Mechelse koorboek

Openingsminiatuur van het Mechelse koorboek.

Het Mechels koorboek of Koorboek van Margaretha van Oostenrijk is een muziekhandschrift vervaardigd in de periode ca. 1508-1516 in het atelier van Petrus Alamire in Mechelen. Alamire was een Duitse muziekkopiist, componist, instrumentalist, zakenman en diplomaat uit de Renaissance. Hij was in zijn tijd een van de meest begaafde kopiisten van muziek. Het Mechels Koorboek is een van de mooiste en best bewaarde muziekhandschriften uit de 16de eeuw. Tijdens de 15e en 16e eeuw was de Franco-Vlaamse polyfonie de belangrijkste muziekstijl aan de grote hoven in heel West-Europa. Verschillende, nu beroemde componisten van de derde generatie van de Franco-Vlaamse School danken het voortbestaan van hun oeuvre aan de verluchte handschriften van Alamire waarin hun werk werd opgenomen. Het boek heeft een hoogte van 66cm. en een breedte van 44,5 cm.

Het koorboek bevat zeven meerstemmige Latijnse missen. De eerste is een mis van Matthaeus Pipelare. De overige zes missen zijn van Pierre de la Rue. De la Rue was de favoriete componist van Margaretha van Oostenrijk, die als landvoogdes de Habsburgse Nederlanden vanuit eveneens Mechelen bestuurde. De bekendste illustratie uit het koorboek is de openingsminiatuur. Daaruit blijkt dat de opdrachtgever, het Bourgondisch-Habsburgse hof was. Kostbare handschriften werden aan het Habsburgse hof vaak besteld ter gelegenheid van een belangrijk bezoek, huwelijk of politieke overeenkomst. Het is waarschijnlijk dat de opdracht tot het maken van het koorboek naast muziek ook nog een politiek-ideologische achtergrond had.

Een van de groteskeninitialen

Er zijn op het vakgebied een aantal discussies geweest over de opdrachtgever voor het koorboek. Vanaf de eenentwintigste eeuw hebben de meeste auteurs de overtuiging dat dit keizer Maximiliaan I geweest moet zijn en het koorboek een geschenk was aan zijn kleinzoon de toekomstige Karel V ter gelegenheid van het bereiken van zijn meerderjarigheid. Bij de tweede mis in het boek is een miniatuur geschilderd die overduidelijk Maximiliaan moet zijn. Die combinatie wordt wel uitgelegd dat de miniatuur van Maximiliaan de opdrachtgever was die uitbeeldt dat zijn droom uitkomt dat zijn kleinzoon zoals verbeeld op de eerste miniatuur op de troon zit en nu de heerser is geworden.

Op die openingsminiatuur zit de toekomstige Karel V op de troon waaraan het Bourgondisch-Habsburgse wapenschild is bevestigd. De vier zittende figuren verbeelden waarschijnlijk zijn broer en drie zussen. De spreuk boven de troon is 'Sub umbra alaru(m) tuaru(m) protege nos’ (‘Bescherm ons onder de schaduwen uwer vleugelen’). Op de voorgrond staan de drie standen: de clerus links en de strijders en de derde stand (de boer met de spade) rechts. Boven de geestelijkheid staat op een banderol ‘Domine refugium factus es nobis a generatione in generationem’ (‘Heer gij zijt ons een toevlucht van generatie op generatie’); boven de wereldlijke standen staat geschreven: ‘Respice domine in servos tuos et in opera tua dirige fi lios eorum’ (‘Heer richt uw blik op uw dienaars en leidt hun zonen naar uw werken toe’). Behalve de afgebeelde paus steekt iedereen van de standen een hand omhoog als teken van hun eed van trouw aan de vorst.

Een koorboek als dit was het resultaat van inspanningen van meerdere mensen met te onderscheiden vaardigheden. Perkamentmakers, kopiisten, verluchters en boekbinders. Miniaturen werden vaak op losse bladen aangebracht die pas tijdens het binden tussen de katernen werden gevoegd. Het werken met dergelijke losbladige miniaturen voorkwam dat de verluchter moest wachten tot de kopiist klaar was met zijn werk. Hij kon zelfs op voorraad werken. Een aantal miniaturen in dit boek zouden gemaakt zijn in het Gentse atelier van Gerard Horenbout (ca. 1465-1540), een Vlaamse kunstschilder en miniaturist die werkzaam was in Gent en later in Londen.

Kenmerkend voor de stijlopvatting van Petrus Alamire is het gebruik van groteskeninitialen. Die zijn ook in dit koorboek aanwezig. De afgebeelde gezichten in de initialen hebben een arrogante, spottende uitdrukking. Sommige hoofden hebben hun mond afgesloten met een hangslot door de lippen of een pin op hun neus.

Het koorboek raakt al spoedig na het maken uit het zicht. Dat duurt ruim 300 jaar. Vermoedelijk is het boek die hele periode bewaard gebleven in het paleis van Margaretha van Oostenrijk. Pas in 1860 komt het handschrift weer boven water. Eind negentiende eeuw duikt het koorboek op in het Mechelse stadsarchief. Het bevindt zich sinds 2018 in het Museum Hof van Busleyden. Het maakt deel uit van de canon van Vlaanderen.