Sint-Barbaraklooster (Delft)

Sint-Barbaraklooster
Gezien vanaf de Oude Delft.
Gezien vanaf de Oude Delft.
Plaats Delft
Adres Barbarasteeg 7-9 Oude Delft 55-57Bewerken op Wikidata
Coördinaten 52° 0 NB, 4° 22 OL
Religie tot 1572 rooms-katholiek
Kloosterorde Derde Orde van de franciscanen
Gebouwd in 1405
Restauratie(s) na de stadsbrand van 1536,
na 1572 tot weeshuis
Huidige bestemming Studentenvereniging K.S.V. Sanctus Virgilius
Gewijd aan Barbara van Nicomedië
Monumentale status Rijksmonument
Monumentnummer  11987
Architectuur
Bouwmateriaal  baksteen
Sint-Barbaraklooster (Centrum)
Sint-Barbaraklooster
Portaal  Portaalicoon   Religie

Het Sint-Barbaraklooster, door de tijd heen ook bekend als het Weeshuis der Gereformeerden en Sociëteit Alcuin, is een rijksmonument en voormalig kloostercomplex in de stad Delft, in de Nederlandse provincie Zuid-Holland. Het klooster begon als woonhuis, maar dijde in de 15de en 16de eeuw uit tot een complex met meerdere gebouwen. Onder invloed van de reformatie verviel de religieuze bestemming, en vestigde zich er een weeshuis. Halverwege de 20ste eeuw werd een deel van het complex in gebruik gebruik genomen als studentensociëteit.

Historische context

In de Middeleeuwen telde de Delftse binnenstad tien kloosters.[1] Een daarvan was het Sint-Barbaraklooster, dat zich in 1405 vestigde aan de Oude Delft. Het klooster begon als woonhuis, maar werd in de loop der jaren verder uitgebouwd. [2][3][4] De stadsbrand van 1536 legde weliswaar een groot deel van het klooster in de as, maar door donaties en de verkoop van land kon het klooster volledig herbouwd worden.

Ondertussen rukte het protestantisme op in Europa. De Rooms-katholieke heerser Filips II trad hard op tegen het nieuwe geloof. Als tegenreactie kregen de Rooms-katholieken het in de Staten van Holland tijdens de Tachtigjarige Oorlog zwaar te verduren. In 1572, het jaar waarin de watergeuzen Den Briel veroverden op de Spanjaarden, werden invloedrijke kloosterlingen vervolgd en vermoord, waaronder ook Cornelis Muys, de laatste rector van het Delftse Agathaklooster. Priester Christiaan van Adrichem, die op dat moment aan het hoofd stond van het Barbaraklooster, besloot een dergelijk lot niet af te wachten, en ontvluchtte het land.[5] Terwijl Willem van Oranje zijn intrek nam in het Sint-Agathaklooster, werd Willem II Lumey, opperbevelhebber van de Watergeuzen in dienst van de Nederlandse Opstand, ingekwartierd in het Barbaraklooster. Aan de achtergebleven zusters werden hoge belastingen opgelegd.[6] In 1575 publiceerden de Staten van Holland een resolutie waarin werd afgekondigd dat alle kloosters en conventen, inclusief bijbehorende landerijen, geschonken werden aan de lokale stadsbesturen.[7][8][9]

