Palazzo Farnese

Palazzo Farnese
Palazzo Farnese
Palazzo Farnese
Locatie
Bijbehorend Farnese GalleryBewerken op Wikidata
Status en tijdlijn
Status in gebruikBewerken op Wikidata
Start bouw 1514
Gereed 1585
Oorspr. functie familiepalazzo
Huisvest ambassade van Frankrijk in Italië, École française de Rome, Library of the École française de RomeBewerken op Wikidata
Afmetingen
Hoogte tot top 29 meterBewerken op Wikidata
Architectuur
Stijlperiode renaissance
Bouwkundige informatie
Architect(en) Antonio da Sangallo, Michelangelo, Vignola en Giacomo della Porta
Opdrachtgever(s) Paus Paulus IIIBewerken op Wikidata
Portaal  Portaalicoon   Civiele techniek en bouwkunde

Palazzo Farnese, gelegen aan de Piazza Farnese, is het grootste renaissancepalazzo in Rome. De bouw ervan werd aangevat in 1513 door architect Antonio da Sangallo in opdracht van Alessandro Farnese, de latere paus Paulus III. Michelangelo werkte mee aan de voltooiing. Palazzo Farnese biedt nu onderdak aan de ambassade van Frankrijk in Italië en aan de École française de Rome.

Geschiedenis

In 1513 gaf kardinaal Alessandro Farnese (1468-1549)[1] aan architect Antonio da Sangallo de Jongere de opdracht om voor hem en zijn twee wettige kinderen[2] een palazzo te bouwen op de terreinen die hij reeds in 1495 had aangekocht. In 1514 startte de afbraak van de vroegere gebouwen en de constructie van dit grootse palazzo. Door de verkiezing van de bouwheer tot paus Paulus III in 1534 kreeg de opdracht een nog groter aanzien.

Na de dood van da Sangallo in 1546 werd hij als architect opgevolgd door Michelangelo die het balkon, het centrale raam op de eerste verdieping en de ver uitstekende kroonlijst hun definitieve vorm gaf. In 1550 werd hij vervangen door Vignola die op zijn beurt in 1573 werd opgevolgd door Giacomo della Porta. Pas in 1589 was de constructie gefinaliseerd. Dat de constructie 75 jaar duurde kwam niet enkel door de omvang van de werken, maar is ook het gevolg van enkele periodes van inactiviteit.

Na de dood van Paulus III werd het familiepaleis bewoond door zijn kleinzoon kardinaal Ranuccio Farnese en na diens vroegtijdige overlijden in 1565 door zijn broer kardinaal Alessandro Farnese (1520-1589). Daarna werd het bewoond door Odoardo Farnese[3], achter-achterkleinzoon van paus Paulus III. Na de dood van Odoardo in 1626 werd het paleis niet meer bewoond door leden van de familie Farnese die zich had teruggetrokken in Parma,[4] maar werd het verhuurd of in gebruik gegeven aan de ambassadeurs van Frankrijk, het land waarmee de Farnese's door huwelijken nauwe familiebanden hadden.[5] Wanneer de familie Farnese op het einde van de 17de eeuw het paleis weer in bezit nam, was het in slechte toestand ten gevolge van gebrek aan onderhoud en zelfs brand.

In 1602-1603 liet Odoardo Farnese aan de achterzijde van het gebouw de "Arco dei Farnesi" construeren, een brug over de Via Giulia. Het was de bedoeling om de brug te verlengen tot aan de overzijde van de Tiber, om Palazzo Farnese te verbinden met de Villa Farnesina[6], maar dat project werd nooit gerealiseerd. De brug reikt niet verder dan het terras van het zogenaamde Casino della Morte[7], het gebouw dat ligt tussen de oever van de Tiber en de Via Giulia. Ook dit "casino" is gebouwd in opdracht van Odoardo Farnese.

In 1766 overleed Elisabetta, de laatste telg met de naam Farnese. Zij was gehuwd met de Spaanse koning Filips V en liet haar erfenis, waaronder ook Palazzo Farnese, na aan haar zoon Carlo di Borbone, koning van Napels. Deze familie en de erfgenamen ervan bleven eigenaar van het palazzo tot in het begin van de 20ste eeuw. Zij verschenen er echter uiterst zelden, en verhuurden het palazzo meestal. Slechts korte tijd werd het door een afstammeling van die familie bewoond, namelijk na de inname van Napels door de troepen van Garibaldi in 1861 tot aan de aanhechting van Rome bij het eengemaakte Italië in 1870. Vanaf 1874 verhuurden zij het palazzo aan de Franse staat, die er zijn ambassade onderbracht op de eerste verdieping en de École française de Rome op de tweede.

