Marthe Donas
| Marthe Donas | ||||
|---|---|---|---|---|
![]() | ||||
| Persoonsgegevens | ||||
| Pseudoniem | Tour Donas, Tour d'Onasky | |||
| Geboren | Antwerpen, 26 oktober 1885 | |||
| Overleden | Audregnies, 31 januari 1967 | |||
| Geboorteland | België | |||
| Opleiding en beroep | ||||
| Opleiding gevolgd aan | Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen | |||
| Beroep | kunstschilder | |||
| Werkveld | schilderkunst | |||
| Oriënterende gegevens | ||||
| Stijl | abstracte kunst | |||
| RKD-profiel | ||||
| Website | ||||
| ||||
Marthe Donas, ook Tour Donas of Tour d'Onasky genoemd (Antwerpen, 26 oktober 1885 – Audregnies, 31 januari 1967), was een Belgische kunstschilder die deel uitmaakte van de voor-oorlogse avant-garde.
Levensloop
Jeugd
Marthe Donas volgde op zeventienjarige leeftijd les aan de Antwerpse Academie, ondanks het verzet van haar vader. De tien jaar daarop was ze niet echt bij iemand in de leer, maar bekwaamde ze zich wel verder in het schilderen. Haar klassieke scholing en talent blijken onder andere uit haar Zelfportret. Dat is een klein, lichtbruin monochroom werk. Doordat ze het zo dun schilderde, heeft het weg van een tekening. Donas vervolgde haar opleiding tussen 1912 en 1914 aan de Antwerpse Academie en het Hoger Instituut. Ze haalde eerste prijzen in de schilderkunst, bij Van Kuyck, en bij het tekenen en graveren, bij Lauwers.
Dublin
Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog vluchtte haar familie naar het Nederlandse Goes. Marthe en haar jongere zus Laure trokken verder naar Dublin. Daar volgden ze lessen in glasschilderkunst. Marthe Donas kreeg er ook enkele opdrachten. Het was daar dat Liggend Naakt tot stand kwam. Het is een realistisch opgezette tekening, waarin Donas de arceertechniek gebruikte. Deze was erg verwant aan de methode die ze in haar gravures toepaste. De figuur werd in Liggend Naakt uitgespaard tussen de parallelle arceringen.[1]

Parijs
Vanwege de bloedige Paasopstand, die in Dublin op 24 april 1916 uitbrak, moest ze weer vluchten. Ze verbleef kort in Engeland en eind 1916 vestigde ze zich in Parijs. Daar speelde zich vier jaar lang wat Leen de Jong[2] haar “meest fascinerende fase uit haar kunstenaarsleven” noemde af. Donas schreef zich meteen na aankomst in in La Grande Chaumière, l’Académie Ranson en in het atelier van André Lhote, waar ze in contact kwam met het kubisme. Later schreef ze over deze periode: [1][3]
Een tentoonstelling van André Lhote heeft mij veroverd voor het kubisme. Ik was erop gebrand om alles te zien en te begrijpen.
Ze maakte zich de nieuwe stijl snel eigen, zo blijkt uit drie werken uit 1917 (Stilleven, KMSKA)[4] en twee naaktstudies[5]. Tot eind 1918 vergezelde ze een dame naar Nice om haar tekenlessen te geven en zo in haar levensonderhoud te voorzien. In Nice ontmoette ze Alexander Archipenko, de Oekraïense beeldhouwer met wie ze een verhouding gehad zou hebben.[6] Door haar werk in zijn atelier kwam ze in contact met de militante kubisten van Section d’Or. Haar eigen kubistische werken kenmerken zich door de afwisseling en aanvulling van geometrische volumes, nabootsing van materialen, zuivere vormen en de collagetechniek. In december 1918 huurde ze het Parijse atelier van Piet Mondriaan, die toen nog in Nederland woonde. In die periode evolueerde haar stijl steeds meer naar het abstracte. Haar avant-gardistische werk vertoonde toen overeenkomsten met het oeuvre van De Stijl en Archipenko.[1] Bij een strakke compositie van Mondriaan noteerde ze: En, hoe moet het nu verder?.