In de veertiende eeuw kreeg Delft toestemming van de graaf van Holland om de voogdij over ouderloze kinderen te regelen. In de decennia die volgden kreeg de Weeskamer vorm, een college van overheidsdienaren die belast waren met de zorg voor ouderloze kinderen. Deze zogenoemde weesmeesters werden bij hun werk ondersteund door de Heilige Geestmeesters, ambtenaren die door het stadsbestuur waren aangesteld om zich over de armen te bekommeren, en de fondsen en giften te beheren die voor de armenzorg bestemd waren. Ouderloze kinderen werden aanvankelijk zo veel mogelijk bij familie ondergebracht, of er werd gezocht naar pleeggezinnen. Zo lang er nog geen pleeggezin was gevonden, werden de kinderen tijdelijk in armenhuizen ondergebracht. In de zestiende eeuw nam het aantal hulpbehoevenden in Holland echter sterk toe, onder meer door de vele vluchtelingen vanuit de Zuidelijke Nederlanden. Dit vroeg in het hele land om modernisering van de wezenzorg.[10] Toen in 1575 in Holland alle kloosters en conventen aan de lokale stadsbesturen werden geschonken, grepen verschillende steden de gelegenheid aan om de vrijgekomen complexen als instelling in te richten om grote groepen wezen in op te vangen. In 1579 besloot het stadsbestuur van Delft om het Barbaraklooster als locatie voor een weeshuis aan te wijzen.[11] Zo'n 300 tot 400 kinderen werden in het complex gehuisvest.[8] Aan het begin van de 19de eeuw werd het weeshuis omgedoopt naar "Weeshuis der gereformeerden binnen Delft". Het weeshuis nam weliswaar kinderen aan van alle gezindten, maar men was van mening dat de kinderen wel allemaal met de leer van de Staatskerk moesten worden opgevoed.[12]

Waar er aan het begin van de 18de eeuw nog een grote verbouwing van het weeshuis plaats had naar de stijl van die tijd,[2] zo werd het gebouwencomplex een kleine tweehonderd jaar later nog maar nauwelijks onderhouden. Aan het begin van de 20ste eeuw waren de gebouwen op het terrein inmiddels zodanig vervallen, dat het niet langer veilig werd geacht voor de huisvesting van kinderen. De kinderen werden daarom in 1910 overgebracht naar een nieuw gebouw aan het Koningsplein.[12]

Tussen 1910 en 1947 raakte het kloostercomplex verder in verval. De gemeente wist het aanvankelijk nog te verhuren aan verschillende tijdelijke gebruikers,[13][14] maar vanaf 1925 stonden de gebouwen het grootste deel van de tijd leeg.[7]

Kort na de Tweede Wereldoorlog werd het vervallen kloosterterrein geadopteerd door de Katholieke Studentenvereniging Sanctus Virgilius. De studenten droegen - met overheidssubsidies, sponsoring en donaties - zorg voor de volledige renovatie van het gebouw, en kochten het uiteindelijk over van de gemeente Delft.

Gebruik en bewoners

Kloostergemeenschap (1405 - 1579)

Aan het einde van de 14e eeuw besloot een groep vrouwen zich van de buitenwereld af te sluiten en een kloostergemeenschap te stichten. Deze gemeenschap, die enkele jaren later bekend zou worden als het Sint-Agathaklooster, vestigde zich in een huis halverwege de Oude Delft, ter hoogte van de Oude Kerk (toen nog Sint-Bartholomeuskerk). In 1400 besloot de gemeenschap haar kloosterleven in te richten naar de derde leefregel van Franciscus van Assisi.[3][15] Niet iedereen kon zich echter in deze beslissing vinden. Een van de zusters, de weduwe Hase Dirck, besloot de orde te verlaten en een nieuwe gemeenschap te stichten met een vrije leefregel. Ze verzamelde enkele jongedames om zich heen, onder wie haar twee dochters, en noemde de nieuwe gemeenschap naar haar oudste dochter Barbara.

De zusters van het nieuw gevormde Barbaraconvent – geen nonnen, maar vrouwen die zich beschouwden als conventualen[5] – kochten in 1405 een huis met een stuk grond aan het begin van de Oude Delft, ter hoogte van de Breestraat. Het huis, dat eerder van ene Gerrit Bosschaerts was geweest en aan de zusters van het Agathaklooster had toebehoord, werd verbouwd en daarna in gebruik genomen door de zusters van het Barbaraconvent. Ene Claes Butsiel werd de rector van het nieuwe klooster.[3][4]

