Marcus Junius Brutus (consul in 178 v.Chr.)
Afkomst
Marcus Junius Brutus claimde voor zichzelf een afstamming van de nogal legendarische stichter van de Romeinse Republiek, Lucius Junius Brutus, net zoals alle andere leden van de gens Junia met het cognomen Brutus, zoals de consul van 138 v.Chr., Decimus Junius Brutus Callaicus. Een dergelijke afstamming is echter onwaarschijnlijk, zelfs als de stichtingsgeschiedenis van de Republiek op feiten gebaseerd zou zijn, omdat deze eerste consul na de afschaffing van de monarchie een patriciër was, terwijl de latere Junii Bruti, zoals Marcus Junius Brutus, allemaal plebejers waren. Niettemin waren de plebejische Junii met de achternaam Brutus ook een oude senatoriale familie, die voor het eerst voorkomt in de Fasti in 339 v.Chr. met de magister equitum Decimus Junius Brutus Scaeva[1] en het is diezelfde Decimus Junius Brutus Scaeva die in 325 v.Chr. als eerst van zijn familie consul wordt van de Romeinse republiek.[2]
Politieke carrière
Marcus Junius Brutus, zoon van Marcus Junius en kleinzoon van Lucius Junius, betrad de politieke arena van Rome voor het eerst in 195 v.Chr., toen hij als volkstribuun samen met zijn familielid en mede-volkstribuun Publius Junius Brutus en de zittende consul Marcus Porcius Cato de Oudere tevergeefs probeerde de intrekking van de lex Oppia Sumptuaria te voorkomen, die door twee andere volkstribunen was geïnitieerd.[3] Hij werd aedilis plebis, waarschijnlijk in 193 v.Chr., en bouwde samen met zijn collega Lucius Oppius Salinator de zogenaamde Tabernae Plebeiae aan de noordzijde van het Forum Romanum. Deze werden echter al snel afgebroken om plaats te maken voor de bouw van Cato's Basilica Porcia.[4] Hij en Oppius werden praetor in 191 v.Chr.[5] Hij wijdde de tempel van Magna Mater op de Palatijn in met een festival, tijdens hetwelke het toneelstuk Pseudolus van Plautus werd opgevoerd.[6]
In 189 v.Chr. was Marcus Junius Brutus lid van een tienkoppige commissie die belast was met het regelen van allerlei aangelegenheden in Klein-Azië. Na een lange en succesvolle cursus honorum werd hij in 178 v.Chr. samen met Aulus Manlius Vulso verkozen tot consul van de Republiek. Hij werd vervolgens door de Senaat uitgezonden om de Liguriërs te bestrijden, terwijl zijn collega de leiding nam over de campagne tegen de Histri. Vanwege de problemen die Manlius Vulso ondervond met de Histri, werd Brutus uitgestuurd om hem bij te staan. Beide consuls overwinterden in Aquileia en hun ambtstermijnen werden verlengd, waardoor ze de campagne tegen de Histri het volgende voorjaar als proconsuls konden voortzetten. Ze behaalden overwinningen, maar werden vervolgens vervangen door de nieuwe consul, Gaius Claudius Pulcher. In 169 v.Chr. deed Marcus Junius Brutus een onsuccesvolle poging om censor te worden. Vervolgens ging hij, samen met twee andere oud-consuls, naar Klein-Azië om bondgenoten te zoeken tegen Perseus, de koning van Macedonië. Uiteindelijk werd hij in 164 v.Chr. leider van een Romeins gezantschap naar Klein-Azië om te bemiddelen in de geschillen tussen Ariarathes IV Eusebes, de koning van Cappadocië, en de Galaten.[7]
Bronnen
- Dit artikel of een eerdere versie ervan is een (gedeeltelijke) vertaling van het artikel Marcus_Iunius_Brutus_(Konsul_178_v._Chr.) op de Duitstalige Wikipedia, dat onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen valt. Zie de bewerkingsgeschiedenis aldaar.
- F. Münzer, art. Iunius (48), in RE X.1 (1918), col. 970.
Noten
- ↑ I. König, Der römische Staat, 1: Die Republik (= Reclams Universal-Bibliothek, 8834), Stuttgart, 1992, p. 206.
- ↑ I. König, Der römische Staat, 1: Die Republik (= Reclams Universal-Bibliothek, 8834), Stuttgart, 1992, p. 208.
- ↑ Titus Livius, Ab Urbe condita XXXIV 1, 8; Valerius Maximus, IX 1 § 3.
- ↑ F. Münzer, art. Iunius (48), in RE X.1 (1918), col. 970.
- ↑ Livius, Ab Urbe condita XXXV 24.6.
- ↑ Livius, Ab Urbe condita XXXVI 36.4.
- ↑ Polybios, XXXI 13.1-3.