In de biografie die Leen De Jong over Donas schreef, wijdde ze een deel aan de exposities waar de kunstenares aan deelnam. Zo schreef Leen De Jong:
Donas exposeerde regelmatig: met de Section d'Or in september 1919 te Londen, in maart 1920 te Parijs (Galerie La Boëtie) en in dezelfde maand ook nog eens in Brussel bij Sélection, onder de naam Tour-Donas. Onder haar tweede schuilnaam, Tour-Donasky, verscheen er werk in het tijdschrift De Stijl,[7] opgericht door Théo van Doesburg, die zij eveneens via Archipenko had leren kennen. Eind 1919 had zij haar eerste solotentoonstelling in de Librairie Kundig te Genève en in juni 1920 reisden de veertig geëxposeerde werken naar haar meest succesrijke manifestatie. Herwarth Walden selecteerde haar voor een tentoonstelling in zijn galerie Sturm te Berlijn. Hij kocht 35 schilderijen en reproduceerde werk van haar in zijn tijdschrift. Het succes van de tentoonstelling was van die aard dat reeds in januari 1921 een tweede tentoonstelling met werk van haar hand samengesteld kon worden. De Amerikaanse Katherine Dreyer,[8] kocht eveneens vier werken op de Berlijnse show. Een van de werken op de Berlijnse tentoonstelling was de Buste van een vrouw. Donas' buitenlandse faam kwam ook in België ter ore en toen zij in 1920 Parijs verliet werd zij op voorspraak van Théo van Doesburg opgenomen in de Belgische delegatie voor een internationale tentoonstelling te Genève (samen met onder anderen Van Tongerloo, Prosper De Troyer, René Magritte en Frans Masereel). Ook op de tentoonstelling georganiseerd naar aanleiding van het Tweede Kongres voor Moderne Kunst, in januari 1922 te Antwerpen, werd werk van haar getoond, samen met dat van Jozef Peeters, Van Tongerloo, Edmond Van Dooren, Pierre-Louis Flouquet, Felix De Boeck en Victor Servranckx. Toch heeft zij zich niet met de Belgische avant-garde ingelaten.[1][6]
Maar heel snel bevindt ze zich zonder referentie na de vervreemding van Archipenko, die de promotie van haar werk had verzekerd. Het opdrogen van haar inspiratie na de twijfels die haar teisteren, dwingt Marthe Donas afstand te nemen van de Europese avant-gardes. Depressies en zonder geld keerde ze terug naar haar ouders.
België
In 1922 trouwde Marthe Donas met de filosoof Harry Franke Van Meir . Haar huwelijk wordt gevolgd door twee kort verblijven in Parijse buitenwijken (Fontenay-aux-Roses, Sceaux) om haar man te vergezellen die zijn studies aan de Sorbonne afmaakte. Nieuwe gezondheidsproblemen verstoren haar artistieke praktijk en leiden tot haar verhuis naar Ittre waar haar schoonfamilie een rijke residentie bezit.[9] In Waals-Brabant ontdekt ze (als stedeling) de charme van het platteland. Ze laat zich leiden door de eenvoud van het plattelandsleven, doordrenkt met geloof. Haar favoriete thema's veranderen: landelijke landschappen, genretaferelen, naïeve portretten,religieuze schilderijen, vergezeld van glas-in-loodprojecten.[10] Haar stillevens tonen de invloed van de rustige omgeving waarin ze op dat moment leeft. Haar manier van schilderen evolueert naar een terugkeer naar (soms gestileerde) figuratie.
In de periode 1927-1947 schilderde ze niet. Daarover schreef ze zelf:
Ne trouvant pas son équilibre dans une vie si tourmentée, avec de continuels déménagements, un ménage à faire et trop d'ouvrage, elle cesse de peindre.
Het koppel kreeg een dochter (Francine) in januari 1931 die haar tijd en aandacht volledig opslorpt. Toen Francine 16 jaar was en onafhankelijker werd, begint Marthe Donas terug te schilderen.