In de eerste jaren leefden de zusters van het Barbaraconvent in grote armoede. De aankoop van het klooster had hen honderd nobels gekost, terwijl ze daarnaast jaarlijks een nobel grondrente en acht Hollandse ponden moesten afdragen. Vier jaar later stond er van de totale koopsom nog een schuld open van 260 pond.[16] De zusters van het Sint-Agathaklooster, met wie ze aanvankelijk in onmin leefden, besloten in 1409 hun hand over het hart te strijken en de resterende schuld kwijt te schelden,[3] op voorwaarde van een jaarlijkse rente van zes lood zilver.[16]

Claes Butsiel werd als rector opgevolgd door Pieter Gerrits, die ook rector was van het fratersklooster Sint-Hieronymusdal. Onder zijn leiding werd het Barbaraklooster welvarender, en kon er een kleine kerk bij het klooster worden gebouwd. Deze werd ingewijd op zondag 24 maart 1417. Vervolgens wist Pieter Gerrits de zusters te overtuigen hun vrije leefregel op te geven en, net als de zusters van het Sint-Agathaklooster, voortaan de derde leefregel van Franciscus van Assisi te aanvaarden. Op 24 juli 1418 legden de zusters hun geloften af en vormden zij vanaf dat moment een besloten kloostergemeenschap.[3][13] Er waren toen 24 zusters.[2]

In 1536 legde de stadsbrand van Delft een groot deel van de stad in as, waaronder ook het Barbaraklooster. Het woonhuis, de kapel, de bibliotheek met meer dan honderd handschriften, de inboedel en de eigendomsbewijzen van grote stukken land buiten de stadswal gingen in vlammen op.[3][13][17] Om de wederopbouw te bekostigen, verkochten de zusters honderd morgen land.[2][17] Dankzij giften van vermogende Delftenaren kon het klooster herbouwd worden,[3][13] wat in 1550 voltooid was.[18] Er volgde een periode van bloei. De kloosterzusters leefden van handenarbeid en het klooster werd zeer rijk. Tussen 1557 en 1561 waren de inkomsten bijzonder hoog.[16] In 1569 gaf de Spaanse koning Filips II toestemming om voor een bedrag van 7.826 Carolusguldens verkocht land terug te kopen.[3][17]

In 1572 - de Tachtigjarige Oorlog tegen de koning van Spanje was inmiddels in volle gang - werd Lumey met zijn watergeuzen in Delft binnengehaald. Door moordpartijen op rooms-katholieke geestelijken eerder dat jaar had hij geen goede reputatie.[19] De priester Christiaan van Adrichem, die op dat moment aan het hoofd stond van het Barbaraklooster, besloot hierop het land te ontvluchten.[5][20] Lumey werd met zijn gevolg ingekwartierd in het Barbaraklooster. Daar hield hij flink huis, met plunderingen en schofferingen van de zusters die er nog woonden.

Drie jaar later schonken de Staten van Holland het kloostercomplex aan de gemeente Delft.[7][9] Van Adrichem probeerde vanuit Duitsland de zusters ertoe te bewegen om naar hem toe te komen en zich bij hem te vestigen. De zusters bleven echter standvastig; naar verluidt probeerden zij zelfs nog schadevergoeding te verhalen bij het stadsbestuur van Delft, maar zonder succes. De laatste zusters verlieten het Barbaraklooster in 1579.

Weeshuis der Gereformeerden (1579 - 1910)

Gravure van het weeshuis omstreeks 1730

Op 8 september 1579 kregen de Heilige Geestmeesters de beschikking over het voormalige Sint Barbaraklooster, om daar een weeshuis te vestigen.[11] Voor het besturen van de interne huishouding van het nieuwe weeshuis werden uit de gegoede burgerij zes mannen en vier vrouwen aangewezen als vaders en moeders van het weeshuis. Het weeshuis, dat later de naam Weeshuis der Gereformeerden zou krijgen,[12] had geen strikt aannamebeleid. Alle jongens en meisjes waren welkom, ongeacht afkomst of religieuze achtergrond. Wel werden de wezen in het weeshuis opgevoed met de (hervormde) staatsgodsdienst.

