Leonard Johannes van Rhijn

Leonard Johannes van Rhijn
Leonard Johannes van Rhijn
Algemene informatie
Geboren 26 januari 1812
Naaldwijk
Overleden 16 mei 1887
Bad Wildungen
Nationaliteit Nederlands
Beroep Predikant

Leonard (Leendert) Johannes van Rhijn (Naaldwijk, 26 januari 1812 - Bad Wildungen, 16 mei 1887) was een Nederlandse predikant, zendeling en auteur. Hij schreef onder andere het boek Reis door den Indischen Archipel, in het belang der evangelische zending (1851), een verslag op basis van zijn dagboek bijgehouden op een inspectietocht van zendingsposten in Nederlands-Indië.[1]

Vormingsjaren

Van Rhijn ging in 1828 theologie studeren in Leiden, waar hij sterk beïnvloed werd door de hoogleraar Johannes van der Palm en het supranaturalisme: de overtuiging dat alle Bijbelverhalen historisch betrouwbaar en wetenschappelijk te verklaren zijn. Hij onderbrak zijn studie in 1830/1831 om met de Leidsche Vrijwillige Jagers mee te vechten in de oorlog in België. Na zijn afstuderen trouwde hij op 28 maart 1838 met Antoinette Wilhelmina Vernhout. Remonstrantse hoogleraren in Leiden haalden hem over om remonstrant te worden en als predikant te gaan werken in de remonstrantse gemeente van Friedrichstadt in Sleeswijk-Holstein, dat toen deel uitmaakte van Denemarken. De gemeente daar, gevormd door afstammelingen van Nederlanders uit de 17e eeuw, had ook een schooltje, waarvan hij inspecteur werd. Zijn werk hier beschouwde hij als een zendingspost. Tijdens zijn verblijf raakte hij onder invloed van het orthodoxe lutheranisme van de Duitser Claus Harms en begon afstand te nemen van de Remonstrantse Broederschap.[2]

Nederlands-Indië

Kerk en pastorij in Depok in 1847. Illustratie in het boek van Van Rhijn.

In 1845 werd hem door het Nederlands Zendeling Genootschap gevraagd om een inspectiereis te ondernemen naar de evangelische zendingsposten in Nederlands-Indië, om te bepalen wat er tot nu toe bereikt was qua bevordering van het christendom en civilisatie, en op basis daarvan adviezen te geven voor de toekomst. In augustus 1846 in Batavia aangekomen bezocht hij gouverneur-generaal Rochussen en reisde vervolgens naar Cheribon, waar hij Franz Junghuhn ontmoette, 'een zeldzaam en merkwaardig man, dien men niet vergeten kan, na hem eens te hebben ontmoet'. Via Semarang ging hij naar Yogyakarta en Surakarta en bezocht de Borobudur ('een schoon, belangrijk, verbazend gedenkstuk der grijze oudheid'). Hij verliet Java vanuit de havenstad Surabaya en ging vergezeld door de zendeling Jelle Eeltjes Jellesma met een oude schoener van de marine naar Manado op Celebes, waar hij in maart 1847 aankwam. Hier bleken inmiddels 1700 christenen te zijn. Hij bezocht er twee Duitse zendelingen die hij ooit als middelbare scholier in Nederland al toevallig eens had ontmoet: Johann Friedrich Riedel en Johann Gottlieb Schwartz. Eind april ging hij voor een kort bezoek naar Ternate, en van daar naar Ambon, Timor en Roti. Een zware reis, waarbij zijn schip door windstilte wekenlang stillag en de kapitein een alcoholist bleek te zijn. Eind juli werd hij geveld door malaria ('de Timorsche koorts overweldigde mij. Hevig greep zij mij aan.') en werd ziek teruggebracht naar Batavia. Op 9 augustus kwam hij daar aan, en herstelde in Depok en Buitenzorg, waar hij een week bij Rochussen logeerde. De gouverneur-generaal was de zending niet ongenegen, maar voor 'vrije evangelieprediking' zou een grondige politieke beleidswijziging nodig zijn die Van Rhijn maar in Den Haag moest bepleiten.[3] Na een ontmoeting met Johannes Olivier, directeur van de gouvernementschool in Batavia, keerde hij op 1 februari 1848 terug naar Nederland. De reis ging via Ceylon naar Suez en Caïro. Van daar naar Griekenland en Triëst, en over land huiswaarts, waar zijn vierjarig zoontje Arnold net overleden bleek te zijn. 'Bittere druppels door hemelsche wijsheid in den beker der vreugde gemengd'.

Ambon in 1847, uit het boek van Van Rhijn.

Na zijn terugkomst in mei schreef hij op basis van het dagboek dat hij had bijgehouden Reis door den Indischen Archipel, in het belang der evangelische zending, waarvan in 1849 de eerste aflevering verscheen. In de 'afgeleide beschouwingen' van dat boek bekritiseerde hij vooral de 'staatkunde van ons gouvernement', dat zijns inziens nog meer 'eenzijdig-materieel' was dan dat van 'het gezelschap van kooplieden, dat de Oostindische Compagnie uitmaakte'. Die materialistische instelling vormde een belemmering voor de zending.

