Sint Fris van Bassoues
| Sint Fris | ||||
|---|---|---|---|---|
![]() | ||||
Beeld van Sint Fris in de kerk van Lupiac | ||||
| Gestorven | 732 te Bassoues | |||
| Naamdag | 16 januari, 25 juni | |||
| Attributen | harnas, vaandel | |||
| Lijst van christelijke heiligen | ||||
| ||||
Sint Fris, ook bekend als Fris van Bassoues (ook wel Frix of Fritz, Latijn Frisus of Frisius) is een soldatenheilige die wordt vereerd in de regio Aquitanië, departement Gers, in Frankrijk. Hij wordt beschouwd als de verdediger van Aquitanië tegen de opmars van de Saracenen in de 8e eeuw. De legende beschouwt hem als een ridder van Friese afkomst, naar verluidt een zoon van koning Radboud. Zijn grafmonument bevindt zich in de basiliek van Saint-Fris de Bassoues.
De naam van Sint Fris is bekend sinds de 11e eeuw. Zijn populariteit kende een hoogtepunt in de 16e eeuw en maakte na het midden de 19e eeuw een opleving door. Sinds 2001 is Sint Fris de patroonheilige van de nieuw opgerichte parochie Saint-Fris-d'Anglès (Bassoues, Montesquiou). Zijn huidige verering is grotendeels beperkt tot vier parochies in de regio Astarac.
De legende van Sint Fris is niet gebaseerd op historische bronnen. Aan de basis van het verhaal liggen eerder troubadourliederen en andere vormen van kruistochtpropaganda. In de Chanson de Roland en de gefingeerde kroniek Historia Caroli Magni figureren meerdere Friese koningen. De basiliek van Sint-Fris ligt bovendien aan de Via Tolosana, een van de 12e-eeuwse pelgrimsroutes naar Santiago de Compostela, hetgeen wellicht heeft bijgedragen aan de populariteit van de cultus. Hagiografen uit de 17e eeuw hebben de legende van een historische context voorzien. De heilige wordt wel behandeld in het handboek Acta Sanctorum op 24 juni (1695), maar ontbreekt in de meeste andere naslagwerken.[1] Het kerkelijke naslagwerk Bibliotheca Sanctorum concludeert in 1964 dat er vanwege het gebrek aan bronnen twijfel blijft bestaan over de heiligenstatus van Sint Fris.[2]
Legende
Het personage Fris is omgeven door sagen, waarvan moeilijk te bepalen is of ze zijn gebaseerd op werkelijke gebeurtenissen dan wel op literaire verbeelding. Volgens de kerkelijke overlevering was Fris – waarschijnlijk in de betekenis ‘de Fries’ – een bevelhebber van een Frankisch leger tijdens het bewind van hofmeier Karel Martel. Hij zou in het jaar 732 na Christus in de strijd tegen de Saracenen zijn gesneuveld.
Dezelfde overlevering bericht dat Fris de zoon van de koning van Frisia was. Een inscriptie boven een vroeg-16e-eeuws kerkportaal toont de heilige als een ridder te paard, vergezeld van de tekst: Sanctus Frisius, filius regis Frisiae – Sancte Frisi, ora pro nobis (“Heilige Fris, zoon van de koning van Frisia – Heilige Fris, bid voor ons”).[3] Als teken van zijn koninklijke afkomst is een kroon op zijn helm afgebeeld, terwijl hij in zijn hand een scepter vasthoudt. Er wordt bovendien aangenomen dat Fris geen doopnaam was, maar een verwijzing naar de herkomst van de heilige. De geschiedenis van Sint Fris is grotendeels gebaseerd op een verslag van aartsbisschop Léonard de Trappes uit 1623, die zich beriep op een manuscript dat in de 17e eeuw verloren is gegaan, aangevuld met plaatselijke tradities.