De uitgaven van het nieuwe weeshuis waren hoog. Niet alleen huisvestte het weeshuis al gauw zo'n 300 tot 400 vondelingen en weeskinderen, het was ook verantwoordelijk voor de kosten van het het Sint Joris Gasthuis, een dolhuis ten noord-oosten van de stad. De weeskinderen en zogenoemde krankzinnigen werden aanvankelijk uit hetzelfde potje bekostigd, omdat beide groepen immers werden beschouwd als onmondig en niet in staat om zichzelf te beheersen.[8] De inkomsten van het weeshuis bestonden onder meer uit erfenissen, legaten en giften, en uit de opbrengst van de verkoop van goederen van de ouders van de wezen die in het weeshuis kwamen wonen. Ook ontving het weeshuis het salaris van de tieners die overdag een baan buiten het weeshuis hadden.

Aquarel van de linnenkamer van het Sint Barbaraklooster aan de Oude Delft 55-57

Vanaf halverwege de 17de eeuw werd het weeshuis financieel zelfstandig.

Het weeshuis was van binnen in drie verschillende woonplaatsen verdeeld; een deel voor de jongens, een deel voor de meisjes en een deel voor de kleine kinderen.[12] De zorg en opvoeding werd verricht door zes mannen, die de rol van vader kregen toebedeeld. Twee schoolmeesters waren aanwezig om de kinderen lezen en schrijven te leren. Vanaf een zekere leeftijd gingen de jongens buiten het weeshuis in de leer om een vak te leren. De meisjes bleven in het weeshuis om breien of naaien te leren.

In 1910 werden de kinderen van het weeshuis overgebracht naar een nieuw gebouw aan het Koningsplein. Het oude gebouw vond men niet langer veilig voor de huisvesting van kinderen.[12]

Geen vaste bestemming (1910 - 1947)

Na het vertrek van de weeskinderen raakte het kloostercomplex verder verwaarloosd.[21] De Technische Hogeschool gebruikte het pand vanaf 1916 enkele jaren als scheikundig laboratorium,[2][9][21] en in 1924 fungeerde het tijdelijk als noodpostkantoor, toen het postkantoor elders in de binnenstad, aan de Hyppolytusbuurt, grondig verbouwd werd.[22][20][7]

Het kloostercomplex, inmiddels door menigeen als ruïne bestempeld[13][14], stond vanaf 1925 het grootste deel van de tijd leeg.[7] Het gemeentebestuur overwoog om het hele klooster met de grond gelijk te maken om op dezelfde plaats een industrie te kunnen beginnen.[7] Zo ver kwam het niet, maar wel ging er alsnog meerdere keren een gedeelte tegen de vlakte.[2][23][24] Tijdens de Tweede Wereldoorlog zochten onderduikers hun toevlucht tot de ruïne,[20] en kort na de oorlog gebruikte de gemeente het gebouw als opslagplaats.[25]

Studentensociëteit Alcuin (sinds 1947)

Schuin tegenover het kloostercomplex bevond zich op dat moment de sociëteit van de Katholieke Studentenvereniging Sanctus Virgilius. Het pand, een dubbel herenhuis op Oude Delft 18, was in 1946 te klein voor haar honderden leden, en de studenten aasden op het bouwvallige kloostercomplex aan de overkant van de gracht.[25][26][27] In 1947 ging de gemeenteraad akkoord met het voorstel om het gebouw aan de studenten te verhuren, onder voorwaarde dat de studenten zelf voor de restauratie zouden zorgen.[14]

Architect Nico van der Laan, gespecialiseerd in kerkelijke architectuur, werd aangetrokken voor het opstellen van een renovatieplan.[21]

Met hulp van overheidssubsidies, donaties en sponsoring slaagde de vereniging er uiteindelijk in om het klooster in vier fases te renoveren en over te kopen.[28][29] Het renovatieproject werd in 1990 afgerond.[30]

