Luigi Maria d'Albertis

Luigi Maria d'Albertis (Voltri, een stadsdeel van Genua, 21 november 1841Sassari, 2 september 1901)[1] was een Italiaanse ontdekkingsreiziger en natuuronderzoeker, die in 1875 de eerste Italiaan was die de Fly River in kaart bracht. De rivier ligt grotendeels in wat sinds 1975 Papoea-Nieuw-Guinea heet; over enige kilometers lengte in het westelijke deel van de loop, vormt deze rivier de grens met Indonesië (het vroegere Nederlands-Nieuw-Guinea). D'Albertis ondernam drie reizen op deze rivier van 1875 tot 1877. Bij schermutselingen met de inheemse bevolking die langs de rivier woonden, gebruikte hij geweervuur, vuurpijlen en dynamiet om hen intimideren en soms werden mensen gedood. Hij gebruikte destructieve methoden bij het verzamelen van zoölogisch specimens van insecten, vissen en vogels en menselijke resten. Ook verzamelde hij planten. Hij roofde bovendien voorouderlijke overblijfselen, gereedschappen en wapens uit de huizen van de lokale bevolking. Tijdgenoten (dus mensen uit de periode waarin het kolonialisme hoogtij vierden) waren unaniem kritisch over zijn optreden.

Biografie

Luigi Maria d’Albertis

Vroege jeugd

D'Albertis werd geboren in 1841 in Voltri een Italiaanse gemeente binnen de stad Genua. Op achttienjarige leeftijd trad hij toe tot het leger van Giuseppe Garibaldi. In november1871 voegde hij zich bij de ontdekkingsreiziger en plantkundige Odoardo Beccari op een expeditie naar het westen van Nieuw-Guinea. Hij bereikte de top van de berg Arfakgebergte, maar werd door koorts gedwongen zich terug te trekken en terug te keren naar Sydney om te herstellen. In 1874 keerde D'Albertis terug naar Nieuw-Guinea om een basis op te zetten op Yule Island. Hier trok hij de aandacht door de meest aantrekkelijke jonge inheemse vrouwen in het openbaar te kussen. Volgens hem een gebruikelijk teken van vrede. Ook dreigde hij met een schelp vol brandende spiritus zogenaamd de oceaan in brand te steken. De meeste van zijn reisgenoten lieten hem daarna in de steek.

Reis over de Fly River in 1875

D'Albertis maakte zijn eerste reis naar de Fly River in de stoomboot SS Ellengowan, die vertrok vanuit de Britse koloniale haven van Somerset op het puntje van het schiereiland Cape York. Aan boord waren de kapitein, een predikant en de politiecommissaris (en rechter) H.M. Chester met zes agenten van de Queensland Native Police. Hun eerste stop was Tawan Island, waar Chester de inwoners oppakte en hen waarschuwde om niet te stelen van de missionarissen in het gebied. Toen ze de Fly River opstoomde, kwam D'Albertis in botsing met de inheemse bevolking. Na een aantal schoten op hun vaartuigen verjoeg Chester en zijn agenten hen, waarbij ze in paniek verdwenen. Als trofee van de overwinning stal Chester een 18 meter lange boomstamkano en gebruikte deze als brandhout voor de ketel van het stoomschip. Op andere plaatsen langs de rivier schoot D'Albertis vuurpijlen af en gebruikte dynamiet om de bevolking te intimideren. Hij gebruikte dynamiet ook om te vissen (als voedsel) en om specimens van waterorganismen te verzamelen. Tijdens hun terugkeer stroomafwaarts accepteerden ze een uitnodiging van de plaatselijke bevolking om hun dorp te bezoeken, maar Chester en zijn agenten besloten om eerst te schieten. Hierbij werden een paar grote tamme varkens gedood en gestolen. Chester ging vervolgens door met het plunderen van het traditionele langhuis en nam voorouderlijke, heilige menselijke resten, wapens en andere artefacten mee voor de verzameling van D'Albertis.

Reis over de Fly River in 1876

D'Albertis' tweede verblijf aan de rivier was op het schip Neva, dat was gecharterd door de (koloniale) regering van Nieuw Zuid Wales. D'Albertis gebruikte opnieuw vuurpijlen en dynamiet om de bewoners af te schrikken. Hij nam ingewikkelde inscripties in boomschors mee, hoewel hij zich bewust was dat dit mogelijk heiligschennis was. Bovendien stal hij voorouderlijk gebeente uit de heilige traditionele langhuizen. De Neva baande zich een weg stroomopwaarts totdat het schip in ondiepten tot stilstand kwam. Vervolgens stoomden ze stroomafwaarts naar een zijrivier die D'Albertis de Alice River noemde, maar is later als de Ok Tedi bekend geworden. Uiteindelijk getroffen door malaria en verlamd door reuma in beide benen, gaf hij zijn falen toe en keerde terug naar de Straat van Torres.