In 1911 verkochten de erfgenamen van di Borbone het aan Frankrijk voor de prijs van 3 miljoen Franse frank. Het contract bepaalde evenwel dat Italië gedurende 25 jaar het recht had om het gebouw in te kopen, en in 1936 maakte het land gebruik van dat recht en werd het palazzo eigendom van Italië. De nieuwe eigenaar gaf nog datzelfde jaar het palazzo voor 99 jaar in erfpacht aan Frankrijk voor de symbolische vergoeding van 1 lira (thans 1 euro) per jaar, met de verplichting dat de gebruiker het gebouw op eigen kosten in goede staat zou onderhouden.[8]

Ook het voorliggende plein Piazza Farnese werd gerealiseerd onder het pontificaat van Paulus III, die hiervoor de bestaande gebouwen opkocht en neerhaalde om een grandioos uitzicht op het palazzo te bekomen. In dat kader werd ook de Via dei Baullari geopend die de Campo de' Fiori verbindt met Piazza Farnese en al vanop afstand een grootse blik biedt op het palazzo.

Beschrijving

Exterieur

Het gebouw is 29 meter hoog en 57 meter lang aan de zijde van Piazza Farnese en aan de tuinzijde. De andere zijden (Via dei Farnesi en Via del Mascherone) zijn ongeveer 74 meter lang. De gevels zijn bekleed met baksteen, tufsteen en travertijn. De vier zijden van het palazzo omsluiten een binnenkoer. Aan de achterzijde ligt de tuin die reikt tot aan de Via Giulia en omgeven is door een eenvoudige muur.

Door zijn geblokte vorm kreeg het palazzo de bijnaam “il dado”, de teerling. Die compacte indruk wordt gewekt doordat het dak nauwelijks zichtbaar is, zelfs niet vanop grote afstand. Het palazzo heeft wel een zadeldak, maar dat heeft zo’n lichte hellingsgraad dat het helemaal verborgen gaat achter de kroonlijst.

Het gebouw telt drie verdiepingen. De ramen aan de benedenverdieping rusten op gekrulde consoles, een vorm die nog vaker zal worden nagevolgd in Rome. Alle ramen op de bovenverdiepingen zijn geflankeerd door twee zuilen en dragen een timpaan; de timpanen op de eerste verdieping zijn afwisselend rond en driehoekig. Het middelste raam op de eerste verdieping is eerder een loggia en wordt voorafgegaan door een balkon. Michelangelo gaf ook de definitieve vorm aan het centrale raam door het groter te maken dan da Sangallo had ontworpen.

Daarboven prijken drie wapenschilden van de familie in travertijn. Alle tonen ze de 6 lelies[9] die het blazoen van de familie kenmerken.

Bijzondere aandacht verdient de kroonlijst. Deze is werk van Michelangelo, die met dit ontwerp de wedstrijd won die paus Paulus III had uitgeschreven in 1546. Wanneer Antonio da Sangallo was overleden in september van datzelfde jaar, mocht Michelangelo hem opvolgen als architect. Deze kroonlijst loopt rondom heel het palazzo en steekt 1 meter uit voor de gevel. Daardoor onttrekt hij het (slechts licht hellende) zadeldak aan het oog. De kroonlijst is versierd met leeuwenkopen en aan de onderzijde met rozetten. Daaronder loopt een strook met lelies, het heraldische symbool van de familie Farnese, en acanthusbladeren.

De drie verdiepingen van de binnenkoer hebben respectievelijk Dorische, Ionische en Korinthische zuilen.[11] De wapens die zijn afgebeeld op de fries die loopt tussen het gelijkvloers en de eerste verdieping alluderen misschien op de wapenfeiten van de stamvaders van de familie. De gevel aan de tuinzijde heeft op de tweede verdieping in 1589 een loggia gekregen; hiermee was de bouw van het palazzo voltooid.