De totale renovatie en wederopbouw van het kloosterterrein kostte enkele miljoenen.[28][30][31][32] Een deel daarvan werd opgehoest door de eigen verenigingsleden.[27] Daarnaast ontving de vereniging overheidssubsidies en sponsoring vanuit burgers en het bedrijfsleven.[28][29][30] Zelfs de toenmalige Paus droeg in 1950 met een gift van 5.000 gulden zijn steentje bij aan de renovatie.[33]

De studenten herstelden in eerste instantie achtereenvolgens de noordelijke vleugel (1954),[34] de westelijke vleugel (1956)[35] en de zuidelijke vleugel (1962).[36] In 1990 werd ook de oostelijke vleugel aangepakt, en verrees aan de Oude Delft een nieuwe gevel in de oorspronkelijke stijl, waarmee de sociëteit een tweede verdieping kreeg.[30] Alleen de aan het begin van de 20ste eeuw gesloopte kapel werd niet weer opgebouwd.[37]

Terrein en bebouwing

Overzicht

De bouwgeschiedenis van het Barbaraklooster voert terug naar 1405, toen de kleine gemeenschap van zusters een woonhuis aan de Oude Delft betrok. Het complex werd de daaropvolgende decennia uitgebreid met onder meer een kapel, een refectorium. Na de stadsbrand van 1536 werd het klooster geheel gerestaureerd. Direct na de inrichting tot weeshuis in 1579 vonden er ingrijpende verbouwingen en uitbreidingen plaats om alle wezen in het voormalig klooster te huisvesten. Daarna werden er rond 1760 nog enkele verfraaiingen aangebracht, maar daarna hielden de grote verbouwingen op. Vanaf 1910, toen het weeshuis zich elders vestigde, trad het verval in. Delen van het klooster werden gesloopt door instortingsgevaar of door behoefte aan ruimte. Vanaf 1947 werd er een start gemaakt om de resterende delen van het gebouw voor de ondergang te behoeden en het te renoveren.[3]

Het oorspronkelijke klooster bestond slechts uit een woonhuis. Naar middeleeuwse gewoonte was dit woonhuis langgerekt.[3] Bij de verbouwing van klooster tot weeshuis, die vanaf 1579 in gang werd gezet, werd het oorspronkelijke woonhuis gemoderniseerd. De zijgevels aan de binnenhoven kregen grotere ramen. De middeleeuwse oorsprong van het woonhuis is echter nog te zien aan de sleutelstukken onder de moerbinten. Het achterste deel van het oude huis werd gesloopt om plaats te maken voor de nieuwe westervleugel, de meisjesafdeling van het weeshuis.[3]

De kapel en het refectorium

In 1417 kreeg het klooster zijn eerste kapel. Dit werd gebouwd ten zuiden van het woonhuis, en stond een stukje van de Oude Delft af.[3]

In de loop van de 15de eeuw werd er een langgerekt refectorium tegen de achterkant van de kapel aan gebouwd, evenwijdig aan het oude woonhuis. Hierdoor ontstond er tussen het oorspronkelijke woonhuis en het refectorium een lang en smal hofje. Daarnaast werd ook de eerste kapel richting de Oude Delft flink uitgebreid. Om dat te kunnen doen, moest de voorkant van de oorspronkelijke kapel - het polygonale koor - wel eerst worden afgebroken.[3] De kapel kreeg daarmee een westelijke (oude) en een oostelijke (nieuwe) vleugel, waarbij de nieuwe vleugel voortaan doorliep tot aan de Oude Delft.[3]

In de eerste decennia had het refectorium waarschijnlijk nog geen verdieping.[3] Deze werd er ten tijde van het weeshuis aan toegevoegd, om er ten behoeve van het weeshuis een beneden- en bovenzaal van te maken, hetgeen blijkt uit het feit, dat de bovenkant van de dichtgemetselde benedenramen met hun spitsbogen boven de tussenvloer te zien zijn. [38] De bovenste gedeelten van de spitsboogvensters werden dichtgemetseld, terwijl de onderste gedeelten van de vensters een voor die tijd gangbaar woonhuisraam kregen, het laat-gotisch kruiskozijn.[3] Toen de verdieping werd aangelegd, werd de scheidingsmuur tussen de kapel en het refectorium weggehaald.[3] De oostelijke vleugel van de kapel werd ingericht als paardenstal en graanpakhuis. De vleugel raakte door de tijd heen zodanig vervallen dat hij na 1910 afgebroken moest worden,[3] en door een "zielloos aanbouwsel" vervangen werd.[2]

