Ludovica Keijser

Zr. Ludovica Keijser, geboren als Catharina Elisabeth Keijser, (Haarlem, 24 februari 1815Nijmegen, 15 mei 1869), was mede-oprichtster en de eerste overste van de Congregatie van de Zusters Dominicanessen van de Heilige Familie te Neerbosch.

Jeugd en familie

Catharina Elizabeth Keijser werd op 24 februari 1815 in Haarlem geboren als het tweede kind uit het tweede huwelijk van Willem Keijser en Mathilde Kempers. Haar vader, Willem Keijser, was kleermaker en hertrouwde met Mathilde Kempers kort na het overlijden van zijn eerste vrouw, Catharina Haver. Uit het eerste huwelijk was een dochter geboren. Willem Keijser was evangelisch-luthers, terwijl Mathilde Kempers rooms-katholiek was. In hun gemengde huwelijk kregen zij vijf kinderen: vier dochters en een zoon. De dochters werden rooms-katholiek gedoopt, de zoon evangelisch-luthers, volgens de afspraak "zo ouder, zo kind".

Over de jeugdjaren van Catharina Keijser is weinig bekend. Uit de volkstelling van 1829 blijkt dat zij nog in Haarlem woonde, maar bij de volkstelling van 1839 kwam zij niet meer voor op de Haarlemse lijsten.

Kloosterleven in Rotterdam

Op 8 januari 1846 werd Catharina Keijser aangenomen in het Liefdesgesticht te Rotterdam. Dit was geen traditioneel klooster, maar een communiteit van vrouwelijke lekendominicanen (ook wel tertiarissen genoemd). Zij waren vooral actief in onderwijs, ziekenbezoek en zorg voor zwakkeren. Catharina trad officieel in op 18 april 1846 en werd ingekleed op 28 mei 1846, waarbij zij de kloosternaam Ludovica aannam. Op 9 september 1847 legde zij haar beloften van zuiverheid af bij pater provinciaal J.D. Raken.

Het Rotterdamse liefdehuis, opgericht in 1841, kende een moeizame start, maar trok toch nieuwe zusters aan, waaronder zuster Ludovica in 1846. Deze communiteit ontwikkelde zich later tot de Zusters Dominicanessen van de Heilige Catharina van Siëna (nu de Zusters van Voorschoten).

Oprichting van de congregatie in Neerbosch

Op 24 februari 1848 verhuisde zuster Ludovica Keyser met een of twee medezusters van Rotterdam naar Neerbosch, op verzoek van pater Dominicus van Zeeland, de pastoor van Neerbosch. Zij waren gevraagd om handwerkonderricht te geven en meisjes te leren lezen en schrijven. De zusters namen hun intrek in een eenvoudig gehuurd pand. Vanwege de snelle toename van het aantal leerlingen en zusters was al snel een groter gebouw nodig. In 1850 konden zuster Ludovica en haar medezusters verhuizen naar een eigen liefdehuis. Dit gebouw kwam op naam te staan van het kerkbestuur van Hees en Neerbosch.

De jonge zusters hadden behoefte aan een meer beschouwelijk leven en wilden de regel van de Tweede Orde van Dominicus volgen, wat een contemplatief leven binnen de kloostermuren betekende. Dit stond op gespannen voet met hun actieve liefdewerken. bisschop Zwijsen van 's-Hertogenbosch kwam met een oplossing: enkele uitzonderingsbepalingen. Zo hoefden de kloosterlingen zich niet aan alle regels te houden: geen wit habijt en minder strikte vastenregels. Ook lazen de zusters geen grote of kerkelijke getijden.

De bisschoppelijke voorwaarden werden aanvaard en op 11 augustus 1853 vond de officiële oprichting van de congregatie plaats, tijdens een heilige mis opgedragen door pater Dominicus van Zeeland. Zuster Ludovica legde met zes medezusters de eeuwige geloften af in handen van pater Dominicus, hun geestelijke vader. Vier dagen later, op 15 augustus 1853, kozen de zusters Ludovica Keijser tot overste van de 'Congregatie der Zusters van den Heiligen Dominicus', die later de Dominicanessen van de Heilige Familie te Neerbosch zou worden.

Overste van de congregatie

Zuster Ludovica leidde de jonge congregatie met vaste hand, ondanks uitdagingen zoals sterfte onder de zusters door het zware kloosterleven en materiële zorgen, zoals het levensonderhoud en de noodzakelijke uitbreiding van het klooster. De bijzondere positie tussen de Derde en de Tweede Orde vroeg ook veel aandacht van moeder-overste.

Uit de Kronyk van 1864 blijkt dat zuster Ludovica zich haar kloosterleven anders had voorgesteld: "Monseigneur heeft ook ons verlangen om meer en meer in de afzondering te leven, teneinde ons ongestoorder met de beschouwing der hemelse zaken bezig te houden, zoveel mogelijk ingevolgd, door het Bisschoppelijk slot op zoodanige wijze in te voeren, als om de onmisbaarheid der scholen en andere bemoeilijkingen mogelijk is."

In 1862 werd zuster Ludovica herkozen tot overste van de congregatie, een benoeming die door de bisschop van 's-Hertogenbosch voor onbepaalde tijd werd bekrachtigd. Het aantal zusters groeide tot ongeveer dertig in 1869, en nam daarna verder toe, vooral nadat er een regeling was getroffen over de eigendomsrechten op het gebouw en de grond.

Overlijden en nalatenschap

Zuster Ludovica overleed op 15 mei 1869 in Nijmegen op 54-jarige leeftijd. Voordat zij overleed, verzocht zij om de H.H. Sacramenten te ontvangen van haar geestelijke vader, pater Dominicus van Zeeland. De kroniekschrijver vermeldt: "In hare laatste ogenblikken aanschouwde zij nog eens hare kinderen, kuste het Crucifix en onmerkbaar was hare ziel uit het ligchaam gescheiden".

Op 19 mei 1869 werd haar stoffelijk overschot bijgezet in de grafkelder van het klooster te Neerbosch, aan de Dennenstraat. Op die locatie houden tegenwoordig het bestuursgebouw, het kloosterverzorgingsoord Huize Rosa en het wooncentrum Catharinahof de herinnering aan de Dominicanessen van Neerbosch levend.

De congregatie viert elk jaar op 24 februari de komst van zuster Ludovica naar Neerbosch als stichtingsdatum en Dag van Verbondenheid.