Interieur

Vestibule

De vestibule loopt van de centrale ingangspoort naar de binnenkoer. Naar het model van een antieke basilica bestaat ze uit een middenschip en twee zijschepen, afgescheiden door tweemaal zes granieten zuilen. Het tongewelf van het middenschip is gedecoreerd met stucwerk waarin de heraldische symbolen van de familie: lelie en de eenhoorn[12], herhaaldelijk terugkeren. In beide zijmuren staan 6 borstbeelden van Romeinse keizers opgesteld in nissen.

Salone di Ercole

De Salone di Ercole (noordoostelijke hoek van het palazzo) op de eerste verdieping aan de voorzijde is 18 meter hoog en reikt tot aan de bovenzijde van de ronde ramen van de tweede verdieping. De gebruikelijke benaming herinnert eraan dat het beeldhouwwerk "Hercules Farnese" oorspronkelijk hier stond opgesteld. Thans staat hier een kopie, terwijl het origineel zich in Napels bevindt. Langs de vier muren staan 18 borstbeelden van Romeinse keizers in nissen. Drie wandtapijten zijn gemaakt naar de fresco's in de Stanze di Raffaello: de Brand van de Borgo; de Mis van Bolsena en de ontmoeting tussen Leo de Grote en Attila.

Grande salone

De centrale zaal op de eerste verdieping wordt genoemd naar de Fasti Farnesiani, de fresco's die de grootse prestaties van de familie Farnese afbeelden. Ze dateren uit 1552-1569[13] en zijn het werk van Francesco Salviati en de broers Taddeo en Federico Zuccari. Centraal achter het bureau van de Franse ambassadeur is de de stichter van de dynastie voorgesteld: de legeraanvoerder Ranuccio de Oudere, die van de godin Venus de wapens ontvangt die Vulcanus voor hem heeft gesmeed.[14] In de scène links daarvan overhandigt paus Eugenius IV hem de bevelhebbersstaf, rechts behaalt Pietro Farnese in opdracht van Firenze de overwinning op Pisa (1363).

Op de overzijde van deze zaal is paus Paulus III afgebeeld tussen zijn twee grootste prestaties: de opening van het Concilie van Trente (1545) en de Wapenstilstand van Nice (1538) die hij hielp tot stand komen tussen de oorlogvoerende koning François I van Frankrijk en keizer Karel V.

De andere fresco's eren de overwinningen die de voorouders van de familie Farnese hadden behaald als aanvoerder in veldslagen bij Orbetello (1100) en Bologna (1361).

"Camerino"

De "Camerino", een kleinere kamer die uitgeeft op de binnenkoer, werd in 1591-597 gedecoreerd door Annibale Carracci. De opdrachtgever kardinaal Odoardo Farnese wordt er vergeleken met de mythologische held Hercules. Op het plafond (kopie van het originele doek): Hercules aarzelt tussen Deugd en Ondeugd. In de lunetten: Hercules rust uit na het volbrengen van zijn Twaalf Werken, en Odysseus laat zich vastbinden aan de mast van zijn schip om te kunnen weerstaan aan de lokroep van de Sirenen.

Galerij van Carracci

De galerij aan de tuinzijde op de eerste verdieping (20 x 6 meter groot) werd in 1598-1602 in opdracht van kardinaal Odoardo Farnese met fresco's beschilderd door de gebroeders Annibale en Agostino Carracci, waarbij de eerste het leeuwendeel voor zich nam. Ook Domenichino en Giovanni Lanfranco hebben enkele scènes uitgevoerd. Vele verschillende taferelen illustreren de liefdesavonturen van de goden, bekend uit het werk de Metamorfosen van de Latijnse dichter Ovidius. Centraal op het tongewelf staat de stoet van Bacchus en Ariadne; andere kaders stellen voor: Polyphemus en Galathea; Diana benaderd door Pan; Mercurius bezorgt de appel aan Paris. De kleurrijke kaders zijn afgewisseld met zittende "ignudi" (naakte mannelijke figuren) die allicht geïnspireerd zijn door Michelangelo's fresco's op het gewelf van de Sixtijnse Kapel, en met atlanten en maskers in grisaille. Langs de muren staan (kopieën van) antieke beelden opgesteld in nissen die zijn omkaderd met verguld stucwerk.