De Jezuïet Daniël van Papenbroeck van het genootschap der Bollandisten, die in 1691 correspondeerde met de kanunniken van Bassoues, concludeerde dat Fris mogelijk een zoon was van de heidense koning Radboud van Frisia en een oomzegger van de Frankische hofmeier Karel Martel. De kanunniken, die zich het verloren manuscript herinnerden, gaven hun kennis later door aan de vicaris-generaal van de aartsbisschop, abt d’Aignan du Sendat (1681–1764). Volgens d’Aignan du Sendat was het in zijn tijd "een algemeen aanvaarde opvatting" dat Fris de zoon van Radboud was.[4]
Volgens het levensverhaal van Wolfram van Sens (Vita Vulframni), geschreven rond 800, had koning Radbod inderdaad een zoon die werd gedoopt en naar zijn vader was vernoemd, maar hij stierf enkele dagen na de doop terwijl hij nog het witte doopkleed droeg.[5] De Annalen van Metz, eveneens rond 800 gedateerd, vermelden dat hofmeier Grimoald (de zoon van Pepijn van Herstal) een zoon had bij zijn concubine, die Theudoald werd genoemd. Het theud- of thiad- element in zijn naam kan erop wijzen dat de jongen in werkelijkheid de zoon was van Radbouds dochter, genaamd Theudesinda of Thiadsvind.[6] Alleen het huwelijk tussen Grimoald en Theudesinda in het jaar 711 is historisch. Al met al blijft de ware identiteit van de heilige onderwerp van speculatie.[7]
Slag van l'Étendard
Ook de berichten over de Slag van l'Étendard zijn grotendeels legendarisch. In het jaar 732 rukte een Omajjadisch leger, onder leiding van Abdul Rahman Al Ghafiqi, op in de regio Aquitanië. Dit leidde uiteindelijk in oktober van dat jaar tot de grote Slag bij Poitiers (ook: Tours), waarin Karel Martel zijn bijnaam martellus (“de hamer”) verwierf. Volgens de legende gaf Karel aanvankelijk opdracht aan Fris om met een kleine verkennersmacht vooruit te trekken en het vijandelijke leger uit te dagen. In juni 732 kwam het tot een confrontatie. De eerste slag vond plaats bij Lupiac en bleef onbeslist. Fris hergroepeerde zijn troepen op een heuvel bij La Tapia (het huidige Bassoues), aan de Ténarèze, een belangrijkste transhumanceroute van Bordeaux naar de Pyreneeën, die hier de 12e-eeuwse pelgrimsweg naar Santiago de Compostela kruist. Op deze hoogvlakte plantte hij op 24 juni zijn vaandel en ging opnieuw de strijd aan met de Omajjaden. Dit is de reden waarom de slag bekend staat als de Slag bij l’Étendard (“vaandel” of “banier”), die volgens overlevering plaats vond bij de Moulin de l’Étendard (ten westen van Bassoues).
Deze tweede slag werd wel door de Franken gewonnen, maar Fris liet hierbij het leven. Hij werd door een pijl in zijn dij getroffen en door zijn paard van het slagveld gedragen. Hij stierf aan de oever van het riviertje de Guiroue en werd ter plaatse begraven (bij de Pont du Chrétien).[8] Standbeelden van Fris tonen hem vaak als vaandeldrager. In de 13e-eeuwse Friese traditie wordt de legendarische leider Sint Magnus of Magnus Forteman, van wie de relieken volgens een legende door Friese krijgers werden gered, eveneens als vaandeldrager afgebeeld. Meerdere dorpen in het voorland van de Pyreneën hadden Sint Magnus als patroonheilige.

Dat Friezen meevochten in Frankische legers was niet ongewoon. Zowel Friese als Saksische eenheden vochten bijvoorbeeld voor het Frankische Rijk tegen de Slaven en de Avaren, waardoor ze zelfs tot aan de rivier de Donau in het moderne Hongarije kwamen.[9] In 955 namen ze deel aan de Slag op het Lechveld.
