige stekels, kenmerken die bij de mierenegel ontbreken.[2]

Taxonomie

De mierenegel werd in 1792 voor het eerst wetenschappelijk beschreven door George Shaw op basis van een dier uit de omgeving van het tegenwoordige Sydney. Hij dacht dat het dier verwant was aan de grote miereneter en noemde het daarom Myrmecophaga aculeata. Georges Cuvier gaf in 1997 de geslachtsnaam Echidna aan het "inheemse stekelvarken", maar deze geslachtsnaam was al gebruikt door Johann Reinhold Forster in 1788 voor een murene en daarom niet beschikbaar. In 1799 gaf Bernard Germain de Lacépède de naam Echidna novaehollandiae. Everard Home realiseerde zich dat mierenegels het meest verwant zijn aan het vogelbekdier en plaatste de soort daarom in hetzelfde geslacht en gaf het in 1802 de naam Ornithorhynchus hystrix. Étienne Geoffroy Saint-Hilaire beschreef in 1803 dieren uit Tasmanië waaraan het de naam Echidna setosa toekende. Friedrich Tiedemann maakte in 1808 een onderscheid tussen de populatie aan de Straat Bass en die van Shaw en noemde deze respectievelijk Echidna breviaculeata en Echidna longiaculeata. De Duitse paleontoloog en zoöloog Georg August Goldfuss verving in 1809 de naam van Shaw door Acanthonotus myrmecophagus. In 1810 gaf George Perry de naam Platypus longirostra aan de mierenegel. Ook Johann Karl Wilhelm Illiger plaatste het dier in 1811 in zijn eigen geslacht en gebruikte zo voor het eerst de naam Tachyglossus aculeatus, de naam die nu nog steeds gebruikt wordt. De Duits-Russische natuuronderzoeker Johann Gotthelf Fischer von Waldheim stelde in 1813 voor de geslachtsnaam Echidna van Cuvier te vervangen door Echinopus. Ook de excentrieke uomo universale Constantine Samuel Rafinesque-Schmaltz suggereerde als vervangende geslachtsnaam Syphomia. In 1827 maakte René Primevère Lesson de nieuwe combinatie Echidna australiensis opnieuw als vervanging van de naam van Shaw. Robert Mudie stelde in 1829 de naam Ornithorhynchus eracinius voor. In 1836 stelde Lesson voor de naam van Shaw te vervangen door Echidna australis. De Australische wetenschapper Gerard Krefft onderscheidde in 1872 twee vormen, Echidna corealis afkomstig van Kaap York in Queensland, en Echidna orientalis uit oostelijk Australië. In 1877 meende de Australische zoöloog Edward Pierson Ramsay dat dieren uit de buurt van Port Moresby in Papua New Guinea moesten worden onderscheiden en maakte daarom de combinatie Tachyglossus lawesii. De Noorse zoöloog Robert Collett beschreef in 1884 Echidna acanthion uit Queensland. De Britse zoöloog Michael Rogers Oldfield Thomas gaf de naam Echidna typica in 1885 aan dieren uit heel Australië. De Britse bankier en zoöloog Lionel Walter Rothschild onderscheidde in 1905 een ondersoort uit het uiterste zuiden van Zuid-Australië en noemde die Echidna hystrix multiaculeata Rothschild. In 1906 beschreef Oldfield Thomas eveneens een ondersoort, maar dan uit West-Australië, die hij de naam Tachyglossus aculeatus ineptus gaf. In 1909 stelde R. Kowarzik de naam van Rothschild te vervangen door Echidna sydneiensis en de naam van Geoffroy Saint-Hilair door Echidna hobartensis. Peggy Rismiller en Frank Grutzner beschouwden in 2019 al deze namen als synoniemen. De mierenegel is ingedeeld bij de orde Monotremata, familie Mierenegels en het geslacht Tachyglossus, waarvan het dier als de enige nu levende soort wordt beschouwd.[2]

De Tasmaanse ondersoort (Tachyglossus aculeatus setosus) is te herkennen aan zijn langere vacht en kortere stekels.