De verdiepingsvloer wordt gedragen door grote eikenhouten moer- en kinderbinten. De moerbinten rusten op gotische, decoratieve houten sleutelstukken en stenen consoles. Op de eerste verdieping bevonden zich een open kap, muurstijlen, korbelen, hanebalken en bokspanten.

Aan de buitenkant kenmerkt de vleugel zich door de verschillende steunberen en spitsboognissen, waar houten kruiskozijnen in zitten.[39] In een deel van de steunberen zitten op een à anderhalve meter boven de grond kleine nissen, waar vermoedelijk beeldjes in gestaan hebben.[38]

De vleugel, aan de zuidkant van het klooster, grenst aan de Barbarasteeg.

Noordelijke gebouw

Het meest noordelijke gebouw stamt uit 1550.[39] Een groot gedeelte hiervan werd in 1924 gesloopt om ruimte te maken voor een brandweerkazerne en een politiebureau.[2][3][40] Aangrenzend aan de Oude Delft bleef van het noordelijk deel alleen het voorste gedeelte van een lange vleugel, en een klein huisje gespaard. Dit werden de adressen Oude Delft 65 en 67.[40]

Verbindingsvleugel tussen het woonhuis en het noordelijke gebouw

Loodrecht op het oude woonhuis werd er een verbindingsvleugel gemaakt naar een meer naar het noorden gelegen gebouw, dat evenwijdig liep aan het oude woonhuis.[3] In deze verbindingsvleugel werd een decoratieve ingang tot het klooster aangelegd.[3]

Westervleugel

In 1579, toen het weeshuis haar intrek in het kloostercomplex nam, werd aan de westelijke punt van het woonhuis een nieuwe vleugel aangebouwd.[3] Een gevelsteel met het jaartal 1580 herinnert hier nog aan. De vleugel werd in renaissancestijl opgetrokken[41], en was bedoeld voor de meisjes van het weeshuis, terwijl de jongens hun intrek namen in het refectorium en de zaal erboven. De meisjesvleugel werd van de jongensvleugel gescheiden door een dubbel trappenhuis.

De vleugel werd in de periode 1941-1942 afgebroken vanwege bouwvalligheid.[34][42] De bij de sloop vrijgekomen bouwmaterialen werden in 1942 gebruikt voor de wederopbouw van het Prinsenhof.[43] In 1954 - ten tijde van de restauratie - nam men zich voor om de westervleugel weer op te trekken, zodra de fraaie kruisgewelven van de inmiddels uitgegraven grote kelder hersteld zouden zijn.[42]

Regentenkamer

Halverwege de verbindingsvleugel tussen het woonhuis en het meest noordelijke gebouw werd een regentenkamer ingericht. Deze werd rond 1760 vergroot en ingericht in de stijl van Lodewijk de 15de.[3] De kamer heeft een marmeren schouw, waarin in stucwerk de wapens te vinden zijn (of waren?) van de regenten (ofwel de bestuurders van het weeshuis) uit 1764, te weten dhr. Adriaen van de Lely, dhr. Adriaen Mouchon Willemsz, dhr. Hendrik Vockestaert, Jan Nicolaes Christiaen van Kretschmar, dhr Adriaen van der Goes, dhr Joan Carel van Alderwerelt en dhr Willem Adriaensz. van Staveren.[38] Bij de ingebruikname door Sanctus Virgilius werd de regentenkamer de bestuurskamer van Sociëteit Alcuin.[44]

Zie de categorie Sint-Barbaraklooster (Delft) van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.