Een ander interessant aspect is dat Fris wordt voorgesteld als ruiter. De indruk wordt gewekt dat Fris deel uitmaakte van een cavalerie-eenheid, mogelijk een kleine voorhoede die geschikt was om de bewegingen van het Omajjadenleger te observeren en een effectieve strategie te bedenken. In de ridderromans uit de 12e eeuw figuren de Friese kruistochtgangers soms nog als voetvolk. Later in de middeleeuwen stonden de Friezen echter bekend als goede ruiters en uitstekende paardenfokkers die hun paarden door heel Europa exporteerden. Friese paarden worden vaak genoemd in de chansons de geste. In het epos La Chevalerie Ogier de Danemarche rijdt niemand minder dan de beroemde Karel de Grote op een ceval Frise (“Fries paard”). Bovendien stonden Friese paarden in de late middeleeuwen, en ook eeuwen daarna, bekend als typische chargeurs of "oorlogspaarden".[10] Ridders te paard maakten bovendien deel uit van de traditionele iconografie van de hoge middeleeuwen.[11]
Het is echter goed mogelijk dat de verhalen pas veel later in de nasleep van de kruistochten zijn ontstaan, toen koning Radboud (Raimbaud) en zijn vermeende opvolger Gondebeuf (van wie werd beweerd dat hij als martelaar in Belin-Béliet (Gironde) begraven lag) in allerlei ridderromans figureerden. In deze verhalen werd contemporaine kruistochtpropaganda teruggeprojecteerd naar de tijd van de Karolingen. Het type van de soldatenheilige (le soldat guerrier) was in deze periode nogal populair en kwam in de ridderromans geregeld terug.[12]
Verering van Sint Fris

Volgens de legende werd de sarcofaag van Sint Fris twee eeuwen na zijn dood ontdekt door een boer die vreemd gedrag bij een van zijn koeien opmerkte. De koe weigerde te eten en likte liever aan een grote steen die in het struikgewas verborgen lag. Desondanks was de koe gezonder en vetter dan de overige koeien van de kudde. Na het verplaatsen van de steen ontdekte de boer een sarcofaag met daarin het ongeschonden lichaam van de heilige, samen met zijn harnas en wapens. Kort na deze vondst richtten de dorpelingen achter het hoofdaltaar van de dorpskerk een kapel in, die gewijd werd aan Sint Fris. Toen ze de schrijn naar de kerk wilden overbrengen, merkten ze dat de trekossen weigerden de zwaar beladen wagen te trekken. De koe die aan de steen had gelikt, volbracht de belangrijke taak echter zonder enige moeite.
Vanaf dat moment gebeurden er allerlei wonderen en werd het dorp Bassoues een bedevaartsoord. Zoals vaak wordt verteld bij de overdracht van relieken (de translatio), ontsprong er een zoetwaterbron op de plaats waar het lichaam van Sint Fris begraven had gelegen. In het nabijgelegen gehucht Andréou veranderde het deeg dat een oneerbiedige vrouw met water uit de bron had bevochtigd in bloed. Een leprozenhuis of crestias, vermeld in 1283 en 1295, bevond zich waarschijnlijk in de buurt van de bron.[13] De parochiekerk van Bassoues bezit bovendien een doopvont uit de 15e eeuw voor de leprozen of onaanraakbaren. Een verslag uit de 17e eeuw vermeldt dat dorpsbewoners heilzaam water uit de bron naar patiënten brachten die hun huis niet konden verlaten. In 1890 werd, op initiatief van de plaatselijke pastoor pater A. Blajan, de oorspronkelijke fontein op de heuvel vervangen door een kapel, vergezeld van een klein badhuis voor pelgrims.[14]
De verering van Sint Fris werd vooral geassocieerd met het genezen van epilepsie en andere chronische ziekten. In de middeleeuwen was hij mogelijk de patroonheilige van melaatsen en andere onaanraakbaren. De schedel van de heilige speelde vanouds een rol in belangrijke ceremonies, zoals de wijding van de kathedraal van Auch in 1121. De rest van zijn lichaam werd bewaard in een eenvoudige sarcofaag van zandsteen in de basiliek van Saint-Fries de Bassoues.[15]
De cultus van Sint Fris bereikte zijn hoogtepunt in de 16e eeuw en bleef populair tot het einde van het Ancien Régime. Zijn belangrijkste feestdag was op 16 januari, de dag waarop zijn lichaam werd teruggevonden, aangevuld met andere festiviteiten op 25 juni (zijn sterfdag) en 29 augustus (Onthoofding van Johannes de Doper), evenals een pelgrimstocht op Drievuldigheidszondag. Volgens de stadsrechten van 1521 gingen deze festiviteiten gepaard met een jaarmarkt. Daarnaast was er een processie op de tweede zondag van mei.[16] De parochies van Bassoues, Béraut, Gazax-et-Baccarisse, Gondrin, Lannemaignan, Laujuzan, Lupiac, Peyrusse-Vieille, Préneron, Saint-Go en Betbèze (Hautes-Pyrénées) hadden altaren gewijd aan Sint Fris, of vereerden hem als hun patroonheilige. De grafkapel van Mas-Vieux de Vic-Fezensac, waar de heilige bijzonder werd vereerd, bewaarde zijn arm. Andere kapellen bevonden zich in Aubiet, Eauze en Mont-d’Astarac.[17] Minstens dertig kerken ontvingen zijn relieken. Honderden jongens (Fris, Friz, Frix) en meisjes (Frise, Frize, Frison, Frisette) werden naar hem vernoemd.[18] De kerken van Bassoues, Gazax-et-Baccarisse, Lupiac en Peyrusse-Vieille bezitten nog steeds beelden van de heilige.