Er worden vijf ondersoorten erkend:

Het is onduidelijk of deze taxonomie wel correct is omdat de grenzen tussen de ondersoorten vaak onduidelijk zijn.[2]

Naamgeving

De naam "Echidna" kent twee mogelijke oorsprongen. Volgens de ene is het dier vernoemd naar Ἔχιδνα (Oudgrieks: Ekhidna), een Griekse godin die half reptiel en half zoogdier was. Een andere mogelijkheid is dat de naam is afgeleid van ἐχῖνος (echinos), het Griekse woord voor egel. De geslachtsnaam Tachyglossus betekent "snelle tong". Echidna blijft echter de meest gangbare Engelse naam.

Kenmerken

De mierenegel is een gedrongen zoogdier met een kleine kop en een rond lichaam. Hij heeft wat weg van een egel, maar is groter en heeft krachtigere klauwen. De vacht bestaat uit ruwe, lichtbruine tot zwarte haren. De buikzijde is lichter van kleur. De rug en de flanken zijn bedekt met lange, dikke, scherpe stekels, die ongeveer 5 cm lang worden en roomwit van kleur zijn. Bij de Australische en Nieuw-Guinese dieren zijn de stekels langer dan de ertussen liggende vacht. Bij dieren uit koelere gebieden, zoals in Tasmanië, kan de vacht echter langer zijn dan de stekels. De buik bevat geen stekels.

De kleine kop met buisvormige snuit en kleine ogen gaat zonder hals in de schouders over. De gehooropeningen bevinden zich aan beide zijden van de kop en hebben geen oorschelpen. Het zichtvermogen is slecht ontwikkeld. De ogen zijn klein en bevinden zich aan de basis van de snuit. Deze kale, buisvormige snuit is lang: hij beslaat ongeveer 18% van de totale lichaamslengte. De neusgaten en spleetvormige mondopening bevindt zich aan het eind van de snuit. De mondopening is precies groot genoeg voor zijn dunne tong. Deze is zeer beweeglijk en lang: de tong kan zo'n 15 tot 18 cm uit de mond worden uitgestoken. De speekselklieren bedekken de tong met een kleverig speeksel, waarmee hij zijn prooidieren op kan likken. De hals is aan de buitenzijde niet zichtbaar, waardoor het lijkt alsof de kop direct in het lijf overgaat. De poten zijn kort en dik en hebben vijf tenen. De tenen aan de voorpoten hebben lange, gekromde graafklauwen. Van de achterpoten heeft enkel de tweede teen een lange klauw. Het mannetje heeft bovendien aan de achterpoten een spoor zitten, een rudimentaire, niet-functionele gifspoor. Het staartje is kort, stomp en naakt.

De lengte van het dier ligt tussen de 30 en 45 cm[3], met een 1 cm lange staart. Zijn lichaamsgewicht ligt tussen de 2,5 en 8 kg. Mannetjes zijn 25% groter dan vrouwtjes.

De mierenegel kan verward worden met de nauw verwante vachtegels (Zaglossus), die enkel op Nieuw-Guinea voorkomen. Vachtegels zijn te onderscheiden van Nieuw-Guinese mierenegels door de vrij korte stekels, die meer in de lange vacht verborgen liggen, de langere poten en de langere, kromme snuit. Twee van de drie soorten zijn bovendien veel groter dan de mierenegel.

Skelet
Musée d'Histoire Naturelle de Lille

Verspreiding en habitat

Van alle eierleggende zoogdieren heeft de mierenegel het grootste verspreidingsgebied. Hij komt voor in geheel Australië, waaronder Tasmanië en eilandjes voor de kust als Kangaroo-eiland, en op Nieuw-Guinea in het zuidoosten en de Markham-vallei. De mierenegel komt voor in bijna alle habitats: in gematigde bossen en regenwouden, bosachtige streken, savannes, (half-)woestijnen en berggebieden tot een hoogte van 1800 m. Hij komt ook in landbouwgebieden voor.

