Plecturocebus oenanthe
| Plecturocebus oenanthe IUCN-status: Kritiek[1] (2015) | ||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
![]() | ||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||
| ||||||||||||
| Soort | ||||||||||||
| Plecturocebus oenanthe (Thomas, 1924) Originele combinatie Callicebus oenanthe | ||||||||||||
![]() | ||||||||||||
| Verspreidingsgebied van Plecturocebus oenanthe | ||||||||||||
| Afbeeldingen op | ||||||||||||
| Plecturocebus oenanthe op | ||||||||||||
| ||||||||||||
Plecturocebus oenanthe is een zoogdier uit de familie van de sakiachtigen (Pitheciidae). Het dier heeft een dichte, fijnharige, agoutibruine tot lichtgrijze vacht met een beige krans van langer haar rond het gezicht, en een lange staart. De soort komt alleen voor in Peru. Hij leeft in familiegroepen, bestaande uit een monogaam paar en hun nakomelingen. Hij komt voor op hoogtes tussen 200 en 1000 m boven zeeniveau. Deze soort is overdag actief en voedt zich voornamelijk met fruit, maar eet ook bladeren, bloemen en ongewervelden. Hoewel de soort lokaal veel voorkomt, staat hij op de lijst van ernstig bedreigde diersoorten, zowel op de Rode Lijst van de IUCN als in de Peruaanse wetgeving.[2]
Taxonomie
Deze soort is voor het eerst beschreven voor de wetenschap en geldig gepubliceerd door Michael Rogers Oldfield Thomas in 1924.[3][4] De Spaans-Argentijnse zoöloog Ángel Cabrera meende echter dat het om een ondersoort zou gaan van de grijze springaap en maakte zo in 1958 de nieuwe combinatie Callicebus moloch subsp. oenanthe. De Britse anatoom en primatoloog William Charles Osman Hill dacht in 1960 echter dat het om een ondersoort van een van de Atlantische springaapjes en creëerde daarom de combinatie Callicebus gigot subsp. oenanthe, een soort die tegenwoordig Callicebus melanochir wordt genoemd. In 1963 dacht Philip Hershkovitz dat het slechts ging om een kleurvariant van Callicebus discolor, tegenwoordig Plecturocebus discolor. Ook Prudence Hero Napier dacht niet dat het om een aparte soort of ondersoort ging maar om een vorm van de grijze springaap. De Brits-Australische primatoloog Colin Peter Groves stelde in 2001 voor de soort toe te voegen aan het typische ondergeslacht van Callicebus waarmee de nieuwe combinatie Callicebus (Callicebus) oenanthe ontstond. In 2016 splitsten H. Byrne, A.B. Rylands, J.C. Carneiro, J.W. Lynch Alfaro, F. Bertuol, M.N.F. da Silva, M. Messias, C.P. Groves, R.A. Mittermeier, I. Farias, T. Hrbek, H. Schneider, I. Sampaio en J.P. Boubil het geslacht Callicebus op en plaatsten de soort in een nieuwe geslacht en creëerden daarmee de huidige naam Plecturocebus oenanthe. De soort wordt gerekend tot de orde der Primaten, onderorde Haplorhini, infraorde der Apen, parvorde Breedneusapen, familie Sakiachtigen, onderfamilie Springaapjes. Er worden geen ondersoorten onderscheiden.[2]
Beschrijving
De tandformule van de volwassen Plecturocebus oenanthe is 2.1.3.32.1.3.3 × 2 = 36, dat wil zeggen twee snijtanden, een hoektand, drie valse kiezen en drie ware kiezen in elke helft van de bovenkaak, en diezelfde elementen in de onderkaak. Dit is identiek aan de elementen van het gebit van de andere soorten springaapjes. Springaapjes missen de verdergaande specialisatie van de tanden en het gebit van springaapjes wordt beschouwd als het meest primitieve van alle breedneusapen.[2]
Ontwikkeling
De geboorte van een zuigeling die is vastgelegd duurde 3 uur en het mannetje bleef de hele tijd bij het vrouwtje en hielp de baby na de geboorte schoon te likken. Het vrouwtje beet de navelstreng door. De placenta werd niet opgegeten. De overige (onvolwassen) leden van de groep benaderden de pasgeborene 20 tot 30 minuten na de geboorte. De pasgeboren zuigeling klampte zich de rest van de geboortedag vast aan de buik van de moeder, maar werd binnen 24 uur overgedragen aan de vader. Het mannetje droeg de zuigeling tijdens de dagelijkse activiteit en was het enige dier dat de zuigeling ophaalde als deze viel. Het vrouwtje zoogde ongeveer 3 maal per dag gemiddeld 12 minuten. De gemiddelde zoogduur nam af tot 3 minuten na de eerste maand. De zuigeling begon met 7 weken vast voedsel te eten. Het spenen begon op de leeftijd van 5 tot 6 maanden en duurde ongeveer 2 maanden. Na het spenen probeerde de baby nog 1 tot 2 maanden te drinken, maar werd afgewezen. Dezelfde