Kunstcollectie

In Palazzo Farnese was een van de grootste kunstcollecties van Italië en zelfs van Europa ondergebracht. Om zijn familie en van zijn paleis luister bij te zetten, was Paulus III ermee begonnen een kunstcollectie aan te leggen die hij verkreeg door aankoop, door onteigening (sculpturen van de familie Colonna) en vooral door de verwerving van antieke sculpturen die werden opgegraven op de Palatijn en in de Thermen van Caracalla. De collectie werd verder verrijkt met opdrachten die de familie gaf aan kunstenaars als Michelangelo, Titiaan en El Greco. Verder omvatte de verzameling schilderijen, antieke en nieuwe beeldhouwwerken, boeken, meubels, edelstenen, munten en medailles. Na Paulus III hebben zijn kleinzonen kardinaal Alessandro Farnese (1520-1589) en kardinaal Ranuccio de collectie sterk uitgebreid, zodat ze een belangrijke aantrekkingspool werd voor kunstenaars en de elite van de stad.

Hoewel kardinaal Alessandro Farnese in zijn testament had bepaald dat zijn kunstverzameling het palazzo nooit mocht verlaten, werd een groot deel van de schilderijenverzameling in de 17de eeuw overgebracht naar Parma en vandaar in 1734 naar Napels. Wat er nog aan schilderijen restte in Rome werd samen met de verzameling beeldhouwwerken in 1786 eveneens naar Napels overgebracht. Daar zijn de schilderwerken nu te zien in het Museo di Capodimonte, en de sculpturen, edelstenen en munten in het Museo Archeologico Nazionale di Napoli.

Behalve de fresco's die uiteraard niet konden worden verwijderd en de antieke sarcofagen op de binnenkoer, resten in Palazzo Farnese enkel replica's van beeldhouwwerken en schilderijen die zich oorspronkelijk daar bevonden.

Wetenswaardigheden

  • Palazzo Farnese bijgenaamd "il dado" (de dobbelsteen) is een van de vier zogeheten wonderen van Rome. Deze omschrijving was in de 18de en 19de eeuw gebruikelijk om vier grootse en bewonderenswaardige palazzi aan te duiden. De andere drie zijn: Palazzo Borghese bijgenaamd "il cembalo" (het cimbaal); de eretrap van Palazzo Ruspoli en de inkom van Palazzo Sciarra-Colonna.
  • Het verhaal gaat dat de familie de toelating kreeg om voor de bouw van dit palazzo alle marmer en travertijn te gebruiken die op één nacht konden worden weggehaald uit het Colosseum. Daarvoor zouden dan duizend arbeiders zijn ingeschakeld, die 700 karrenvrachten bouwmateriaal zouden hebben verwijderd. Dit is slechts een stadslegende, maar feit is wel dat er veel antiek bouwmateriaal is aangewend bij de constructie van dit palazzo.
  • In 1655-1656 bood Palazzo Farnese onderdak aan Christina van Zweden die afstand had gedaan van haar koningstitel om zich tot het katholieke geloof te kunnen bekeren en in 1655 triomfantelijk werd ingehaald in Rome.
  • Reeds van 1635 tot 1688 resideerde de Franse ambassadeur in Palazzo Farnese, dat werd gehuurd van de hertogen van Parma, die er toen eigenaar van waren.
  • De opera Tosca van Giacomo Puccini situeert het appartement van politiechef Scarpia in Palazzo Farnese. In 1992 werd een live opvoering van deze opera via de televisie rechtsreeks uitgezonden vanuit de drie locaties in Rome die het libretto voorschrijft. Act II werd opgevoerd in Palazzo Farnese.
  • Het palazzo kan worden bezocht, doch enkel na reservatie en onder leiding van een gids .
  • In de ondergrond van het palazzo zijn mozaïeken uit de tweede eeuw ontdekt. Bepaalde rondleidingen in het palazzo voeren ook langs deze vondsten.
  • Een aantal fragmenten van de Forma Urbis Romae hebben zich lange tijd in dit palazzo bevonden. In 1562 waren de eerste fragmenten ervan teruggevonden in wat toen de tuin van de kerk Santi Cosma e Damiano was. De fragmenten kwamen in handen van de familie Farnese, die delen ervan liet inwerken de ommuring van de tuin van hun palazzo. In 1888 kwam een aantal stukken weer te voorschijn bij de afbraak van die tuinmuur.

Galerij

Zie de categorie Palazzo Farnese (Rome) van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.