Bij het graf van de heilige vonden − na een gebed of gelofte − dikwijls wonderbaarlijke genezingen plaats. Toen de machtige aartsbisschop Henri de La Mothe-Houdancourt in 1670 de schrijn wilde openen, zou er een vlam uit zijn gekomen die zijn helpers zo schrik aanjoeg dat zij het plan opgaven. De aartsbisschop maakte Sint Fris mede-patroon van de bisschoppelijke kapel van het Château de Mazères. Verdere wonderen betroffen de genezing van de dochter van een adellijke vrouw en van een jongen van wie de arm geamputeerd zou worden.
De verering van de heilige kende een heropleving vanaf de jaren 1850, toen de basiliek van Bassoues werd herbouwd. Sinds de jaren 1880 draagt de kerk de huidige naam Basilique Saint-Fris. Het nabijgelegen meer heet Lac de Saint-Fris. In de jaren 1890 werden bovendien kapellen opgericht op de plaatsen waar hij volgens de overlevering zijn laatste gevecht leverde en waar hij stierf.[19] De cultus van Sint Fris heeft recentelijk de aandacht getrokken van extreemrechtse politici, die de soldatenheilige verheerlijken als voorvechter tegen de vermeende islamisering van Frankrijk.[20]
Basiliek van Saint-Fris de Bassoues

De eerste keer dat de kerk van Bassoues in schriftelijke bronnen voorkomt, is in het jaar 1020. In een oorkonde van november van dat jaar belooft de edelman Raymond de Bassoues dat hij het kasteel van Bassoues en de "kerk van de gezegende Fries" (ecclesia beati Frisii) zal overdragen aan het benedictijnenklooster van Saint Michiel te Pessan, om hier een nieuw klooster met een basiliek te bouwen. Het klooster moet groot genoeg zijn om alle pelgrims en voor iedereen die op weg was naar Santiago de Compostella te kunnen ontvangen. De schenkingsakte werd in 1047 hernieuwd. Later werd de kerk alsnog uitgebreid tot een driebeukige basiliek.[21] De Honderdjarige Oorlog, de Hugenotenoorlogen en de Franse Revolutie brachten echter veel schade toe aan de gebouwen.

In 1270 kwam het grondgebied van Bassoues onder het gezag van de aartsbisschop van Auch. Het dorp (toen La Tapia genoemd) werd heringericht tot een bastide (vesting), waardoor de basiliek onbeschermd bleef. Het dorp kreeg stadsrechten in 1295 en 1325. Het stadszegel van omstreeks 1400 toont Sint Fris als een ridder te paard.[22] Aartsbisschop Arnaud Aubert (1356–1371) versterkte de bastide en gaf opdracht tot de bouw van een nieuwe kerk binnen de stadsmuren – de Église de la Nativité-Notre-Dame de Bassoues – en daarnaast een indrukwekkende donjon en een markthal uit 1521. Het klooster en de basiliek raakten hierdoor in verval.
