Kauwgommos
| Kauwgommos | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
![]() | ||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Diplotomma canescens (Dicks.) A.Massal. (1852) | ||||||||||||||
![]() | ||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Afbeeldingen op | ||||||||||||||
| Kauwgommos op | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
Kauwgommos (Diploicia canescens) is een korstmossoort uit de familie Caliciaceae.
Determinatie
- Uiterlijke kenmerken
Kauwgommos is een placodioid korstmos. Het groeit in rozetten tot 6 cm breed. Het thallus, die in kleur kan variëren van wit tot zeer lichtgrijs, is typisch donkerder in het midden en zeer wit-pruinose op de randlobben. Deze lobben zijn convex en worden breder aan de uiteinden, tot 1 mm breed. Het midden van het thallus is over het algemeen bedekt met soraliën, die meelachtig en bleek tot lichtgeel van kleur zijn. De lobben zijn plat en vloeien in elkaar samen. Apotheciën zijn zeldzaam, maar waar ze voorkomen zijn zwart, lecideïne (wat betekent dat ze geen thalline-marge hebben) en meten 0,3–1 mm in diameter.
- Microscopische kenmerken
De asci bevat zijn achtsporig. De ascosporen zijn bruin met een celwand (een septum genoemd) die hen in twee cellen verdeelt en de sporen meten 10–15 × 5–8 μm. In Ierland vindt men de apotheciën alleen in de maanden augustus tot december. De sporenproductie neemt in die periode toe, met een piek in oktober en november.
Ecologie
Kauwgommos komt vaak voor op oude, zonnige, muurtjes van kalkrijk gesteente, maar komt soms ook als epifyt voor op goedbelichte, circumneutrale schors. De fotobiont van kauwgommos is een chlorococcoïde alg. Deze zijn grijs van kleur.
Verspreiding
Kauwgommos wordt in een groot deel van de wereld aangetroffen en komt voor op elk continent behalve Antarctica. In Nederland is het een vrij algemene soort. Hij is niet bedreigd en staat niet op de rode lijst.
Naam
De geslachtsnaam Diploicia is afgeleid van het Griekse woord diploos, wat "tweevoudig" betekent - een verwijzing naar zijn tweecellige ascosporen. De specifieke naam canescens is Latijn voor "grijsharig" of "wit van ouderdom".

