Reinier Vincent von Hompesch

Reinier Vincent von Hompesch
Portretschildering Von Hompesch (anoniem, na 1714), privéverzameling
Portretschildering Von Hompesch (anoniem, na 1714), privéverzameling
Volledige naam Reinier Vincent, rijksgraaf von Hompesch zu Bollheim und Rurich
Geboren ca. 1660
Linnich
Overleden 20/26 januari 1733
Linnich
Religie Nederduits-gereformeerd
Rang generaal
Eenheid cavalerie

Reinier Vincent von Hompesch, ook wel Reinhar(d)(t) Vincent Graf von Hompesch zu Bollheim und Rurich (Linnich, ca. 1660 – Linnich, 20/26 januari 1733)[1] was een Duits-Nederlands edelman en officier in het Staatse leger. Hij was onder andere generaal van de cavalerie, militair gouverneur van Luxemburg, Namen en 's-Hertogenbosch, en opperbevelhebber van het Staatse leger. Vanaf 1706 was hij rijksgraaf van het Heilige Roomse Rijk. In 1719 kocht hij Kasteel Walburg in Ohé en Laak, dat hij liet verbouwen tot lustslot.

Levensloop

Reinier Vincent von Hompesch was een telg uit het van oorsprong Rijnlands adellijk geslacht Von Hompesch zu Bollheim und Rurich, een protestantse aristocratische familie uit de Nederrijnse hertogdommen Gulik en Berg. Hij was de vierde zoon van Johann Dietrich II von Hompesch zu Bollheim und Rurich en Anna Louisa von Ketzgen. Van zijn vele broers en zussen kozen er twee ook voor een militaire loopbaan. Zijn veel jongere broer Adam Ludwig von Hompesch (1678-1733) bracht het eveneens tot generaal in Staatse dienst.

In 1691 was Von Hompesch majoor in de Staatse cavalerie, waarvan hij in 1711 kolonel werd. Op 6 juli 1698 werd hij benoemd tot "Master of the Buckhounds" aan het Britse hof onder koning-stadhouder Willem III van Oranje. In 1701 werd hij benoemd tot generaal-majoor. Tijdens de Spaanse Successieoorlog vocht hij in de Slag bij Ekeren (1703) en het jaar daarop in de rang van luitenant-generaal in de Slag bij Blenheim, waar hij het bevel voerde over de tweede cavalerielinie. De prins van Hessen-Kassel prees hem voor zijn inzet.[2] John Churchill, hertog van Marlborough benoemde hem tot commandant van het gebied rond Trier, samen met Jacques-Louis, graaf van Noyelles en Fallais. Von Hompesch versterkte Trier en bezette daarna Saarbrücken.

In 1704 werd hij bevelhebber van de vesting Grave en omgeving. In 1705 en 1706 voerde hij het bevel over de Maasstreek. Voor zijn verdiensten werd hij in 1706 door de Oostenrijkse keizer Jozef I tot rijksgraaf van het Heilige Roomse Rijk verheven.[3] In 1708 vocht hij in de Slag bij Oudenaarde en in 1709 in de Slag bij Malplaquet.

In juli 1710 werd hij gouverneur van Douai na de geallieerde overwinning bij het beleg van de stad, dat van april tot juni had geduurd. Toen hij op 28 juli 1711 de terugtocht van de geallieerden vanuit het naburige Arleux dekte, werden zijn troepen teruggedreven naar Douai, maar in een tegenaanval opende hij voor de geallieerden de weg naar Frankrijk door een belangrijke brug te bezetten. Twee jaar later had Hompesch nog steeds het bevel over Douai toen de Fransen het na een relatief kort beleg heroverden. Hompesch beschikte over onvoldoende troepen om langdurig verzet te kunnen bieden, terwijl de bevolking, die de staat van beleg onder een protestantse bezettingsmacht niet kon waarderen, hoopte op een snel einde van de vijandelijkheden. Omdat de Franse veldmaarschalk Villars weigerde de verslagen gouverneur een eervolle aftocht te gunnen, werden Hompesch en het complete garnizoen op 29 juli 1712 gevangengenomen en namen de Fransen een grote hoeveelheid kanonnen en munitie in beslag. Daarbij kwam zijn jongere broer Adrian Gustav von Hompesch om het leven.