Zijn boek kreeg lof maar ook kritiek, zoals van Eduard Douwes Dekker. Hij wist in 1876 in zijn Idee 705 te melden dat Van Rhijn zijn reis moeilijker had voorgesteld dan hij was. Ook verweet hij hem dat hij zich begeven had 'naar streken waar de bevolking zachtmoedig is, en dus geacht worden kan minder dan woeste menschen behoefte te hebben aan veredeling.'[4]

Het Réveil

Van Rhijn werd na zijn terugkomst Nederlands Hervormd predikant in Chaam, in 1852 in Nieuw-Loosdrecht en van 1856 tot aan zijn emiritaat in 1878 in Wassenaar. In 1851 publiceerde hij een boek over politiek en religie dat hij Aphorismen noemde. Het werd geprezen door de conservatieve politicus Guillaume Groen van Prinsterer, die later bij hem in Wassenaar naar de kerk ging. Van Rhijn begon deel uit te maken van de Réveil beweging, een conservatief-christelijke opwekkingsbeweging verwant aan de Romantiek als reactie op het rationalisme en atheïsme van de Verlichting. Hij was bevriend met Isaäc da Costa, Abraham Capadose en Ottho Gerhard Heldring. Met de laatste maakte hij tochten naar Duitsland om kerkelijke bijeenkomsten te bezoeken.

'Gezigt op de baai van Amoerang 1847', uit het boek van Van Rhijn.

Van Rhijn zette zich onder andere in voor meer eenheid binnen de protestantse kerk, en bleef gelden als een autoriteit op het gebied van zending. Hij was onder meer lid van de commissie Zendeling-werkman, die op initiatief van Heldring zendelingen uitzond die in eigen onderhoud konden voorzien en in hun vrije tijd het evangelie predikten. In 1852 was hij lid geworden van de dat jaar opgerichte predikantenvereniging Ernst en Vrede en raakte bevriend met het medelid Nicolaas Beets. Vanwege de verschillende theologische achtergronden van de predikanten ging de vereniging echter na een jaar of zeven al weer ter ziele, evenals Van Rhijns vriendschap met Beets. De aanleiding was dat Beets de vereniging buiten de schoolstrijd wilde houden terwijl de anderen onder leiding van Van Rhijn, en gesteund door Groen van Prinsterer, de vereniging wilde inzetten ter behartiging van het christelijk onderwijs. De brieven van Van Rhijn aan Beets, van 'Geliefde Broeder' in 1852 tot 'Waarde Vriend, uw besluit heeft mij meer teleurgesteld dan ik zeggen kan' in 1858, zijn bewaard gebleven.[5]

Van Rhijn was tegen de afschaffing van de doodstraf, en richtte daarover meerdere 'adressen' aan de Eerste Kamer en schreef er een verhandeling over, zich beroepend op het Oude Testament en de noodzaak de samenleving te beschermen. 'Het eigenlijk begrip van straf is geenszins dat van tuchtmiddel ter verbetering, maar van boete, van wederoprichting en herstel van het geschonden recht'...'Zoo lang er moordenaars en booswichten op aarde zijn, zal de doodstraf noodzakelijk blijken te wezen even als de krijgsmansstand en de politiedienst.' Afschaffing van de doodstraf hield volgens hem geen rekening met ' 's menschen onsterfelijkheid en toekomstig oordeel'. 'Moordenaars, die de straffe des doods hebben verdiend, kunnen voorzeker genade vinden bij God, in den weg van boete en berouw en oprecht geloof in den aan het kruis gestorven Verlosser', en 'het is inderdaad wreedheid om zulken booswichten hunne rechtmatige, door hun eigen geweten gevorderde straf te onthouden.'[6] Deze argumenten ten spijt werd de doodstraf in 1870 afgeschaft.

Doetinchem

In 1879 stierf zijn vrouw Antoinette, kort nadat hij met pensioen was gegaan. Op 16 december 1880 hertrouwde hij met Anna Helena Snouck Hurgronje, de weduwe van een broer van Antoinette en een halfzuster van Christiaan Snouck Hurgronje.[7] Zijn pensioen wilde hij gebruiken om dominee Jan van Dijk en zijn Nederlands Hervormde Zendingsgemeente in Doetinchem te helpen met het bevorderen van het christelijk onderwijs in de Achterhoek en het opzetten van een opleiding voor predikanten in villa Ruimzicht. Hij vestigde zich daarvoor in Doetinchem. Na verloop van tijd kreeg hij echter onenigheid met Van Dijk, onder andere over Van Rhijns voorkeur voor Pruisische militaire opvoedingsmethoden en een strikter toelatingsbeleid, zodat hij in 1886 weer vertrok uit Doetinchem. Vanwege een slechte gezondheid verbleef hij daarna een poos in het kuuroord van Bad Wildungen in Duitsland, en overleed daar op 16 mei 1887.