De nieuwe Geboortekerk van Maria werd in 1510 tot parochiekerk verheven en in 1512 omgevormd tot kapittelkerk (met 12 kanunniken). De laatste kloosterlingen traden waarschijnlijk toe tot het kapittel. Toch werd in 1520 ook de basiliek (nu gedegradeerd tot kapel) met de crypte van Sint Fris gerenoveerd en voorzien van renaissancedecoraties aan de portalen. Dit gebeurde in opdracht van de invloedrijke kardinaal Clermont-Ludève. Opnieuw werd hier Sint Fris te paard afgebeeld. De klokkentoren dateert uit 1453. In 1569, tijdens de Hugenotenoorlogen, werden de gebouwen in brand gestoken door de troepen van Gabriel de Lorges, graaf van Montgomery. De ruïnes werden in 1623 hersteld. Alleen de crypte bleef op wonderbaarlijk wijze onaangetast. De schedel van de heilige was inmiddels overgebracht naar Peyrusse-Grande om te voorkomen dat de hugenoten hem zouden vernietigen. Verdere vernielingen vonden plaats tijdens de Revolutie in 1793, toen het schrijn van de heilige werd opengebroken, de inhoud verspreid en deels door de dorpelingen gered. De gemeenteraad gaf opdracht tot de sloop van de basiliek. De beelden werden verbrand; alleen een deel van het hoofd van Sint Fris werd bewaard. Het graf werd gebruikt als drinkbak voor het vee van een naburige boerderij, maar een van de ossen die hieruit dronk zou zijn gestorven.
Van 1847 tot 1855 werd de basiliek in haar vroegere luister hersteld, de overgebleven relieken werden verzameld en de schedel werd in 1857 teruggebracht. De basiliek werd in 1888 opnieuw ingewijd. Zij werd in 1944 opgenomen in de Franse monumentenlijst en in 1957 gerestaureerd; het hele ensemble − met inbegrip van de archeologische waarden − werd in 2016 beschermd.
Alternatieve theorieën
Antiquaren uit de 19e eeuw bedachten het verhaal dat Bassoues vroeger een plaats van verering voor de druïden was en de locatie van een heidense tempel gewijd aan de Romeinse oorlogsgod Mars, zoals de naam van het bos van Le Marsoulès zou aantonen.[23] De mythologe Denise Homerin-Barberon heeft recent gespeculeerd dat Sint Fris de opvolger zou kunnen zijn van een oude zonnereligie. De ontdekking van zijn graf door een koe zou het vrouwelijke element van de maan vertegenwoordigen, dat door het christendom werd overgenomen als de Maagd Maria.[24]
Trivia
- Het veteranenverband Fédération "Le Combattant du Gers", opgericht in 1923, heeft Saint Fris als patroonheilige. De organisatie maakt deel uit van de landelijke Fédération nationale André Maginot.
- De Association Saint-Fris du Gers, opgericht in 1991, heeft tot doelstelling het in stand houden en propageren van de Latijnse Mis in zijn Tridentijnse vorm.[25]
- Sinds januari 2017 worden er bedevaarten naar de basiliek van Sint Fris in Bassoues gehouden, met bijzondere aandacht voor de problemen van boeren in de regio Astarac.[26]
Externe links
- Guide de la visite de Bassoues. Atelier d'Histoire du Foyer Rural de Bassoues (2023). (ook hier)
- Basilique Saint Fris. POP: la plateforme ouverte du patrimoine. Ministère de la Culture (2017).
- Hans Faber, Like Father, Unlike Son — un saint frison en France. Frisia Coast Trail (10 september 2021). Gearchiveerd op 15 februari 2023.
- Steven M. Adkins, Golden Legend of St Fris. Laws of Silence (26 juli 2007).
Literatuur
- Jacques Baudoin, Grand livre des saints: culte et iconographie en Occident, Nonette: Editions Creer, 2006, p. 229. ISBN 978-2-84819-041-9.
