Stichtse Oorlog

Stichtse Oorlog
Onderdeel van De Hoekse en Kabeljauwse twisten
Stichtse Oorlog
Datum 6 augustus[1] 14813 september 1483
Locatie Sticht Utrecht
Resultaat Bourgondië behoudt macht in het Sticht.
Strijdende partijen
Kabeljauwen
Bourgondië
steden: Wijk bij Duurstede
Rhenen
IJsselstein
Hoeken
Hertogdom Kleef
steden: Utrecht
Amersfoort
Montfoort
Leiders en commandanten
David van Bourgondië
Joost van Lalaing
Frederik van Egmont
Willem II van Croÿ
Jean van Salazar
Jan IV van Ranst
Albert van Schoerle
Maximiliaan van Oostenrijk
Willem II van Gulik-Berg
Lancelot van Berlaymont
Claude de Vaudrey
Jan van Renesse van Baar
Jan van Bouchout
Melis uten Enge
Frederik uten Ham †
Engelbrecht van Kleef
Jan III van Montfoort
Gerrit Zoudenbalch
Hendrik van Zuylen van Nijevelt
Reynier van Broeckhuysen
Dirk van Zuylen van Haar
Vincentius van Zwanenburg
Willem van Wachtendonk
Jan van Lantscroon
Johan II van Kleef
Troepensterkte
400 krijgsvolk 22 sep 1481 (Slag bij Scherpenzeel)
1100-1400 krijgsvolk 13 okt 1481 (1e Slag bij Vreeswijk)
4000-5000 krijgsvolk 26 dec 1481 krijgsvolk(Slag Bij Westbroek)
500 krijgsvolk 22 sep 1481 (slag bij Scherpenzeel)
2000-2400 burgers 13 okt 1481 (1e Slag bij Vreeswijk)
1500-2000 Burgers 26 dec 1481 (Slag bij Westbroek)
ca.2.000 Kleefse troepen op 26/27 dec 1481 (inkomst in Utrecht)

De Stichtse Oorlog[2][3] of Driejarige Oorlog[4] vond tussen 1481 en 1483 plaats. De oorlog ontstond uit een mengeling van conflicten in het Sticht Utrecht in alle lagen van de bevolking en de machtswisselingen van de bisschoppen David van Bourgondië en Engelbrecht van Kleef. Daarbij speelden de Hoekse en Kabeljauwse twisten een rol, die overgewaaid waren uit het graafschap Holland.

Achtergrond

Nadat de Eerste Utrechtse Burgeroorlog in 1474 geëindigd was, kwam het Sticht onder Bourgondische controle en dit bracht de bastaardzoon van Filips de Goede, David van Bourgondië, in een stevige positie als bisschop van Utrecht. Na de dood van zijn vader was Davids halfbroer Karel de Stoute zijn voornaamste steunpilaar. Karel de Stoute overleed echter in 1477 en door het wegvallen van zijn steun kwam Davids positie in de knel. Vooral de steden Utrecht, Amersfoort en Montfoort in het Sticht wilden van de gelegenheid gebruikmaken om politieke macht te vergaren. De stad Utrecht was uiteindelijk het enige toevluchtsoord voor de Hoekse ballingen, van waaruit ze het naburige Holland bedreigden. Naar aanleiding daarvan ontstond een oorlog die drie jaar zou duren[5].

Verloop

In januari 1481, toen de problemen zich meer en meer opstapelden, was het Jan III van Montfoort die vanuit het Utrechtse ministerie besloot om het heft in eigen handen te nemen. Hij gaf het bevel om bisschop David van Bourgondië de toegang tot de stad Utrecht te weigeren. Deze bevond zich op zijn buitenverblijf in Wijk bij Duurstede. Vrijwel op hetzelfde moment werd de stad Leiden ingenomen onder leiding van Reynier van Broeckhuysen, die zich loyaal opstelde aan de kant van de Utrechtse oppositie. Zijn Hoekse partij wilde af van het Bourgondisch-Habsburgse machtsblok in de Lage Landen. Stadhouder Joost van Lalaing en Jan IV van Ranst ontzetten Leiden in april. Vlak daarvoor nam Jan III van Egmond Dordrecht in. Al snel werden ook de steden Gouda, Oudewater en Schoonhoven ingenomen, die daardoor in de Kabeljauws-Bourgondische invloedssfeer kwamen.

