Motion Picture Patents Company

Motion Picture Patents Company
Thomas Edison met de licentiehouders van de MPPC (20 december 1909)
Thomas Edison met de licentiehouders van de MPPC (20 december 1909)
Locatie
Land van hoofdzetel Vlag van Verenigde Staten Verenigde Staten
Hoofdkantoor New York
Industrie en producten
Industrie(ën) Filmindustrie
Producten/diensten Films
Status en tijdlijn
Oprichting 1908
Opheffing 1918
Bedrijfsstructuur
Rechtsvorm trust
Oprichter(s) Thomas Edison
Portaal  Portaalicoon   Economie

De Motion Picture Patents Company (MPPC), ook gekend als de Edison Trust, was een trust van alle grote Amerikaanse filmmaatschappijen, die opgericht werd in 1908 en tot en met 1914 de filmindustrie domineerde.[1] In 1918 werd de MPPC opgeheven na een verloren federale antitrustzaak.

Geschiedenis

In de jaren 1890 bezat Thomas Edison de meeste belangrijke Amerikaanse patenten met betrekking tot filmcamera's. Sinds 1902 had Edison distributeurs en bioscoopeigenaren erop gewezen dat als ze niet uitsluitend Edison-apparatuur en -films gebruikten, ze aangeklaagd zouden worden voor het ondersteunen van filmproducties die inbreuk maakten op Edisons patenten. De patentrechtszaken van de Edison Manufacturing Company tegen elk van haar binnenlandse concurrenten verlamden de Amerikaanse filmindustrie, waardoor de productie voornamelijk werd beperkt tot twee bedrijven: Edison en Biograph, die elk een ander cameraontwerp gebruikten. Dit liet Edisons andere concurrenten weinig andere keus dan Franse en Britse films te importeren.

Uitgeput door de rechtszaken benaderden Edisons concurrenten – Essanay, Kalem, Pathé Frères, Selig en Vitagraph – hem in 1907 om te onderhandelen over een licentieovereenkomst, waar Lubin ook bij betrokken werd.[2] De enige bekende filmmaker die van de licentieovereenkomst werd uitgesloten, was Biograph, die Edison van de markt hoopte te verdringen. Geen enkele andere aanvrager kon een licentie verkrijgen. Het Edison-licentiesysteem was van kracht van 1907 tot 1908.

Biograph liet het daar niet bij en sloeg terug door het patent op de Latham-filmlus te kopen, een belangrijk onderdeel van vrijwel alle filmcamera's die in die tijd gebruikt werden. Edison spande een rechtszaak aan om de controle over het patent te verkrijgen. Nadat een federale rechtbank in 1907 de geldigheid van het patent had bevestigd,[3] begon Edison in mei 1908 met Biograph te onderhandelen over een reorganisatie van het Edison-licentiesysteem.

De MPPC, die gebaseerd was op het Edison-licentiesysteem, werd door Thomas Edison opgericht in december 1908 en was een trust van alle grote Amerikaanse filmmaatschappijen en lokale buitenlandse vestigingen. De leden van de trust waren Edison, Biograph, Vitagraph, Essanay, Selig Polyscope, Lubin Manufacturing, Kalem Company, Star Film Paris en American Pathé, de belangrijkste filmdistributeur George Kleine en de grootste leverancier van filmmateriaal, Eastman Kodak.

De MPPC maakte een einde aan de dominantie van buitenlandse films in de Amerikaanse bioscopen, standaardiseerde de manier waarop films in de Verenigde Staten werden gedistribueerd en vertoond, en verbeterde de kwaliteit van Amerikaanse films door interne concurrentie. Het ontmoedigde haar leden echter ook om langspeelfilms te produceren en om externe financiering te gebruiken, wat uiteindelijk nadelig was voor de leden.

Beleid

Diverse films in productie in de Edison Studio (ca. 1907)

De MPPC schafte de directe verkoop van films aan distributeurs en bioscoopeigenaren af en verving deze door verhuur. Dit maakte kwaliteitscontrole mogelijk over kopieën die voorheen al lang na hun beste tijd vertoond werden. De MPPC stelde ook een uniform huurtarief vast voor alle gelicentieerde films, waardoor de prijs geen doorslaggevende factor meer was voor de bioscoopeigenaar bij de filmkeuze.[4] In plaats daarvan werd de keuze gebaseerd op kwaliteit, wat op zijn beurt de verbetering van de productiewaarden stimuleerde.

De MPPC vestigde ook een monopolie op alle aspecten van de filmproductie. Eastman Kodak bezat het patent op onbewerkt filmmateriaal en was lid van de trust, waardoor het bedrijf ermee instemde om het materiaal alleen aan andere leden te verkopen. Evenzo zorgde de controle van de trust over patenten op filmcamera's ervoor dat alleen MPPC-studio's films mochten maken, en de patenten op projectoren stelden de trust in staat licentieovereenkomsten te sluiten met distributeurs en bioscopen en zo te bepalen wie hun films vertoonde en waar.