- Jean-Marie Bénac, Les Saints du calendre diocésain d’Auch, Auch 1916–1923, vol. 1, pp. 67–102
- Jean Guilhempey, Histoire de Bassoues et de la chapelle de Saint-Fritz, Auch 1856
- Jean Guilhempey, 'XVIe jour du Janvier: Saint Fritz, martyr à Bassoues, VIIIe siècle' [uittreksel], in: Paul Guérin, Les petits bollandistes, vies des saints de l'Ancien et du Nouveau Testament, des martyrs, des pères, des auteurs sacrés et ecclésiastiques des vénérables et autres personnes mortes en odeur de sainteté, 7e dr., vol. 1, Bar-le-Duc and Paris 1876, pp. 639–643
- Denise Homerin, 'À l’aube de l’Europe, un saint friso-gascon: la légende dorée de saint Fris de Bassoues', in: Mythologie Française. Bulletin de la Société de mythologie française, no. 194 (1998), p. 23-30 (deel 1); no.195 (1999), p. 17-28 (deel 2); no. 196 (1999), pp. 13–21 (deel 3)
- Jeff van Hout, 'De zoon van Radbod op avontuur in Zuid-Frankrijk', in: SEMafoor 17 (2016), nr. 3, pp. 2–7 (online on Nifterlaca.nl)
- Daniël van Papenbroeck, 'De S. Frisio Martyre in Auscensi Aquitaniæ', in: Acta sanctorum Junii, dl. 4, Antwerpen 1695, p. 818-819 (ook via Heiligenlexikon.de)
Voetnoten
- ↑ Jacques Baudoin, Grand livre des saints: culte et iconographie en Occident, Nonette: Editions Creer, 2006, p. 229. ISBN 978-2-84819-041-9.
- ↑ Gian Domenico Gordini, 'Frisio (fr. Fritz), santo, martire di Bassoues in Aquitania', in: Filippo Caraffa et al. (red.), Bibliotheca Sanctorum 5 (1964), kol. 1279-80.
- ↑ Bénac, Les Saints d’Auch, p. 87.
- ↑ Jean Guilhempey, Histoire de Bassoues et de la chapelle de Saint-Fritz, Auch 1856, p. 5.
- ↑ Han Nijdam and Otto S. Knottnerus, 'Redbad, the Once and Future King of the Frisians', in: Simon Halink (red.), Northern Myths, Modern Identities: The Nationalisation of Northern Mythologies Since 1800, Brill, Leiden 2018, p. 87-114, p. 98 ISBN 978-90-04-39843-6.
- ↑ Ian Wood, 'Franks and Frisians'. in: John Hines and Nelleke IJssennagger-van der Pluijm (eds.), Frisians of the Early Middle Ages, Woodbridge, NJ 2021, p. 203-222, p. 211.
- ↑ De namen van Radbouds zonen worden niet in contemporaine bronnen vermeld. 16e-eeuwse geschiedschrijvers construeerden drie gedoopte zoons van Radboud: Melcher (de zoon die na zijn doop zou zijn gestorven), Adgillis II and Poppo. Alleen de laatste is historisch, maar of hij een zoon van Radboud was, wordt betwijfeld. Het is goed mogelijk dat de kerkheren van Bassoues en Auch hun denkbeelden uit Nederlandse boeken hebben opgepikt. Vgl. Ludovico Guicciardini, Description de touts les Pays-Bas, autrement appellez la Germanie Inférieure ou Basse Allemagne, Amsterdam 1609, p. 223.
- ↑ De huidige naam Pont du Chrétien is mogelijk ontleend aan een oudere vorm Pont du Crestian of Crestias ("brug van de cagot(s) of onaanraakbaren"). Gilbert Loubais, L'énigme des cagots. Histoire d'une exclusion, Bordeaux 1995. De brug maakt deel uit van de pelgrimsroute naar Compostela.
- ↑ Robert Flierman, 'Mirror Histories: Frisians and Saxons from the first to the ninth century AD', in: John Hines en Nelleke IJssennagger-van der Pluijm (red.), Frisians of the Early Middle Ages, Woodbridge, NJ 2021, p. 223-238.
- ↑ Jorieke Savelkouls, Het Friese Paard, Gorredijk 2016.
- ↑ Vgl. René Crozet, 'Le thème du cavalier victorieux dans l'art roman de France et d'Espagne', in: Príncipe de Viana 32 (1971), p. 125-143.
- ↑ Esther Dehoux, '"Con avès non, vasal al ceval blanc ?". Sur quelques apparitions des saints guerriers lors de combats, notamment dans la Chanson d'Aspremont', in : L'epopea normanna e il territorio, actes du colloque de Reggio de Calabre (26-27 mai 2006), Reggio de Calabre 2007, p. 23-114. Esther Dehoux, Saints guerriers. Georges, Guillaume, Maurice et Michel dans la France médiévale (XIe–XIIIe siècle), Rennes 2014.
