New Public Management

Het New Public Management (NPM) is een managementfilosofie die gebruikt is bij het hervormen van de publieke sector, dus overheden en semi-overheden.

Sinds de jaren tachtig gold de gedachte dat het bedrijfsleven efficienter en klantgerichter werkt dan overheden. Op grond hiervan kunnen enerzijds taken overgedragen worden aan bedrijven, de zogeheten verzelfstandiging, en anderzijds kunnen overheden meer bedrijfsmatig gaan werken, waarbij ook schaalvergroting een rol kan spelen.

Verzelfstandiging heeft in Nederland goed uitgepakt voor mobiele telefonie, waar er veel concurrentie mogelijk is op basis van vergelijkbare producten, maar niet voor internet waar steeds minder aanbieders overblijven (òf glasvezel òf kabel). Voor woningverhuur heeft de omzetting van volkshuisvesting naar een woningmarkt geleid tot een wooncrisis, omdat het aanbod niet mee kan groeien met de vraag. Ook is gebleken dat schaalvergroting van gemeentes niet leidt tot lagere kosten, maar wel tot meer afstand tussen burgers en overheid.

Een overheid is geen bedrijf dat op winst gericht is. De nadruk op het meten van producten en prestaties kan ongewenste gedragseffecten hebben. Een negatief gevolg is bijvoorbeeld dat de wegpolitie zo weinig middelen en mensen heeft dat ze nepcontroles uitvoert om aan de nodige statistieken te geraken.[1]

Volgens onder andere Dunleavy[2] wordt het NPM nu vervangen door het post-New Public Management tijdperk, ofwel de "digital-era governance" door de opkomst van moderne informatie- en communicatietechnologie.

Zie ook

Referenties

  1. Wegpolitie vervalst controles, De Standaard, 2008.
  2. Patrick Dunleavy & Helen Margetts. (2006). 'New Public Management is Dead: Long Live Digital Era Governance', Journal of Public Administration Research and Theory.