1481

Op 6 augustus 1481 kwamen twee raadslieden van David van Bourgondië in de stad Utrecht aan om het stadsbestuur te melden dat Jan van Montfoort en zijn Hoekse benden de stad moesten verlaten. De volgende dag omsingelden Van Montfoort en zijn medestanders echter het Stadhuis van Utrecht en dwongen het bestuur voor hun factie te kiezen, waarna alle Kabeljauws-Bourgondische aanhangers de stad verlieten en sommigen zelfs verjaagd werden. Daaronder bevond zich Van Montfoorts grootste tegenstander in de stad, Jacob van Amerongen[6]. Met de oppositie kwam het op 22 september 1481 tot een eerste treffen in de Slag bij Scherpenzeel, waarbij onder meer het dorp verwoest werd door Kabeljauwse stropers. De Hollandse stadhouder, Joost Van Lalaing (in Bourgondische dienst), verwoestte Jutphaas in oktober, maar verloor de Slag bij Vreeswijk op 13 oktober 1481. In de nacht van 10 op 11 december 1481 veroverden de Utrechtse Hoeken door middel van een list de stad Naarden en plunderden die [7]. Die maand verzamelde Van Lalaing een grote krijgsmacht in Naarden, legde Eemnes, Baarn en Soest (tussen 21 en 23 december 1481) in de as en behaalde in de Slag bij Westbroek (26 december 1481) een volledige overwinning op de Utrechters van de Hoekse factie.

De Hoekse Utrechtse opstandelingen zochten steun in hogere kringen, onder andere bij koning Lodewijk XI van Frankrijk, die in staat van oorlog met de Bourgondiërs verkeerde. Ook Johan II van Kleef was wel genegen om de opstandelingen te helpen van het Bourgondische huis af te komen, maar wilde als tegenprestatie dat zijn broer Engelbrecht de zetel van aartsbisschop van Utrecht zou gaan bekleden. Engelbrecht kwam met zijn leger in Utrecht aan, waar Jan van Montfoort hem meteen als ruwaard van de stad wilde aanstellen[8], maar dit werd tijdelijk tegengewerkt door de geestelijkheid van de stad. Bisschop David van Bourgondië kon intussen alleen op steun rekenen van Frederik van Egmont, heer van IJsselsteijn, die echter niet opgewassen bleek tegen de felle Hoekse opstandelingen en met moeite zijn eigen gebied kon beschermen.

1482

Johannes Hinderikus Egenberger: De sprong van Jan van Schaffelaar in 1482, een voetnoot bij de Stichtse Oorlog, die uitgegroeid is tot bekendste voorval.

Op 1 januari 1482 besloten de Hoeken om de Lekdijk boven het dorp 't Waal door te steken, waarbij al het land tot de Utrechtse Tolsteegpoort (oostelijk), de Vleutense Vaart (westelijk) en de Sint Anthoniedijk (noordelijk) onder water kwam te staan[9]. Dit was bedoeld om een mogelijke belegering van de stad door de Hollanders en Bourgondiërs tegen te werken. Tussen 14 en 18 januari 1482 trokken op ongeveer hetzelfde moment David van Bourgondië vanuit Wijk bij Duurstede met Glandijn de Bondre en 125 ruiters en Joost van Lalaing met zijn ruiters vanuit Naarden richting de stad Utrecht om een uitbraak van Hoekse troepen uit de stad uit te lokken. Dit mislukte echter en uit onvrede werden twee naburige kloosters, "Oosteind" en "Vredendaal", geplunderd[10]. Stadhouder Joost van Lalaing trok met zijn manschappen, nadat het dorp De Bilt was geplunderd, op 18 januari weer terug naar Naarden. De bisschop bleef nog tot 21 februari 1482 met zijn troepen voor de Catharijnepoort liggen, maar trok daarna ook weg naar Wijk bij Duurstede. Op 17 maart 1482 werd door de Utrechtse Hoeken onder Vincentius van Zwanenburg bij verrassing de stad Vianen ingenomen, wat de juist "neutraal" gebleven familie Van Brederode in verlegenheid bracht[11]. Landsheer Maximiliaan van Oostenrijk verbleef in april op de Veluwe, waar hij na het overlijden van zijn vrouw Maria van Bourgondië kort bijkwam en afleiding zocht in de jacht. David van Bourgondië zag dit als een uitgelezen kans en stuurde een afgezant naar hem toe om steun bij hem te krijgen. Maximiliaan wilde wel ingaan op dit verzoek, maar onder zijn eigen voorwaarden. Het enige wat hij deed was de bevoorrading naar het Sticht te belemmeren door ruitervolk op de been te brengen[12].

