Gaius Claudius Pulcher (consul in 177 v.Chr.)
| Gaius Claudius Pulcher | ||||
|---|---|---|---|---|
| Sterfdatum | 167 v.Chr. | |||
| Tijdvak | Romeinse Republiek | |||
| Cursus Honorum | ||||
| Censor in | 169 v.Chr. | |||
| Consul in | 177 v.Chr. | |||
| Praetor in | 180 v.Chr. | |||
| Medecensor | Tiberius Sempronius Gracchus | |||
| Medeconsul | Tiberius Sempronius Gracchus | |||
| Persoonlijke gegevens | ||||
| Familie | Gens Claudia | |||
| Zoon van | Appius Claudius Pulcher | |||
| Vader van | Appius Claudius Pulcher | |||
| Broer van | Appius Claudius Pulcher Publius Claudius Pulcher | |||
| ||||
Gaius Claudius Pulcher (- 167 v.Chr.) was een Romeinse senator uit de oude patricische gens Claudia en consul in 177 v.Chr. Hij was tevens een succesvol generaal.
Familie en vroege loopbaan
Gaius Claudius Pulcher was de derde zoon van de consul van 212 v.Chr., Appius Claudius Pulcher, en waarschijnlijk ook vader van de consul van 143 v.Chr., Appius Claudius Pulcher.
Gaius Claudius Pulcher wordt voor het eerst vermeld in de bronnen voor het jaar 195 v.Chr., toen hij augur werd,[1] een ambt dat hij bekleedde tot zijn dood in 167 v.Chr. Als praetor peregrinus werd hij in 180 v.Chr. belast met het uitvoeren van onderzoeken in Rome naar gevallen van vermeende vergiftigingen.[2]
Consulaat
Claudius Pulcher werd consul in 177 v.Chr., samen met Tiberius Sempronius Gracchus.[3] In overeenstemming met de Senaat vaardigde hij eerst een nieuw decreet uit waarin de status van de Italiaanse bondgenoten werd geregeld (zie Lex Claudia de sociis).[4] Omdat de consuls van het voorgaande jaar, Marcus Junius Brutus en Aulus Manlius Vulso, militaire successen hadden behaald in Istrië, vreesde Claudius Pulcher, aan wie Istrië als provincie was toegewezen, dat hij geen militaire lauweren meer zou kunnen verwerven. Zonder de gebruikelijke religieuze ceremonies te houden en zonder vergezeld te worden door lictoren, haastte hij zich naar Istrië, maakte ruzie met de voormalige consuls en eiste dat ze de provincie zouden verlaten. Ze gehoorzaamden echter niet zijn bevel en eisten dat hij eerst de traditionele rituelen in Rome zou uitvoeren. De woedende Claudius Pulcher dreigde hen in ketenen naar Rome te sturen, maar de quaestor van Manlius weigerde een dergelijk bevel uit te voeren en het leger stond ook achter hun voormalige commandanten. Claudius Pulcher had daarop geen andere keuze dan via Aquileia naar de hoofdstad terug te keren. Daar voltooide hij haastig zijn taken, ditmaal verliet hij Rome met zijn lictoren, nam het bevel over een nieuw opgericht leger in Aquileia en ging opnieuw naar zijn provincie. Hij ontsloeg de oude troepen en hun commandanten, de consuls van het voorgaande jaar, en zette het beleg van Nesactium voort dat ze waren begonnen. Hij veroverde de stad door een rivier om te leiden die de stad van drinkwater voorzag en haar tegen aanvallen beschermde. De koning van de Histri, Epulo, pleegde zelfmoord. Claudius Pulcher veroverde ook twee andere steden, waarop de Histri gedwongen werden zich over te geven.[5]
In opdracht van de Senaat marcheerde Claudius Pulcher vervolgens met zijn legioenen Ligurië binnen, versloeg de Liguriërs beslissend bij de rivier de Scultenna en verwoestte vervolgens hun land met een plundertocht. Na deze militaire overwinningen mocht hij in Rome een dubbele triomftocht houden over de Histri en de Liguriërs.[6]
Latere carrière
Omdat de Liguriërs de Romeinse kolonie Mutina hadden veroverd, leidde Claudius Pulcher zo snel mogelijk de verkiezingen van de nieuwe magistraten, waarbij onder anderen de consuls Gnaeus Cornelius Scipio Hispallus en Quintus Petillius Spurinus werden gekozen. Nadat hij zijn bevel als proconsul had verlengd, keerde Claudius Pulcher terug naar zijn provincie en heroverde Mutina.[7] Toen hij hoorde dat de Liguriërs de strijd hadden hervat, verzamelde hij extra troepen en viel Ligurië binnen. Hij accepteerde echter de uitnodiging van Petillius Spurinus om zich met zijn leger bij hem aan te sluiten, en kort daarna arriveerde ook de nieuwgekozen consul suffectus, Gaius Valerius Laevinus, met zijn leger.[8] De verdere rol die Claudius Pulcher in de oorlog speelde, is onbekend, aangezien de belangrijkste bron, boek 41 van Ab Urbe condita van de historicus Livius, op dit punt een aanzienlijk hiaat vertoont.