baby probeerde opnieuw te drinken na de volgende geboorte van zijn moeder, en beide ouders probeerden dit te stoppen. Het mannetje en vrouwtje reinigden de baby van resten van de ontlasting vanaf de geboorte tot zo'n 40 tot 56 dagen oud, maar het vrouwtje deed dit minder vaak. Het mannetje vlooide de baby voor het eerst toen hij 2½ maanden oud was, en het jong vlooide het mannetje voor het eerst toen hij 3 tot 4 maanden oud was. Het vrouwtje vlooide de baby niet gedurende de eerste 4 maanden. De baby begon onafhankelijk van het mannetje te bewegen tussen 1½ en 2½ maanden, maar bleef in de buurt van het mannetje, die hem droeg bij het reizen over langere afstanden. Het jong verplaatste zich zelfstandig vanaf een leeftijd van ongeveer 5 maanden oud.[2]
Verschillen met verwante soorten
Plecturocebus oenanthe heeft een over het algemeen agoutibruine of lichtgrijze vacht met fijn, dicht haar, dat langer en veel minder roestbruin is dan bij andere Plecturocebus-soorten, zoals Plecturocebus discolor en rode springaap. Het haar boven op de kop is kort en grijsbruin met een beige langharige rand rondom het gezicht. De buik en middendelen van de ledematen zijn roodachtig oranje, terwijl deze bij P. discolor en de rode springaap roodachtig zijn. De staart is donkerbruin agouti, wat verschilt van P. discolor waarbij de staart beige kan zijn over een derde tot driekwart van zijn lengte, en grijsachtig wit bij de rode springaap. In het zuidelijke deel van zijn verspreidingsgebied missen sommige individuen de typische beige gezichtsrand en zijn donkerder of meer oranje-achtig.[2]
Gedrag
Plecturocebus oenanthe is overdag actief, leeft in bomen in kleine familiegroepen, bestaande uit een volwassen monogaam paar en hun nog niet volwassen nakomelingen. Groepen zijn meer verspreid tijdens het foerageren dan wanneer ze ander gedrag vertonen. Uit onderzoek aan één groep bleek dat de dieren ongeveer 30% van hun tijd rusten, zich ruim 20% van de tijd verplaatsen, ongeveer 20% van de tijd eten, zo'n 15% voedsel zoeken, en 10% besteden aan sociale activiteiten. De helft van de sociale activiteit bestond uit vlooien. Jonge individuen zijn het meest sociaal, en vrouwtjes het minst. Groepen op deze locatie waren actief van ongeveer 6 uur 's ochtends tot 6 uur 's avonds. Een groep had 5 verschillende slaapplaatsen, waarvan ze er 3 meer dan 90% van de tijd gebruikten. Het slapen vond plaats in bomen op een hoogte van ongeveer 10 m boven de grond, maar ook slapend in bamboebos. Tijdens het droge seizoen en besloeg meer dan driekwart van de tijd die aan foerageren werd besteed gebruikt voor het vinden van insecten.[2]
Plecturocebus oenanthe is voornamelijk een fruiteter, hoewel hij ook bladeren, bloemen, knoppen, epifytische wortels, ongewervelden en sommige gewervelde dieren eet. In één onderzoek verhoogde het vrouwtje haar consumptie van insecten en fruit tijdens de zwangerschap en de zoogperiode, terwijl het dieet van het mannetje hetzelfde bleef.[2]
Ecologie en verspreiding
Plecturocebus oenanthe komt in hetzelfde gebied voor als de andeszadelrugtamarin. Deze twee soorten zoeken gelijktijdig voedsel in dezelfde boom en de jongen spelen met elkaar. Soms is er ruzie. Maar Plecturocebus oenanthe reageert op alarmkreten van de andeszadelrugtamarin door zich terug te trekken naar veiligere plekken in de boom. De soort deelt diens verspreidingsgebied ook met het Boliviaans doodshoofdaapje, de Marañón witvoorhoofdkapucijnaap Cebus yuracus, Sapajus macrocephalus, Aotus nancymai en de rode brulaap. Plecturocebus oenanthe komt voor in Peru, in het noordelijke deel van de regio San Martín, in de valleien van de rivieren Alto Mayo en Huallaga.[2]
- ↑ (en) Plecturocebus oenanthe op de IUCN Red List of Threatened Species.
- 1 2 3 4 5 6 7 8 Sam Shanee, Brooke C. Aldrich, Victor Pacheco, José E. Serrano-Villavicencio (2025). Callicebus oenanthe (Primates: Pitheciidae). Mammalian Species 56 (1037).
- ↑ C.P. Groves (2005). Mammal Species of the World: A Taxonomic and Geographic Reference (3rd ed.). Johns Hopkins University Press, "Order Primates", pp. 144. ISBN 978-0-8018-8221-0.
- ↑ Mammal Diversity Database (2023). Plecturocebus oenanthe (O. Thomas, 1924). Mammal Diversity Database (Version 1.11). DOI: 10.5281/zenodo.7830771. Gearchiveerd op 28-10-2020. Geraadpleegd op 01-01-2024.