Reis over de Fly River in 1877

Dit was de laatste en waarschijnlijk de meest bewogen reis van D'Albertis over de Fly River. Op de eerste juni raakte D'Albertis en zijn bemanning verzeild in een complete veldslag met een gewapende vloot van inheemse vaartuigen (boomstamkano's en uitleggerkano's). D'Albertis beweerde ongeveer 120 schoten te hebben afgevuurd bij deze schermutseling waarbij enkele doden vielen onder de inheemse bevolking, maar niet bij zijn eigen bemanningsleden. De de romp van het (houten) schip zat vol met pijlen, waarvan sommige door de planken waren gedrongen. Begin juli was D'Albertis geregeld betrokken bij schermutselingen met de inheemse bevolking en werden mensen doodgeschoten. Bij één gelegenheid vond D'Albertis het dode lichaam van een gesneuvelde, onthoofde dat om de schedel te bewaren in zijn collectie zoölogische specimens. Later vermoordde hij een van zijn Chinese bedienden. Hij ranselde de man dood omdat hij weigerde het oerwoud in te gaan om specimens van dieren te schieten. De andere Chinese bedienden vluchtten vervolgens het oerwoud in. Zij waagden zich liever in onbekend terrein in plaats van bij de expeditie te blijven.

Toen D'Albertis eind oktober stroomafwaarts terugkeerde, werd hij opnieuw aangevallen, waarbij minstens zeven inheemse bewoners werden gedood. Na dit treffen werd hij uiterst op zijn hoede en beval hij dat elke boomstamkano moest worden beschoten. Tijdens deze reis, net als bij de anderen, viste D'Albertis geregeld met dynamiet. Hij beweerde dat dynamiet het meest effectieve middel is om te gebruiken, vooral bij koraalriffen. Eenmaal terug in de Straat van Torres, dienden twee van de deserteurs uit zijn expeditie een aanklacht in tegen D'Albertis voor de moord op zijn Chinese bediende. De politierechter H.M. Chester, een vroegere reisgenoot van D'Albertis, verwierp de aanklacht onmiddellijk. Hij zette de twee Polynesische mannen 16 weken gevangen op beschuldiging van muiterij. D'Albertis aanvaardde met tegenzin dit vonnis.Hij wilde dat de mannen werden geëxecuteerd.

Niet lang daarna keerde D'Albertis terug naar Europa met een overvloed aan gestolen materiaal. Zijn neef, mede-ontdekkingsreiziger Enrico Alberto d'Albertis, bracht veel van Luigi's specimens en artefacten onder in Castello D'Albertis. Het kasteel biedt sinds 1892 onderdak een een Museum van Wereldculturen. Zijn plantkundige en zoölogische specimens uit Nieuw-Guinea bevinden zich in het Museo di Storia Naturale Giacomo Doria (natuurhistorisch museum) in Genua.

Kritiek en verder gevolgen

Latere koloniale bestuurders van Brits Nieuw-Guinea zoals Peter Scratchley, William MacGregor en John Hubert Plunkett Murray waren kritisch over de manier van optreden van D'Albertis. Hoewel deze bestuurders zelf verschillende repressieve en strenge strafrechtelijke maatregelen toepasten op de inheemse bevolking, erkenden ze dat de methoden van D'Albertis zeer schadelijk waren voor het succes van de Britse kolonisatie. Overigens was D'Albertis niet de enige ontdekkingsreiziger die zich zo misdroeg. De koloniale geschiedenis van dit deel van de wereld is rijk aan vergelijkbare verhalen.[2][3]

Naamgeving ontleend aan d'Albertis

Een aantal reptielensoorten uit Nieuw-Guinea werden als eerbetoon aan d'Albertis naar hem vernoemd. Vier soorten die aanvankelijk albertisii als soortbijvoegsel hadden, bleken een ongeldige wetenschappelijke naam te hebben en zijn inmiddels van een andere naam voorzien.Het enige reptiel dat naar hem is vernoemd is een witlippython uit het geslacht Bothrochilus: B albertisii [synomiem Leiopython albertisi (Peters & Doria, 1878)]. Verder is er de kever Bironium albertisi (Löbl, 2021) naar hem vernoemd.