Kleinbloemige roos

Kleinbloemige roos
Kleinbloemige roos
Taxonomische indeling
Rijk:Plantae (planten)
Stam:Embryophyta (landplanten)
Klasse:Spermatopsida (zaadplanten)
Clade:Bedektzadigen
Clade:'Nieuwe' tweezaadlobbigen
Clade:Fabiden
Orde:Rosales
Familie:Rosaceae (rozenfamilie)
Geslacht:Rosa (roos)
Soort
Rosa micrantha
Borrer ex Sm. (1812)
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Kleinbloemige roos op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Kleinbloemige roos (Rosa micrantha) is een plantensoort uit de rozenfamilie (Rosaceae).

Naamgeving en etymologie

De soortaanduiding micrantha betekent 'kleinbloemig'.

  • Synoniemen: Chabertia hungarica (A.Kern.) Gand., Chabertia lemanii (Boreau) Gand., Rosa arcadiensis Halácsy, Rosa sepium subsp. micrantha (Sm.) Batt.

Determinatie

Kleinbloemige roos is een losse, rechtopgaande struik (fanerofyt) die een hoogte van 50–350 cm bereikt. Ze vormt lange, boogvormig overhangende takken met verspreid staande, haakvormige stekels met een brede basis en een ongelijke grootte. De plant vormt dicht bij de struik wortelopslag. Op de takken zitten geen klieren. De bladeren zijn oneven geveerd met vijf tot zeven ovale tot langwerpige deelblaadjes. De niet behaarde of licht behaarde bladsteel en bladspil zijn met klieren bezet en hebben vaak kleine stekeltjes. De bladeren hebben een duidelijke appelgeur. De blaadjes zijn 1,5–3 cm lang en 0,8–2 cm breed. Ze hebben een afgeronde voet en een toegespitste top. De bovenzijde van het blaadje heeft geen haren of de haren staan verspreid. De onderzijde is behaard en dicht bezet met kleverige kort gesteelde klieren. De rand van het blaadje is meervoudig gezaagd en is bezet met klieren. De met klieren bezette steunblaadjes kunnen wel of niet behaard zijn.

De plant bloeit in juni. De 2–3,5 cm grote, lichtroze of zelden witte bloemen zijn alleenstaand of staan in kleine groepjes van twee of drie. De met klieren bezette bloemstelen zijn 1–2 cm lang. De kelkbladen zijn afstaand of teruggeslagen en vallen na de bloei snel af. Ze zijn aan de rand en op de rug dicht bezet met klieren. De meestal onbehaarde stijlen staan vrij.

De rode, 1–1,7 cm lange en 0,6–0,8 cm brede rozenbottel heeft meestal alleen in de onderste helft enkele gesteelde klieren. De rozenbottel heeft een opvallend lange hals. De met klieren bezette steel is twee tot drie keer zolang als de rozenbottel. Het stijlkanaal is 0,5–0,8 mm groot. De rozenbottel is een vlezige bloembodem met daarin de nootjesachtige vruchten. Het aantal chromosomen is 2n = 28, 35 of 42.

Ecologie

Kleinbloemige roos groeit voornamelijk op zonnige of halfbeschaduwde plaatsen op mesotrofe, meestal kalkrijke bodem. Ze is te vinden in bosranden, heggen, struwelen van het liguster-verbond, op droge heide en op verruigde graslanden.

Syntaxonomie

In de syntaxonomie staat kleinbloemige roos te boek als kensoort voor het liguster-verbond (Berberidion vulgaris).

Verspreiding

Het natuurlijke verspreidingsgebied van kleinbloemige roos strekt zich uit over de gematigde streken van West-, Centraal- en Zuid-Europa, en in Turkije in Noord-Afrika. In Nederland is de soort zeldzaam in Zuid-Limburg en in het rivierengebied. In Vlaanderen is ze zeer zeldzaam in de duinen, in de Leemstreek en in de Zandleemstreek.

Bedreigingen en bescherming

In België staat de soort op de lijst van wettelijk beschermde planten in België. Op de Vlaamse Rode Lijst (planten) wordt kleinbloemige roos vermeld als 'Met uitsterven bedreigd'. De soort is opgenomen op de Nederlandse Rode Lijst als zeldzaam en matig afgenomen.