- ↑ Joseph Duffour, Livre rouge du chapitre métropolitain de Sainte-Marie d'Auch, Paris en Auch 1907, p. 442 (Archives historiques de la Gascogne, 2e ser., dl. 11).
- ↑ Fontaine Saint Fris. Fontaines des Landes (11 July 2024). Geraadpleegd op 23 August 2024.
- ↑ Laurent Marsol, Patrimoine vivant du Diocèse d'Auch, Hallennes-lez-Haubourdin 2016, p. 71-72. Bénac en anderen wekten ten onrechte de indruk dat de sarcofaag uit marmer of graniet bestond. Jean-Marie Bénac, Les Saints du calendre diocésain d’Auch, Auch 1916-1923, dl. 1, p. 67-102. Louis-Clément Brugèles, Chroniques ecclésiatiques du diocèse d‘Auch, Toulouse 1746, p. 383-385.
- ↑ Bénac, Les Saints d’Auch, pp. 94-95.
- ↑ Bénac, Les Saints d’Auch, pp. 90-91, 95. De voormalige kerken van Préneron en Saint-Go hadden Sint Fris als patroonheilige. Bénac noemt ook de voormalige parochies van Saint-Fris Castets (ten zuiden van Aignan) en Thézan (bij Lagraulet-du-Gers).
- ↑ Madeleine Houth-Baltus, 'Les prénoms des habitants de Mirande au XVIIe et au XVIIIe siècles', in: Revue internationale d'onomastique 8 (1956), no. 1, pp. 31-42, pp. 37-38. Henri Polge, 'Les prénoms "Fris" et "Frise"', in: Bulletin de la Société archéologique, historique, littéraire & scientifique du Gers 60 (1959), p. 88.
- ↑ Maurice Bordes, 'Jean-Marie Pandellé (1904-1967), le dernier missionnaire diocésain', in: Bulletin de la Société archéologique, historique, littéraire & scientifique du Gers 99 (1998), p. 107-123, p. 120.
- ↑ À Bassoues, le Rassemblement National commémore Saint Fris. Le Petit Journal (25 June 2018). Geraadpleegd op 29 August 2024.
- ↑ De literatuur geeft geen uitsluitsel op de vraag de uitbouw tot basiliek al in de 11e eeuw gebeurde of pas in de 16e eeuw.
- ↑ Brigitte Bedos Rezak, Corpus des sceaux français du Moyen Âge, dl. 1, Paris 1980, p. 92 (no. 83). Paul Laplagne Barris, Sceaux gascons du moyen âge (gravures et notices), publiés pour la Société historique de Gascogne, deel 1: Sceaux ecclesiastiques. Sceaux des rois de Navarre et des grands feudataires, Parijs en Auch 1888, p. 542 (no. 653).
- ↑ Jean Justin Monlezun, Histoire de Gascogne, vol. 2, Auch 1846, p. 6. Guérin, Les petits bollandistes, vol. 1, 1876, p. 639. Paul Pioplin and Paul Guérin, Supplément aux vies des saints et spécialement aux Petits bollandistes, vol. 1, Paris 1888, pp. 156-158.
- ↑ Denise Homerin, 'À l’aube de l’Europe, un saint friso-gascon: la légende dorée de saint Fris de Bassoues', in: Mythologie Française. Bulletin de la Société de mythologie française, no. 194 (1998), p. 23-30 (deel 1); no.195 (1999), p. 17-28 (deel 2); no. 196 (1999), pp. 13–21 (deel 3)
- ↑ L'association Saint-Fris retrouve un second souffle à Auch. La Dépêche du Midi (29 May 2021). Geraadpleegd op 29 August 2024.
- ↑ Michel Hamon, Pélerinage de St. Fris. Le Journal de Gres (24 January 2017). Geraadpleegd op 29 August 2024. Saint-Fris et la prière 'écolo' du paysan. La Dépêche du Midi (21 January 2019). Geraadpleegd op 29 August 2024.
Bronnen
- Dit artikel of een eerdere versie ervan is een (gedeeltelijke) vertaling van het artikel Saint Fris op de Engelstalige Wikipedia, dat onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen valt. Zie de bewerkingsgeschiedenis aldaar.