Omdat Claudius Pulcher zich in veel veldslagen had onderscheiden, diende hij in 171 v.Chr. als tribunus militum onder consul Publius Licinius Crassus, toen deze de Derde Macedonisch-Romeinse Oorlog begon tegen de laatste Macedonische koning, Perseus.[9]
In 169 v.Chr. kreeg Claudius Pulcher nog een belangrijk ambt: censuur, dat hij samen met zijn voormalige consul-collega Tiberius Sempronius Gracchus uitoefende.[10] Ze vervulden hun taken met grote strengheid, waarbij ze de equites hard aanpakten en in conflict kwamen met de tribunus plebis, Publius Rutilius, die hen van perduellio beschuldigde. Claudius Pulcher voelde zich in het bijzonder hierdoor bedreigd, maar de uiting van solidariteit van de populairdere Gracchus behoedde hem voor een veroordeling door de volksvergadering.[11] Tegen de wil van Claudius Pulcher in voerde Gracchus echter een aanzienlijke beperking in op het stemrecht van vrijgelatenen.[12]
Na de definitieve overwinning op Perseus was Claudius Pulcher in 167 v.Chr. lid van een commissie van tien man die belast was met de reorganisatie van de politieke aangelegenheden in Macedonië. Hij zou zich voorbereiden op zijn afreis hiervoor, maar stierf later datzelfde jaar.[13]
Noten
- ↑ Livius, Ab Urbe condita XXXIII 44.3.
- ↑ Livius, Ab Urbe condita XL 37.4, 42.5.
- ↑ Fasti Capitolini; Polybios, XXV 4.1; Livius, Ab Urbe condita XLI 8.1; e.a.
- ↑ Livius, Ab Urbe condita XLI 9.9ff.
- ↑ Livius, Ab Urbe condita XLI 10.5-11.9.
- ↑ Livius, Ab Urbe condita XLI 12.7-10; 13.6-8; Fasti Triumphales.
- ↑ Livius, Ab Urbe condita XLI 14.3-6, 16.7-9.
- ↑ Livius, Ab Urbe condita XLI 17.9, 18.1, 18.5f.
- ↑ Livius, Ab Urbe condita XLII 49.8.
- ↑ Fasti Capitolini; Livius, Ab Urbe condita XLIII 14.1f.; Cicero, Brutus 79; de divinatione 1, 36; Plutarchus, Tiberius Gracchus 1.2, 14.4.
- ↑ Livius, Ab Urbe condita XLIII 16:1-16; Cicero, de re publica 6.2; de inventione 1.48; Valerius Maximus, VI 5.3; e. a.
- ↑ Livius, Ab Urbe condita XLV 15.1-9; e. a.
- ↑ Livius, Ab Urbe condita XLV 17.2, 31.9, 44.3; Polybios, XXX 13.8.
Referenties
- Dit artikel of een eerdere versie ervan is een (gedeeltelijke) vertaling van het artikel Gaius_Claudius_Pulcher_(Konsul_177_v._Chr.) op de Duitstalige Wikipedia, dat onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen valt. Zie de bewerkingsgeschiedenis aldaar.
- F. Münzer, art. Claudius (300), in RE III.2 (1899), coll. 2855-2856.