Käthe Reinhardt

Käthe Reinhardt
Algemene informatie
Geboortenaam Katharina Erika Selma Reinhardt
Geboortedatum 23 september 1896Bewerken op Wikidata
Geboorteplaats Berlijn
Overlijdensdatum 28 juni 1987Bewerken op Wikidata
Overlijdensplaats West-Berlijn
Werk
Beroep Dansleidster en uitbaatster van lesbische clubs
Bekende werken Damesclub Monbijou en samenwerking Lotte Hahm
Persoonlijk
Talen Duits
Diversen
Lid van Bund für Menschenrecht
De informatie in deze infobox is afkomstig van Wikidata.
U kunt die informatie bewerken.

Katharina Erika Selma (Käthe) Reinhardt (Berlijn 23 september 1896 – aldaar 28 juni 1987), ook wel Kati genoemd, was de leidster van Monbijou, een club gericht op lesbische vrouwen, ze floreerde in de periodes 1928 tot 1933 en 1945 tot vroege jaren 1980 in Berlijn. Ze werkte veelvuldig samen met Lotte Hahm en zou na de Tweede Wereldoorlog een bar met haar openen.

Historica Claudia Schoppmann, die als een van de eersten onderzoek deed naar de lesbische cultuur van de jaren 1920 en 1930, omschreef haar als 'legendarisch', mogelijk niet enkel een toespeling op haar rol in de lesbische vooroorlogse cultuur, maar ook een verwijzing naar de schamele bronnen die over haar bestaan.[1][2]

Voor de oorlog

Katharina Erika Selma Reinhardt werd geboren in Berlijn op 23 september 1896. Ze was de dochter van Johannes Theodor Max Reinhardt en Marie Gassel.[3] Over Reinhardts leven voor de oprichting van Monbijou in 1928 is weinig bekend.[4]

Monbijou was niet de eerste groep voor vrouwen die op vrouwen vielen, en begaf zich met haar oprichting direct in het vaarwater van concurrent damenklub Violetta. Toch zou de club al spoedig zo'n 2000 leden hebben.[2][4] Het eerste jubileum van Monbijou in 1929 werd uitgebreid gevierd, onder meer met een 'Avond ter ere van Kati' op 14 september 1929.[2] De club kwam regelmatig bijeen in uitgaansgelegenheid Zauberflöte in de Berlijnse Kommandantenstraße.[2]

Reinhardt bestierde de club op bestuurlijk vlak, samen met Karl Bergmann, de voorzitter, maar ook vooral op kunstzinnig vlak. Zo zong ze in de clubs - Ruth Roellig beschreef haar stem als krachtig en geschoold - en had ze de leiding op het gebied van dans, iets waar Lotte Hahm, die Violetta leidde, gebruik van maakte door gezamenlijke dansavonden op te zetten.[2] Historica Heike Schader meent dat dit in 1929 zou leiden tot de ondergang van Monbijou.[4]

Aankodiging van activiteiten van Monbijou en Damenklub Violetta. Reinhardt wordt onderaan genoemd als 'Tanzleiterin'.

Samenvoeging met Violetta

In 1929 werd Monbijou samengevoegd met Damenklub Violetta.[5] Hahm stelde in een en artikel dat werd gepubliceerd in september 1929 in het tijdschrift Die Freundin dat ze van clubleden van Monbijou eerder de vraag had gekregen de clubs te verenigen, maar had gekozen dit niet te doen om geen ruzie uit te lokken.[6] Monbijou werd geleid door Karl Bergmann, een heteroseksuele man die volgens Hahm de club enkel had opgericht voor zijn eigen financiële gewin.[6]

Na onenigheid over achterstallige betalingen tussen Bergmann en de uitbater van uitgaansgelegenheid Zauberflöte, de plek waar club Monbijou haar bijeenkomsten hield, werd Bergmann bij de club uit zijn functie gezet. Vanaf dat moment besloot Hahm de clubs te verenigen en werd zij de leider van beide clubs. De organisatie van de dansavonden lag in handen van Reinhardt die deze functie reeds bij Monbijou bekleedde en door leden uitdrukkelijk gevraagd was haar werk voort te zetten.[6] In 1931 schreef tijdschrift Die Freundin: 'Het is te hopen dat Kati nog lang bij de club zal blijven, want zij, een fantastische persoon en kunstenares, heeft de harten van alle leden weten te veroveren.'[2] Na de machtsovername van Adolf Hitler in 1933 werd Damenklub Violetta verboden en opgeheven.

Na de oorlog

Hahm en Reinhardt openden vrijwel direct na de Tweede Wereldoorlog gezamenlijk een nieuwe bar en zouden tot in de jaren 1960 de bals organiseren, die ze al voor de oorlog op touw hadden gezet.[7][8] Daarnaast waren ze nauw betrokken bij het café Max & Moritz.[a]

Tot in de jaren 1980 zou Reinhardt nog lesbische clubs aanvoeren. Kort daarna, toen Claudia Schoppmann Reinhardt wilde interviewen voor haar doctoraatsstudie (in 1990 verschenen) naar vooroorlogse lesbische cultuur in Berlijn, was ze volgens Schoppmann al te 'seniel' om haar van de benodigde informatie te voorzien.[1]