Martin Glaessner

Martin Glaessner
Persoonlijke gegevens
Geboortedatum 25 december 1906Bewerken op Wikidata
Geboorteplaats Ústí nad LabemBewerken op Wikidata
Overlijdensdatum 23 november 1989Bewerken op Wikidata
Overlijdensplaats MelbourneBewerken op Wikidata
Beroep paleontoloog, academisch docent, carcinoloog, geoloogBewerken op Wikidata
Lid van Duitse Academie der Wetenschappen Leopoldina, Paläontologische Gesellschaft, Australian Academy of ScienceBewerken op Wikidata
Academische achtergrond
Alma mater Universiteit van WenenBewerken op Wikidata
Wetenschappelijk werk
Prijzen en erkenningen Lyell Medal (1974),[1] Charles Doolittle Walcott Medal (1982),[2] Fellow of the Australian Academy of Science (1957),[3] Member of the Order of Australia (26 januari 1985),[4] Eduard Suess medal (1985)Bewerken op Wikidata

Martin Fritz Glaessner (Aussig, 25 december 1906 - Melbourne, 23 november 1989) was een Australisch paleontoloog. Glaessner deed onderzoek naar de fossiele microfauna van Eurazië en Australië. Hij is vooral bekend van de beschrijving en classificatie van fossielen van de oudst bekende meercellige organismen uit het Ediacarium (de Ediacarische biota).

Levensloop

Jeugd en opleiding

Martin Glaessner werd geboren in een deels Joodse familie in het destijds Oostenrijkse Bohemen. Hij was het enige kind van Arthur en Luise Glaessner. Zijn vader was materiaal- en scheikundig ingenieur.

Op jonge leeftijd ontwikkelde Martin een interesse in fossielen. Al op 16-jarige leeftijd was hij als onderzoeker verbonden aan het natuurhistorisch museum van Wenen.

Toen hij in 1925 naar de universiteit van Wenen kon gaan, stonden zijn ouders erop dat hij naast paleontologie ook rechten studeerde. Hij wist binnen zes jaar beide studies met een promotie af te sluiten: in 1929 in de rechten en in 1931 in de geologie en paleontologie. In deze periode deed hij onderzoek naar vrijwel alle belangrijke fossiele levensgroepen. Hij publiceerde een gezaghebbend werk over fossiele krabben.

In 1930-1931 vertrok hij naar Londen waar hij als onderzoeker verbonden was aan het Natural History Museum. Tegelijkertijd gaf hij college in economische geologie in Wenen.

Moskou

Glaessner gebruikte paleontologische gegevens voor de exploratie van olie en gas, met name in de toepassing van micropaleontologie (onderzoek naar fossielen van micro-organismen).

Hij werkte van 1932 tot 1937 bij het staatsinstituut voor petroleumonderzoek van de Sovjet-Unie in Moskou. Zijn taak was om met behulp van micropaleontologisch onderzoek de kennis over de stratigrafie van Russische olievelden te verbeteren. Hij deed onder andere veldonderzoek op de Krim en in de Kaukasus.

Glaessner bestudeerde met name fossiele foraminiferen omdat deze micro-organismen in de oceaan leefden en een wereldwijde verspreiding hadden. Dit maakte ze bijzonder geschikt als gidsfossielen bij het dateren en correleren van gesteentelagen wereldwijd. Glaessners bekendheid met de geologie van de Alpen (een vergelijkbaar gebergte) deed hem het belang inzien van biostratigrafie. Hij bepaalde van soorten nauwkeurig in welke lagen ze voor het eerst voorkomen en verdwijnen, en stelde een schema op van "zones" waarmee lagen gecorreleerd werden. Uiteindelijk hielp dit om de plek van olievoorkomens in het voorland van de Kaukasus te bepalen.

In Moskou ontmoette Glaessner zijn vrouw Tina Tupikina. Ze trouwden in 1936. Uit dit huwelijk werd één dochter geboren. In hetzelfde jaar waren de Glaessners gedwongen naar Oostenrijk te vertrekken toen de Russische regering buitenlandse specialisten dwong te naturaliseren.

Nieuw-Guinea

Na de Anschluss van Oostenrijk bij nazi-Duitsland werd Glaessner vanwege zijn Joodse afkomst gearresteerd en te werk gesteld. Dankzij contact met Britse paleontologen lukte het Glaessner echter naar Londen te vertrekken om voor de Anglo-Iranian Oil Company te gaan werken. Hij werd uitgezonden naar Port Moresby in Nieuw-Guinea. Tijdens de Japanse bezetting werd hij naar Melbourne verplaatst, waar hij zijn werk kon voortzetten omdat dit van belang voor de oorlogsvoering werd geacht.

Glaessner onderzocht de stratigrafie van oliebekkens rond Nieuw-Guinea als Sumatra en Java en het Midden-Oosten, daarbij steunend op eerder werk van Nederlandse en Indische paleontologen als Umbgrove, Van der Vlerk, Leupold en Tan Sin Hok. Ook publiceerde hij het boek Principles of Micropalaeontology (1945), dat lang als gezaghebbend werd gezien.

Opnieuw hielp Glaessners bekendheid met andere Alpiene gordels bij geologisch onderzoek in Nieuw-Guinea. Het eiland ligt in een van de tektonisch ingewikkeldste gebieden ter wereld, die ondanks het werk van geologen als Rein van Bemmelen in de jaren 1930 niet goed bekend was. Net als zijn tijdgenoten verklaarde Glaessner de structuur met geosynclines.

Adelaide

Door tussenkomst van Douglas Mawson kon Glaessner eind jaren 1940 aan de universiteit van Adelaide gaan werken. Daar verlegde hij zijn onderzoek grotendeels naar de stratigrafie van het bovenste Precambrium. In 1964 werd hij hoogleraar.

Belangrijk was de ontdekking van fossielen in het bovenste Precambrium van de Ediacara Hills door Reg Sprigg in 1946. In die tijd waren behalve algen geen fossielen ouder dan het Cambrium bekend. Sprigg zelf dacht dat het om een kwalachtig dier ging en dat de lagen eigenlijk tot het Cambrium behoorden. Na verder onderzoek werd duidelijk dat het om ouder gesteente ging.

Glaessner en zijn collega Mary Julia Wade beschreven en klassificeerden de fossiele fauna uit de Ediacara Hills. Glaessner raakte ervan overtuigd dat het om fossielen van een zeer oude maar diverse fauna ging. Hij identificeerde Dickinsonia als een worm. In wat Spriggs voor fossiele algen hield herkende hij kolonies van neteldieren. Glaessner werkte samen met Preston Cloud om de geologische tijdschaal aan te passen aan de hand van de ontdekkingen in de Ediacara Hills. Zijn studie van deze fossiele fauna leidde uiteindelijk tot de publicatie van het boek The Dawn of Animal Life in 1984. Glaessner was overtuigd dat het om zeer vroege voorlopers van het dierenrijk ging. Daarin stond hij tegenover Adolf Seilacher en andere aanhangers van de hypothese dat het om uitgestorven groepen gaat.

Glaessner ging in 1971 met emeritaat. Hij stierf in 1989.