De patenten die eigendom waren van de MPPC stelden hen in staat federale wetshandhavers in te zetten om hun licentieovereenkomsten af te dwingen en ongeoorloofd gebruik van hun camera's, films, projectoren en andere apparatuur te voorkomen.[5] In sommige gevallen maakte de MPPC gebruik van ingehuurde criminelen en connecties met de maffia om producties die niet onder licentie van de trust vielen, met geweld te verstoren.[6]

De MPPC regelde ook strikt de inhoud van hun films, voornamelijk als middel om de kosten te beheersen. Films waren aanvankelijk beperkt tot één filmrol (13-17 minuten), hoewel de concurrentie van onafhankelijke en buitenlandse producenten in 1912 leidde tot de introductie van films van twee rollen, en in 1913 tot films van drie en vier rollen.[7]

Tegenreactie en achteruitgang

Nestor Studios, de eerste filmstudio in Hollywood (1912)

Veel onafhankelijke filmmakers, die een kwart tot een derde van de binnenlandse markt in handen hadden, reageerden op de oprichting van de MPPC door hun activiteiten naar Los Angeles te verplaatsen.[8] De afstand van Los Angeles tot Edisons thuisbasis in New Jersey maakte het voor de MPPC moeilijker om haar patenten te laten naleven.[9] Bovendien was er in Californië meer terughoudenheid in het handhaven van patentclaims. Zuid-Californië werd ook gekozen vanwege het prachtige weer het hele jaar door en het gevarieerde landschap. De topografie, het steppeklimaat en de wijdverspreide irrigatie boden de mogelijkheid om filmopnames te maken in woestijnen, jungles en hoge bergen.[9] Los Angeles had nog een extra voordeel: als een studio zonder licentie werd aangeklaagd, hoefde ze slechts de nabije grens met Mexico over te steken, waar de patenten van de trust niet van kracht waren en de apparatuur dus niet in beslag kon worden genomen.[10]

De redenen voor de achteruitgang van de MPPC zijn talrijk. De eerste klap kwam in 1911 toen Eastman Kodak zijn exclusieve contract met de MPPC wijzigde, waardoor Kodak, dat toonaangevend was in de industrie op het gebied van kwaliteit en prijs, zijn onbewerkte filmmateriaal kon verkopen aan onafhankelijke producenten zonder licentie.[11] Het aantal bioscopen dat onafhankelijke films vertoonde, groeide binnen twaalf maanden met 33 procent, tot de helft van alle bioscopen.

Een andere reden was dat de MPPC de effectiviteit van het reguleren van de filmindustrie via patentrechtszaken en het uitsluiten van onafhankelijke producenten van licenties overschatte. Het trage proces van het inzetten van rechercheurs om patentinbreuken te onderzoeken en het verkrijgen van gerechtelijke bevelen tegen de inbreukmakers werd ingehaald door de dynamische opkomst van nieuwe bedrijven op diverse locaties.

Ondanks de toenemende populariteit van langspeelfilms in 1912-1913 van onafhankelijke producenten en buitenlandse import, was de MPPC zeer terughoudend om de noodzakelijke veranderingen door te voeren voor de distributie van dergelijke langere films. Edison, Biograph, Essanay en Vitagraph brachten hun eerste langspeelfilms pas in 1914 uit, nadat tientallen, zo niet honderden, langspeelfilms al door onafhankelijke producenten waren uitgebracht.

De royalty's voor patenten aan de MPPC eindigden in september 1913 met het verstrijken van de laatste patenten die halverwege de jaren 1890 waren aangevraagd, aan het begin van de commerciële filmproductie en -vertoning. Daarmee verloor de MPPC de mogelijkheid om de Amerikaanse filmindustrie te controleren via patentlicenties en moest in plaats daarvan vertrouwen op haar dochteronderneming, de General Film Company, die in 1910 was opgericht en de filmdistributie in de VS monopoliseerde.[12]

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 sneed het grootste deel van de Europese markt af. Deze markt was voor de leden van de MPPC een veel belangrijker onderdeel van de inkomsten en winst dan voor de onafhankelijke producenten, die zich concentreerden op westerns die voornamelijk voor de Amerikaanse markt werden geproduceerd.

Het einde kwam met een uitspraak van een federale rechtbank op 1 oktober 1915,[13] waarin werd geoordeeld dat de handelingen van de MPPC "veel verder gingen dan nodig was om het gebruik van patenten of het monopolie dat daarmee gepaard ging te beschermen" en daarom een illegale beperking van de handel vormden onder de Sherman Antitrust Act.[14] Een hof van beroep verwierp het beroep van de MPPC en het bedrijf hield in 1918 officieel op te bestaan.

Zie de categorie Motion Picture Patents Company van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.