Shoshoniet

Een stuk porfiritische shoshoniet uit de Denver Formation (63-64 miljoen jaar oud, Onder-Paleoceen) uit de omgeving van Golden (Colorado). De fenocrysten in dit gesteente zijn 3-5 mm groot en bestaan uit olivijn, augiet, plagioklaas, en soms magnetiet. Sanidien en biotiet komen voor als vervuilingen door het mengen van magma's (biotiet en olivijn komen normaal gesproken niet samen voor).

Shoshoniet is een afanitisch stollingsgesteente dat relatief rijk is in kalium. In het TAS-diagram voor IUGS-classificatie valt shoshoniet samen met mugeariet onder "basaltisch trachyandesiet". Shoshoniet heeft vaak fenocrysten van olivijn en augiet en een grondmassa van olivijn, augiet, labradoriet met kaliveldspaatranden, leuciet en glas.

De chemische samenstelling van stollingsgesteente is een breed spectrum: de grenzen tussen verschillende namen zijn arbitrair. Als er iets meer normatief sanidien in voorkomt spreekt men in plaats van shoshoniet van banakiet; met iets meer olivijn is het absarokiet. Deze drie typen ultrapotassisch gesteente worden vaak samen aangetroffen bij subductiezones waar het magma door continentale lithosfeer intrudeert of in eilandbogen. De ultrapotassische magmaserie wordt soms wel de "shoshonitische" serie genoemd. In deze serie genetisch verwante magma's neemt shoshoniet een middenpositie tussen de primaire en ultieme samenstelling in.

In de IUGS-classificatie is het verschil tussen shoshoniet en mugeariet de verhouding van de alkalimetalen natrium en kalium. Shoshoniet is rijker in kalium; mugeariet bevat meer natrium. Er is sprake van shoshoniet als de volgende vergelijking opgaat voor de gewichtspercentages van de normatieve alkali-oxiden:[1]

Shoshoniet werd voor het eerst beschreven door de Amerikaanse geoloog Joseph Iddings in 1895. Het is genoemd naar de Shoshone River in Wyoming.