Njaj
Een njaj was een in Nederlands-Indië ongehuwde inlandse vrouw, die als bijvrouw of huishoudster een (van oorsprong) Europees lid van de Indische gemeenschap bijstond in zijn leven.
Wanneer de njaj zich niet gedroeg naar de wensen van haar 'baas', werd zij het huis uitgezet en stond haar een zware weg terug naar de kampong te wachten, waar zij veelal werd verstoten door haar eigen volk, omdat zij had samengeleefd met een Europeaan, c.q. Nederlander, die gezien werd als vertegenwoordiger van hun onderdrukking. De kinderen uit zo’n verhouding groeiden dan veelal op op straat, of kwamen, als zij geluk hadden, in het tehuis van Pa van der Steur, die voor verdere opvoeding zorgde. De moeders die hiervan wisten, zochten vaak tevergeefs contact met hun kind, omdat de omgang van de kinderen met hun moeder verboden was; die kregen immers een Europese opvoeding en daarbinnen was inmenging van inlandse invloeden niet gewenst. Door Indo-Europese nazaten wordt via de matrilineaire afstamming de njaj gezien als inlandse voormoeder, die daardoor beschouwd wordt als de inbrengster van hun inlands bloed en hun inlandse DNA. De njaj droeg alleen een enkele naam, de voornaam.
Zie ook
Literatuur
- Baay, Reggie; De njai: het concubinaat in Nederlands-Indië, uitgeverij Athenaeum - Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2025, ISBN 9789025366865