Ludwig Christian Hesse

Ludwig Christian Hesse (Darmstadt, 8 november 1716 - aldaar, 15 september 1772) was een Duitse gambist. Hij was de derde zoon van gambist en componist Ernst Christian Hesse en zangeres Johanna Elisabeth Döbricht, beide werkzaam aan het hof te Darmstadt.

Levensloop

Op 4 oktober 1734 begon Hesse aan een studie aan de universiteit van Jena. Drie jaar later, op 8 juli 1737, begon hij aan een studie rechten aan de universiteit van Halle. Over zijn muzikale opvoeding is alleen bekend dat hij van zijn vader les kreeg op de viola da gamba.[1]

In 1738 kreeg Hesse aan het hof in Darmstadt een aanstelling als regeringsadvocaat en kamermusicus. Deze carrière duurde niet lang: de nieuwe landgraaf Lodewijk VIII voerde in 1740 namelijk bezuinigingen door en Hesse raakte zijn baan kwijt.

In Berlijn investeerde koning Frederik II inmiddels fors in zijn hofkapel. Hesse kon hier in 1741 als gambist aan de slag en zou er tot 1763 blijven werken. Het is niet duidelijk wat Hesse na 1763 deed, maar in ieder geval vanaf 1766 was hij in dienst bij prins Frederik Willem II. De prins was ook een leerling van Hesse en kreeg van hem les op de viola da gamba.

Hesse keerde in 1771 of 1772 weer terug naar Darmstad. Dit kan te maken hebben met de overstap die de prins maakte naar de cello;[2] het kan echter ook zijn dat de prins vanwege Hesses vertrek overstapte op de cello.[3]

Op 15 september 1772 overleed Hesse in Darmstadt.

Invloed

Hesse werd door tijdgenoot en muziekkenner Johann Adam Hiller beschouwd als de beste gambist van Europa. De invloed van Hesse op het repertoire en de uitvoeringspraktijk van de viola da gamba was groot.

Er zijn geen composities bekend die met zekerheid aan Hesse kunnen worden toegeschreven. Wel heeft hij tussen 1766 en 1771 ruim 80 arrangementen geschreven voor de viola da gamba. De meeste arrangementen zijn van opéras-comiques en tragédies van onder andere Rameau, maar er zijn ook bewerkingen van opera's van Carl Heinrich Graun en motetten van André Campra. De Franse muziekstukken zijn waarschijnlijk door de Franse gambist Jean-Baptiste-Antoine Forqueray opgestuurd aan prins Frederik Willem, die ze vervolgens beschikbaar stelde aan Hesse om te arrangeren. Aangezien de arrangementen dikwijls zijn geschreven voor twee viola da gamba's, is het vrij zeker dat Hesse de arrangementen schreef om samen met zijn leerling Frederik Willem te kunnen spelen.

Hesse was voor enkele componisten ook een inspiratiebron om nieuwe composities te schrijven voor de viola da gamba. Carl Philipp Emanuel Bach, Johann Gottlieb Graun en Christoph Schaffrath waren Hesses collega's aan het Berlijnse hof en zij schreven diverse composities speciaal voor de viola da gamba. Hierbij vertoont vooral het werk van Graun een duidelijke invloed van Hesses vaardigheden en speelstijl. Ook wordt uit de composities duidelijk dat Hesse op een Franse zevensnarige viola da gamba speelde.

Opmerkelijk is dat de viola da gamba in Hesses tijd overal aan populariteit had verloren, maar juist in het Berlijnse muziekleven een herleving doormaakte. De aanwezigheid van Hesse en de voorliefde van prins Frederik Willem voor het instrument zullen hieraan hebben bijgedragen.