Begin juli 1482 veroverde en vernielde David van Bourgondië het Kasteel Geerestein, in bezit van een van zijn tegenstanders, de familie Van Zuylen van Nievelt. Een van de meest bekende voorvallen uit deze episode is die van Jan van Schaffelaar. Die werd met zijn ruiters in Barneveld omsingeld en zocht zijn toevlucht in de kerktoren, waarvan hij gedwongen werd af te springen. Op 14 en 15 juli werden de burchten van Harmelen en de Haar belegerd en ingenomen door de troepen van Joost van Lalaing[13]. Lalaing kon echter niet verder met zijn plundercampagne, omdat hij zich moest bemoeien met de Inname van Hoorn. Engelbrecht van Kleef trok echter met zijn Kleefse soldaten het achterland van het Sticht in, plunderde dat tot aan de Hollandse stad Naarden en legde Amerongen deels in de as. Op 26 augustus 1482 vervolgde hij zijn opmars met het beleg van IJsselstein, maar brak dit in september weer af. Vervolgens werden er in Den Bosch en Wageningen pogingen ondernomen om de twee rivaliserende bisschoppen bepaalde eisen te laten overleggen, maar dit mislukte. Tussen 18 september en 12 oktober 1482 werd het blokhuis op de Vaartse Rijn bij Vreeswijk door de Hollanders en Bourgondiërscompleet verwoest, wat een enorm verlies betekende voor de Utrechtse Hoeken. Daarna werd de steun voor de Hoekse opstandelingen minder, doordat op 23 december 1482 vrede werd gesloten tussen Bourgondië en Frankrijk., Daardoor viel een mogelijke steun van Lodewijk XI van Frankrijk weg.

1483

Zie Beleg van Utrecht (1483) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Johannes Hinderikus Egenberger: Bisschop David van Bourgondië gevangengenomen en op een mestkar afgevoerd naar Amersfoort in 1483.

De Utrechtse Hoeken met de steden Utrecht, Amersfoort en Montfoort moeten in 1482/83 een zware winter met een enorme hongersnood hebben gehad door het kwijtraken van de bevoorradingsroutes bij Vreeswijk en Eemnes. Tegen het einde van de winter in februari-maart 1483 waren de Hoeken onder Engelbrecht van Kleef genoodzaakt om te gaan plunderen en brandschatten in de omgeving van Wageningen en Rhenen in de regio van de Utrechtse Heuvelrug. De dorpen Maarsbergen, Elst en Cothen moesten het ontgelden. Kasteel Amerongen werd geplunderd en de stad Rhenen werd met een list ingenomen.

Een deel van de inwoners van de stad Utrecht wilde op dat moment weer vrede en stuurde brieven naar David van Bourgondië in Wijk bij Duurstede met de vraag of hij weer terug wilde keren naar de stad. De Bourgondisch-Kabeljauwse factie, die de bisschop weer terug wilde, sloot Jan III van Montfoort en zijn gezelschap op in de Dom van Utrecht en zo kon David van Bourgondië op 21 april 1483 weer terug keren op zijn bisschopszetel[14]. Van Montfoort en zijn Hoekse aanhangers moesten de vrede ondertekenen en zich overgeven. Daarbij moest de stad Montfoort ook weer overgedragen worden aan de bisschop. David van Bourgondië trok enkele dagen later naar Montfoort in de veronderstelling daar ingehuldigd te worden. Maximiliaan van Oostenrijk was echter net begonnen met een beleg van het stadje en was niet van plan het uit handen te geven aan de bisschop[15]. Een illusie armer trok de bisschop weer terug naar de stad Utrecht. In mei laaiden de onlusten weer op, doordat de stad Amersfoort met een leger van circa 300 a 400 Kleefse soldaten onder Hendrik van Zuylen van Nijevelt de stad Utrecht opnieuw belegerde en die zelfs op 3 mei 1483 binnendrong. Van Zuylen-Nijevelt sneuvelde daarbij en David van Bourgondië werd op een mestkar afgevoerd en naar Amersfoort gebracht, waar hij voorlopig gevangen werd gezet[16]. De bisschop had de stad Utrecht maar 12 dagen in bezit gehad en na zijn vernederende aftocht werden Jan III van Montfoort en Engelbrecht van Kleef weer hersteld als Hoekse machthebbers. Intussen had landsheer Maximiliaan van Oostenrijk weinig succes bij het beleg van Montfoort en brak dat na het vernemen van de gevangenschap van David van Bourgondië weer af om op 23 juni 1483 het beleg van Utrecht op te slaan. Na maanden van beleg kon hij de stad innemen en Amersfoort gaf zich door middel van een verdrag ook over.

Nasleep

Op 3 september 1483 werd er onder toezicht van Maximiliaan van Oostenrijk een vredesverdrag tussen de partijen ondertekend. Een kopie van dit verdrag bevindt zich in een manuscript in de Universiteitsbibliotheek Utrecht (met signatuur Hs. 685). David van Bourgondië werd weer hersteld als bisschop van Utrecht en bleef dit tot aan zijn dood. De situatie in het Sticht en de Lage Landen bleef echter allerminst rustig. Op kleinere schaal hielden de onlusten aan. In 1488 brak er een nieuwe periode aan van conflicten, die later bekend zouden worden als de Jonker Fransenoorlog (1488-1490).

Gevechten

Referenties