Gedrag

De mierenegel is over het algemeen een solitair dier, dat leeft in een vast woongebied dat kan overlappen met dat van andere mierenegels. De grootte van zijn woongebied is afhankelijk van het gebied. In vochtigere streken, die rijk zijn aan prooidieren, beslaat zijn woongebied 50 hectare.

De mierenegel is niet territoriaal en niet agressief tegen soortgenoten. In gevangenschap is waargenomen dat in kleinere, dichtbevolkte verblijven de dieren een hiërarchie vormen, bepaald door lichaamsgrootte. Dit is waarschijnlijk geen weerspiegeling van natuurlijk gedrag. In ruimere verblijven worden geen sociale interacties waargenomen. Mierenegels bouwen gezamenlijke "toiletten". De reden daarvoor is nog niet bekend.[4]

Enkel een vrouwtje met een ei of pasgeboren jong heeft een vaste schuilplaats. Andere dieren wisselen regelmatig van slaapplek. De mierenegel rust graag opgerold in beschutte plekken als holle boomstammen, tussen boomwortels, onder struiken en in dicht struikgewas, onder rotspuin en in rotsspleten onder een dichte begroeiing waar weinig licht is. Soms graaft hij zelf een ondiep hol van maximaal 1,2 meter lang, die hij soms opnieuw gebruikt.

De lengte van het dier ligt tussen de 30 en 45 cm, met een 1 cm lange staart. Zijn gewicht ligt tussen de 2,5 en 7 kg.

De mierenegel is dag en nacht actief, voornamelijk in de schemering. De mierenegel heeft een voor een zoogdier vrij lage lichaamstemperatuur, 31-33 °C. Hierdoor kan hij slecht tegen hoge temperaturen.

In een warme zomer is hij vooral 's nachts actief en zoekt hij op het heetst van de dag koele holen op. Bij kouder is hij weer vaker op het midden van de dag actief. Mierenegels vermijden regen. Bij langdurig aanhoudende regen kan hij dagen achtereen inactief blijven. Bij langdurige inactiviteit geraken zij in torpor, waarbij de lichaamstemperatuur, die normaal 31-33 °C bedraagt, kan dalen tot 18 °C. In sommige delen van het verspreidingsgebied, zoals in de Snowy Mountains in het oosten van Australië, houdt hij een winterslaap. Hun normale lichaamstemperatuur kan dan dalen tot 4-5 °C.

De mierenegel loopt niet op zijn zolen, maar op zijn enkels, met de poten gestrekt en de tenen zij- en achterwaarts gericht, wat hem een hobbelige gang geeft. Het is een uitstekende graver. Bovendien rent hij goed en kan hij prima klimmen en zwemmen.

Als een mierenegel zich niet kan ingraven, rolt hij zich op als een egel.

De stekels beschermen de mierenegel tegen natuurlijke vijanden. Bij gevaar zet hij deze op, waardoor zij een ondoordringbare haag vormen. De stekelloze delen van het lichaam worden op verschillende manieren beschermd. In zachte grond kan hij zich razendsnel met de vier poten horizontaal ingraven, waardoor de buik onder de grond verdwijnt en enkel de opgerichte stekels boven de grond blijven. Op harde grond rolt hij zich op als een egel. Ook kan hij zich met zijn sterke poten klemzetten in een rotsspleet.

Voedsel

Het dier bezit enorme graafklauwen, waarmee het de grond omwoelt, op zoek naar voedsel, dat voornamelijk bestaat uit mieren en termieten, soms aangevuld met andere ongewervelden, zoals insectenlarven en wormen, die het met zijn lange, dunne en kleverige tong oppakt.

Als het moet, kunnen ze weken zonder voedsel. Mieren die hun nesten met grote agressie verdedigen, worden over het algemeen vermeden. Een uitzondering vormen de nesten van de mier Iridomyrmex purpureus, die in augustus en september de hoofdmoot van zijn dieet vormen. In deze periode zijn de jonge koninginnen zeer rijk aan vet en verzamelen zij zich dicht bij de rand van het nest. De rest van het jaar negeert hij deze nesten volledig.

