Opstand van de zijdewevers (1831)

Opstandelingen trekken op met de zwarte vlag vanuit La Croix-Rousse
Gevechten aan de Pount Morand op 22 november 1831

In 1831 vond in de Franse stad Lyon een eerste grote opstand van de zijdewevers (Frans: révolte des canuts) plaats. Het ging om sociaal protest tegen de lage lonen in de zijde-industrie. De zijdewevers (canuts) namen enige tijd de controle over de stad over. De opstand, het eerste sociale oproer onder de Julimonarchie, werd onderdrukt door het leger.

Aanloop

Vanaf 1815 werd het weefgetouw van Jacquard geïntroduceerd. Door deze nieuwe weefgetouwen waren tot zes keer minder arbeiders nodig om de zijden stof te weven wat leidde tot werkloosheid en druk op de lonen. Het inkomen van de ongeveer 30.000 zijdewevers in Lyon en zijn voorsteden was gehalveerd tussen 1815 en 1830. Ze verdienden maar achttien cent voor vijftien uur arbeid per dag, wat nauwelijks genoeg was om rond te komen. In 1830 daalde de prijs voor zijden stoffen sterk door de slechte economie wat de tarieven voor de zijdewevers verder onder druk zette. In 1831 stegen de prijzen opnieuw en de zijdewevers eisten verhoogde tarieven.

Verloop van de opstand

In oktober 1831 ontstond er oproer onder de zijdewevers. Louis Bouvier-Dumolart, de prefect van het departement Rhône, organiseerde tussen 21 en 24 oktober sociaal overleg tussen zijdewevers en fabrikanten. Tijdens dit overleg hielden de zijdewevers een grote betoging. Als gevolg van dit overleg werd op 27 oktober een nieuw tarief gepubliceerd dat zou ingaan op 1 november. De zijdefabrikanten trokken echter naar Parijs met hun grieven en op 17 november verklaarde de minister van Handel dat de gepubliceerde tarieven louter informatief waren en dus niet afdwingbaar.

De zijdewevers gingen daarop in staking. Op 19 november was er een confrontatie met de Nationale Garde in de voorstad La Croix-Rousse waar veel van de zijde-ateliers waren gevestigd. Op 21 en 22 november trokken de zijdewevers met hun zwarte vlaggen van La Croix-Rousse naar het stadscentrum. Er braken enkele gevechten uit waarbij zo'n 170 doden vielen.[1] Generaal François Roguet besliste om zijn troepen uit Lyon terug te trekken en zo kregen de zijdewevers de hele stad in handen. De Nationale Garde schaarde zich achter de opstandelingen en er werd een voorlopig comité opgericht om de orde te bewaren en plunderingen te voorkomen. Prefect Bouvier-Dumolart bleef bemiddelen namens de overheid. Ondertussen verzamelde generaal Roguet de beschikbare troepen buiten de stad.

Op 1 december trok het leger de voorstad Vaise binnen. Het leger beschikte over ongeveer 20.000 man. De volgende dag werd de Nationale Garde van Lyon ontwapend en ontbonden. Ondertussen kwamen kroonprins Ferdinand Filips van Orléans en minister van Oorlog Nicolas Jean-de-Dieu Soult aan in Lyon om de militaire operatie te overzien. Op 5 december had het leger de stad onder controle zonder dat er nog bloed was vergoten. Prefect Bouvier-Dumolart werd gezien als te verzoenend en werd nog tijdens de militaire operatie vervangen door Adrien de Gasparin.

Nasleep

Er kwam een proces tegen een tiental opstandelingen. Dit werd gehouden in Riom en niet in Lyon. Alle verdachten werden vrijgesproken. De overheid creëerde een fonds van 200.000 franc om de schade in Lyon te herstellen en er kwamen ook economische steunmaatregelen voor zelfstandige zijdewerkers. Zij kregen ook meer politieke inspraak, al bleef de invloed van de grote fabrikanten groter. Ook werden de grote werken voor de bouw van forten rond Lyon versneld. Dit had als doel om werkgelegenheid te verschaffen maar ook om de stad beter te kunnen controleren.

Het conflict over de tarieven voor de zijden stoffen was echter niet opgelost en bleef smeulen tot in 1834 een nieuwe opstand uitbrak.

Bronnen

  • (fr) 1831-1834, la révolte des Canuts. Archives Lyon. Geraadpleegd op 11 november 2025.
  • (fr) Guyard, Christian, 22 novembre 1831: La révolte des canuts de Lyon. herodote.net. Geraadpleegd op 12 november 2025.
  1. Philippe Bourget, La soyerie Lyonnaise, Détours en France, oktober 2018, p. 80-87