Over het werk dat ze na 1947 maakte, schreef ze:[1]
Mes peintures actuelles sont des intuitions pures, toutes abstraites...
Werken
Schilderijen
- Fond jaune. 1917. Olieverf op cardboard. 36 × 27cm. De Vuyst (8 december 8, 2007). Zie artnet.
- Zelfportret met Franse hoed 1919; olieverf op doek 70x110cm Allaf Collection, coll nr 65401
- Stilleven. 1917. Olieverf op doek. 34,5 × 53 cm. Antwerpen, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen. Inv. nr. 2948. Zie Lukas imagebank.
- Stilleven. Zonder jaar. Olieverf op doek. 33 × 21,5 cm. New York, Sotheby's (16 maart 2006). Zie artnet.
- Stilleven. Circa 1919. Materiaal, afmetingen en verblijfplaats onbekend. Afgebeeld als Bijlage XI van De Stijl, 2e jaargang, nummer 6 (april 1919). Zie Digital Dada Library.
- Danseres. Circa 1919. Materiaal, afmetingen en verblijfplaats onbekend. Afgebeeld als Bijlage XVI van De Stijl, 2e jaargang, nummer 8 (juni 1919). Zie Digital Dada Library.
- Stilleven. 1920. Olieverf op hout. 38 × 38. Bern, Kunstmuseum, Stiftung Othmar Huber.
- Abstracte compositie nr. 5. 1920. Olieverf op karton. 63,4 × 49,4. Brussel, Museum voor Moderne Kunst.
- Constructie. 1920. Olieverf op hout. 48 × 42 cm. Brussel, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten.
- Le Petit Déjeuner. 1925. Olieverf op paneel. 55 × 55 cm. Londen, Whitford Fine Art. Zie artnet.
Assemblage
- Stilleven met fles en kop. 1917. Kant, schuurpapier, textiel, net en verf op board. Zie externe link.
Tekeningen
- Werk I. 1917. Potlood op papier. 28 × 21 cm. Hoocho Chikusaku Nagoya, Cubism Gallery Asada. Zie cubism-asada.com.
- Abstractie. 1920. Gouache. 28 × 28 cm. Lichtervelde, Gyselinck Fine Arts (2008). Zie externe link.
Musea met werk van Donas
- In de Kapel van de zusters van het kindje Jesus in Ittre bij haar vroegere woning (Chateau Bauthier) is het Musée Marthe Donas (MIMDo) gevestigd. Het bezit een veertigtal schilderijen, gravures en tekeningen van haar, naast o.a. werk van Guillaume Vanden Borre (1896-1984) en Pierre Caille (1911-1996). Blikvanger is De zich poederende vrouw uit 1918.
- Yale University Art Gallery
Bijkomende informatie
- Tentoonstelling in het KMSKA, Antwerpen, Betoverend modernisme. Donas, Archipenko & La section d'or, eind 2025 en begin 2026.
- Kristien Boon (2004). Marthe Donas. [Oostkamp]: Stichting Kunstboek (ISBN 9789058561268).
- 1 2 3 4 5 Leen de Jong, in Elck zijn waerom. Vrouwelijke kunstenaars in België en Nederland 1500-1950, 1999, p. 328-330.
- ↑ ex-medewerker aan het KMSKA
- ↑ Leen de Jong, in From Ensor to Magritte. Belgian Painting between 1880 and 1940, 2010, p. 119.
- ↑ inv. nr. 2948
- ↑ verzameling S. en G. Poppe te Hamburg
- 1 2 Peter De Laet, in Vouwblad Educatieve Dienst Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen. De Antwerpse avant-garde, p. 6.
- ↑ 1919, nr. 6 en 8
- ↑ wier collectie (Société Anonyme Inc.) samen met die van Marcel Duchamp in Yale University Art Gallery werd opgenomen,
- ↑ het "Château" Bauthier
- ↑ De glas-in-loodtechniek herneemt ze tien jaar nadat ze het had ontdekt tijdens haar verblijf in Ierland.