Het dier vindt zijn voedsel dankzij een uitstekende reukzin en waarschijnlijk ook dankzij elektroreceptie: hij heeft ongeveer 400 elektroreceptoren in het uiteinde van de snuit, zintuigen die elektrische signalen kunnen opvangen. In natte grond, bijvoorbeeld na een regenbui, kan hij zo prooidieren opsporen. Bij het foerageren woelt hij met zijn grote graafklauwen de grond om. Zijn prooi pakt hij met zijn lange, kleverige tong op. Net als de miereneter heeft de mierenegel geen tanden. Hij verwerkt zijn eten tussen zijn verhemelte en de basis van zijn tong. Het verhemelte is voorzien van zeven dwarse rijen van kleine, stekelige hoornribbels.

In gevangenschap is waargenomen dat mierenegels ook brood en gehakt eten.

Voortplanting en ontwikkeling

Vrouwtjes van de mierenegel zijn niet elk jaar vruchtbaar. De vruchtbare vrouwtjes paren met meerdere mannetjes. Tijdens de voortplantingstijd, van juli tot september, laat het vrouwtje een geurspoor achter door de cloaca binnenstebuiten te keren, waardoor de geurklieren in de wand van de cloaca naar buiten komen. De geur trekt mannetjes aan. Vaak vormen de mannetjes zo een "trein", waarbij tot zes mannetjes een vrouwtje in een rij volgen.

In de koudere gebieden, waar mierenegels een winterslaap houden, ontwaken de mannetjes zo'n maand vroeger dan vrouwtjes. Tijdens die maand paren sommige mannetjes met vrouwtjes, die dan met een verlaagde lichaamstemperatuur paren en daarna soms weer verdergaan met hun slaap.[4][5]

Na een draagtijd van 21 tot 28 dagen legt de mierenegel een ei, zelden twee, in een tijdelijke buidel, die aan het begin van de voortplantingstijd aan de achterzijde van de onderbuik van het vrouwtje groeit en de melkvelden omvat. Na verloop van tijd verdwijnt de buidel weer. Het ei van een mierenegel is klein, rond en met een zachte, leerachtige schaal, als van een reptiel. Aan de buitenzijde is het kleverig, zodat het beter in de buidel blijft zitten. Bij het leggen draait het vrouwtje zich op haar rug, om het ei in de buidel te plaatsen.

Na ongeveer tien tot elf dagen komt het ei uit. Het jong breekt dan met zijn eitand de schaal open. Bij de geboorte weegt het jong 0,3 tot 0,4 gram en is het ongeveer 1,5 cm lang. Het is dan kaal en heeft nog geen volledig ontwikkelde achterpoten. In de buidel voedt het jong zich met de melk die uit de areola's van de melkvelden sijpelt. Het jong blijft twee tot drie maanden in de buidel, tot zijn stekels te scherp worden. De moeder laat haar jong dan achter in een hol, dat zij iedere 1,5 tot 2 dagen bezoekt om het te zogen. Het jong groeit razendsnel. In enkele weken kan hij 100 tot 200 keer zijn eigen gewicht aankomen. Na zes maanden wordt het jong gespeend. Na 180 tot 205 dagen, wanneer het jong het hol verlaat, weegt het 800 tot 1300 gram. Na twaalf maanden is het jong zelfstandig.

De mierenegel plant zich langzaam voort. Hij is pas na vijf jaar geslachtsrijp. Vrouwtjes krijgen iedere twee tot zes jaar een jong.

Mierenegels kunnen zeer oud worden voor een zoogdier van zijn grootte. Het oudst bekende dier was een mierenegel uit de dierentuin van Philadelphia, die 49 jaar oud werd. In het wild is een leeftijd van 45 jaar geregistreerd.

Relatie met de mens

De Aborigines van Australië en de Papoea's van Nieuw-Guinea jagen op mierenegels.

De mierenegel wordt niet bedreigd in zijn voortbestaan. Hij komt lokaal algemeen voor, heeft een groot verspreidingsgebied en de wereldpopulatie is stabiel. Bovendien past hij zich makkelijk aan en komt in een grote verscheidenheid aan habitats voor. In delen van Nieuw-Guinea neemt de soort lokaal af door overbejaging.