Liesbeth Hermsen
| Liesbeth Hermsen | ||||
|---|---|---|---|---|
| Geboortenaam | Elisabeth Jacoba Hermsen | |||
| Geboren | 16 april 1895, Muiden | |||
| Overleden | 8 december 1980 | |||
| Groep | LO | |||
| Familie | ||||
| Beroep | Verpleegkundige | |||
| ||||
Elisabeth Jacoba (Liesbeth) Hermsen (Muiden, 16 april 1895 - 8 december 1980) was een Nederlands verpleegkundige en verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zij ontving postuum de onderscheiding Rechtvaardige onder de Volkeren van Yad Vashem.
Leven en werk
Liesbeth Hermsen was de jongste in een gezin met tien kinderen. Haar moeder overleed toen ze vijf jaar was. Haar vader hertrouwde en kreeg nog een zoontje met zijn tweede vrouw, maar overleed een jaar later. Liesbeth werd aanvankelijk in een kindertehuis ondergebracht en kwam later bij een gezin in Hilversum in huis. In 1913 verhuisde ze naar Den Haag. Ze volgde een opleiding tot verpleegster en opende een rusthuis in Duinoord.[1]
Verzetswerk
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Hermsen lid van de Scheveningse afdeling van de LO. Ze werkte als koerierster en nam onderduikers in huis. Begin 1943 verbleven in haar rusthuis zes Joodse onderduikers en de niet-Joodse patiënte Rie Polak-Mair.[1]
Op 16 februari 1944 werd in Amsterdam een Joodse man aangehouden. Bij zijn verhoor gaf hij namen van familieleden en onderduikadressen prijs en op 18 februari werden verscheidene personen gearresteerd. Als gevolg daarvan werd het adres van de zes Joodse vrouwen verraden. Op 24 februari volgde een inval van de politie in het rusthuis van Liesbeth Hermsen. Liesbeth Hermsen, Rie Polak-Mair en de zes Joodse vrouwen werden gearresteerd en naar het Oranjehotel in Scheveningen overgebracht. De Joodse vrouwen werden via Kamp Westerbork naar Auschwitz weggevoerd en vergast. Liesbeth Hermsen en Rie Polak-Mair gingen naar Kamp Vught en werden in het Philips-Kommando tewerkgesteld.[1] In september 1944 werden ze naar Ravensbrück gedeporteerd; een maand later werden ze geselecteerd voor het Agfacommando, een buitencommando van concentratiekamp Dachau in München-Giesing.
Eind 1944 brak in het Agfacommando tuberculose uit en werd in het basiskamp Dachau een vrouwenziekenhuisje ingericht. In februari 1945 werd Hermsen naar het basiskamp overgeplaatst en werd hoofd van het vrouwenziekenhuisje, terwijl ze zelf ook ziek was. Toen in april 1945 het kamp in München-Giesing ontruimd werd en de gevangenen op dodenmars gingen, bleven ongeveer tien zieke Nederlandse vrouwen van het Agfacommando achter in het basiskamp. Zij werden verzorgd door Liesbeth Hermsen en Jo Goos.
Op 29 april 1945 bereikten de geallieerden het kamp en werden de gevangenen bevrijd. Omdat Hermsen aan vlektyphus leed, kon ze niet direct gerepatrieerd worden en bleef ze tot 27 mei 1945 in Dachau.[2] Na terugkeer in Nederland werd ze nog maandenlang verpleegd in een repatriëringsziekenhuis.[1]
Onderscheiding
Liesbeth Hermsen ontving postuum van Yad Vashem de onderscheiding Rechtvaardige onder de Volkeren.
- Suijs, Hans (2020). Samen eervol overleefd: over 652 sterke vrouwen, onder wie het 'pastoorke' van het Agfacommando. Suijs, Zwaag. ISBN 978-94-6345-863-4.
- Hermsen Elisabeth. collections.yadvashem.org. Geraadpleegd op 18 juni 2024.
- Rusthuis Den Haag, Zr. Liesbeth Hermsen. joodsmonument.nl (28 februari 2017). Geraadpleegd op 18 juni 2024.
- 1 2 3 4 van der Wees, Trudy (8 mei 2025). 'Zuster Liesbeth' werd in de kampen op handen gedragen. Den Haag Centraal Historie : 10-11
- ↑ Elisabeth Jacoba Hermsen. verzetsmuseum.org. Gearchiveerd op 19 juni 2024. Geraadpleegd op 18 juni 2024.