In 1713 werd Hompesch benoemd tot gouverneur van Luxemburg, vervolgens in 1714 van Namen en ten slotte, van 1718 tot aan zijn dood in 1733, van 's-Hertogenbosch. In 1719 kocht hij het landgoed en kasteel Walburg nabij Stevensweert. Von Hompesch liet het kasteel uitbouwen tot een luxueus lustslot met tuinen. De verbouwing koste 20.000 rijksdaalders. Een jaar later kocht hij de heerlijkheden Stevensweert en Ohé en Laak. In 1722 liet hij vlak bij het kasteel de Hompesche Molen bouwen.

In 1721 was hij buitengewoon gezant bij de Staten-Generaal in Berlijn, waar hij de hoogste Pruisische ridderorde, de Orde van de Zwarte Adelaar ontving. Op 12 april 1723 werd hij bevorderd tot generaal van de cavalerie. In 1725 ondernam hij een tweede diplomatieke missie, ditmaal voor de Nederlandse regering, toen hij onderhandelde met Simon Hendrik Adolf, graaf van Lippe-Detmold, over de aankoop door de Republiek van de heerlijkheden Vianen en Ameide – een overeenkomst die de zwaar in de schulden stekende hertog niet kon weigeren.

In de herfst van 1732, toen de spanningen met Pruisen hoog opliepen, werd Hompesch opperbevelhebber van het gehele Staatse leger. Op ruim zeventigjarige leeftijd voerde hij een aantal legeroefeningen aan de grens uit, bedoeld als machtsvertoon. Mogelijk is die inspanning teveel voor hem geweest. Hij overleed in 1733 in zijn geboortestad Linnich in het hertogdom Gulik, waar hij was voor de begrafenis van zijn broer Adam Ludwig. Hij werd begraven in de Lutherse kerk van Linnich.[4]

Von Hompesch overleed kinderloos. Een groot deel van zijn bezittingen, inclusief het Kasteel Walburg, liet hij na aan de toen tweejarige kleinzoon van zijn in 1712 bij Douai gesneuvelde broer Adrian Gustav. Deze Sigismund Vincent Lodewijk Gustaaf van Heiden (1731-1790) erfde bij testament de naam Hompesch, de titel rijksgraaf en het familiewapen. Omdat hij tevens een kleinzoon was van Johan Sigismund van Heiden (1656-1730) zou hij beide familienamen voortzetten als graaf van Heiden-Hompesch (ook Hompesch-Heyden) en heer van Ootmarsum.[5]

Eerbewijzen

Nalatenschap

Van het door Van Hompesch aangekochte en uitgebreide Kasteel Walburg in Ohé en Laak is niets meer over. De in zijn opdracht gebouwde Hompesche Molen is diverse malen gerestaureerd en verkeert in goede staat (maalvaardig). De bakstenen stellingmolen uit 1727 is sinds 1968 een rijksmonument.

Een portretschildering van Von Hompesch toont hem in militaire wapenrusting met op de achtergrond een belegerde stad. Het portret door Johannes Vollevens II uit 1714 bevindt zich in de collectie van het Bonnefantenmuseum in Maastricht. Een kopie van dit schilderij in een ovale lijst (hoogte 76 cm) bevindt zich in een privécollectie (zie afbeelding rechtsboven).[6] Een portret in mezzotint door P. Schenck bevond zich in de collectie van Simon van Gijn in Dordrecht, thans Museum van Gijn. Een portretgravure door Martin Bernigeroth in de collectie van het Herzog Anton Ulrich-Museum in Braunschweig toont de graaf in burgerkleding. Het Bonnefantenmuseum bezit ook het rouwbord van Reinier Vincent von Hompesch uit 1733 met het familiewapen Von Hompesch.[1]

Zie de categorie Reinhard Vincent von Hompesch zu Bolheim van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.